De reizen van Fjodor de kraai

In vreemde handen

Ik weet niet meer welk jaar het was, maar weet nog erg goed dat de zeemannen schaterden. Ze lachten om de bewering dat een matroos op het schip scheetjes kon laten wanneer hij maar wilde.
Wij maken de plannen, maar het is het lot dat ons uitlacht om al die plannen die wij maken. Ik was nog een jonge kraai, wilde de rest van de wereld zien en alles wat ik meemaakte vertellen aan je. Maar het gebeurde dat ik gevangen werd genomen in Caracas. Terwijl ik te veel was afgeleid door de schoonheid van de meisjes had ik niet in de gaten dat een man mij van achteren had genaderd en een doek over me heen had gegooid. Ik hoorde de man onderhandelen met een andere man. Er werd geld betaald voor mij. Voordat ik in de gaten kreeg wat er aan de hand was bevond ik me in een kooi in een schip. Terwijl ik trilde van angst, de zee als een laken op een bed was, de zon vrolijk en de wind rustig was, haalden de matrozen grappen met elkaar uit.
Ik begreep dat een kleinere matroos aan een grotere matroos geld had geleend. De grote man draaide zich om naar die kleine, liet telkens een scheet en zei dan: ‘Hier heb je nog een peseta.’ Hij ademde diep, draaide zich weer om en herhaalde: 'Hier nog een peseta voor je.’ Dan volgde natuurlijk weer een scheet.
Ik was bang, beefde, vreesde voor mijn leven, maar moest toch lachen om het spektakel op de boot.
Hoe lang voeren we? Ik weet het niet, beste jongen. Ik durfde niet eens naar de sterren te kijken omdat ik niet de gedachte wilde hebben dat ik voor de laatste keer naar de sterren had gekeken. Wat moeten ze met een lelijke kraai, wilde ik weten en kraste zo hard dat niemand op de boot een goede nachtrust kon hebben.
'Wat moet je met een lelijke kraai?’ vroeg een medereiziger aan de man die me had gekocht en in de kooi had gezet?
'De lelijke Turkse prinses Binnaz heeft zich wijs laten maken dat als zij het bloed van een kraai uit Caracas drinkt zij net zo mooi wordt als de meisjes daar’, antwoordde de man die uit al die duizenden kraaien in Caracas uitgerekend Fjodor moest hebben.
Ik wist dat mijn lot bezegeld was, berustte in dit feit en wilde nog een keer mijn kinderen zien die ik op een klein eiland in de oceaan had achtergelaten. Maar de boot voer langs alle eilanden van de oceaan. We stopten zelfs niet bij het grote eiland waar ontvoerde kinderen konden vliegen. De kapitein bracht zijn schip rechtstreeks naar een stad die Amsterdam heette.
In Amsterdam bracht de man die mij had laten vangen naar een pand met vier verdiepingen. In dat pand werd mijn doodvonnis getekend. 'Deze kraai moet bloeden. We hebben het de Turkse sultan beloofd’, zeiden ze een voor een.
In Amsterdam regende het. In Amsterdam regende het altijd. Als vrouwen lang genoeg kijken naar deze regen, dan krijgen ze blikken die de woorden overbodig maken. De ogen van de vrouwen in Amsterdam maakten dat ik mijn tragische einde accepteerde en ik liet geen traan meer vloeien.
In de kooi mocht ik nog een tripje doen langs de grachten van Amsterdam. Het leek er even op dat het zou stoppen met regenen, maar het was schijn. Fjodor, zorg ervoor dat je voor de dood al een paar keer dood bent gegaan. Dan valt de echte dood vast wel mee, dacht ik bij mezelf en begon al te oefenen. En die Turkse Binnaz, voor mijn dood zou ik een scheet laten in haar gezicht. Ik ging maar alvast oefenen.