In waarheid leven

Waar ging ‘de idee Europa’ ook al weer echt om?

Het antwoord is misschien te vinden in Doetinchem, meer precies aan Gentiaanveld 19. Hoogstwaarschijnlijk, hoewel ik er geen onderzoek naar heb gedaan, staat daar het enige huis in Nederland waar in de tuin de Europese vlag hoog in de mast wappert. Hier woont Arie Oostlander, christen-democratisch politicus, oud-europarlementariër, maar bovenal een intellectueel die over alles wat hem beroert met grote hartstocht spreekt, bovenal over Europa.

De diepere betekenis van de idee Europa, zal hij gevraagd naar zijn Europese engagement antwoorden, is dat mensen ‘in waarheid’ moeten kunnen leven. Hij heeft gelijk. Hoe urgent materiële doelen als de instandhouding van de euro ook mogen zijn, krachtiger kan het grote belang van het Europese eenwordingsproject met zijn waarborgen van vrede en recht niet worden geformuleerd dan in deze woorden van Václav Havel.

Het klinkt goed, ‘in waarheid leven’, warm en romantisch, maar voor Oostlander kreeg de wijsheid van de Tsjechische schrijver pas echt betekenis toen hij zich verdiepte in diens motieven om het zó te verwoorden. Havel noteerde zijn ideaal in een essay uit 1984, vijf jaar vóór de Tsjechen zich in hun ‘fluwelen revolutie’ bevrijdden van het totalitaire communisme. Zij deelden met de andere volken in het Oostblok het lot te leven onder een regime dat permanent achterdochtig was jegens de eigen burgers en hen daarom tot in het privé-domein in de gaten trachtte te houden. Mensen in het Oostblok wisten zich niet beschermd in een eigen sfeer, buiten de controle van de overheid. Tussen hen en de staat stond niets, ook niet in de immateriële sfeer van de mensenrechten.

Havel beschreef hoe het voor de mensen in deze landen psychologisch noodzakelijk was een dubbelleven te leiden. In het officiële publieke bestaan herhaalden zij de slogans van de eenheidspartij. Dat was een leven in de leugen van het reëel bestaande socialisme. In hun geheime leven poogden mensen zichzelf te zijn: ‘Te leven in waarheid.’

In zijn essay werkte hij die gedachte uit tot een zachte kracht in het verzet, een geweldloos middel om de dictatuur te weerstaan. Het ging erom, schreef hij, autonoom te handelen, ongeacht wat het regime de burgers probeerde op te leggen. Iemand moest leven alsof hij daad­werkelijk vrij was, zo goed en zo kwaad als dat ging in het dagelijks leven in het Oostblok.

In dit licht is het niet onbegrijpelijk dat ‘een terugkeer naar Europa’ het hoofdpunt was in het programma van Charta ’77, de door Havel geleide beweging van het intellectuele verzet. Hij hield dat perspectief ook voor aan de 250.000 Tsjechen die zich daags na de aftocht van de communisten op het Wenceslasplein in Praag hadden verzameld. ‘Europa’, met zijn geschiedenis van Reformatie en Verlichting, hield de belofte van recht en vrijheid in. Op het ­Wenceslasplein werd zichtbaar hoezeer het Oostblok leed onder het gevoel van zijn Europese wortels te zijn losgesneden. Dat besef, schreef de Britse historicus Tony Judt in het standaardwerk Na de oorlog: Een geschiedenis van Europa na 1945, was de drijfveer achter de wens naar Europa terug te keren.

Op zich was die wens niet nieuw. Al vóór de machtsgreep van de communisten was het oostelijk deel van het continent het Europa geweest dat erkenning en herkenning nastreefde en het westelijke deel het Europa dat zichzelf kende en waarbij de erkenning zo naarstig werd gezocht. Door de opsluiting achter het IJzeren Gordijn groeide dit gevoel van ontheemding uit tot het leidende motief voor intellectuele tegenspraak en oppositie, aldus Judt. Hij schrijft hoe de rouw om de verloren Europese identiteit een nieuwe impuls vanuit West-Europa kreeg door de rechtsgemeenschap die Europese Unie heette. In de landen van de EU was je vrijheid door het recht beschermd tegen de staat. Je kon zeggen wat je wilde, je kon gaan en staan waar je wilde. Tegenover communisme stond geen kapitalisme maar ‘Europa’. Zo werd het lokkende perspectief ooit deel uit te maken van dat vrije Europa voor de Oost-Europeanen een bezielende bron van verzet tegen hun onderdrukkers.

Het Europese project is dus meer dan een praktische regeling voor kwesties op bovennatio­nale schaal, of de euro, het stabiliteitspact en de ecb. Het is ook een idee over menselijke waardigheid. Abstract? Niet voor mensen voor wie vrijheid, gelijkheid en mensenrechten nog geen vanzelfsprekendheden in het dagelijks bestaan zijn. In september 2011 sprak ik op elf hoog in een buitenwijk van Istanbul met een twintig­jarige studente van Koerdische komaf. Waarom, vroeg ik haar, zou Turkije nog het lidmaatschap van de EU moeten nastreven, nu het haar eigen land zo voor de wind gaat en Europa sukkelt met zijn schuldencrisis? Om wille van de individuele vrijheid en de mensenrechten, antwoordde zij. Daarom wappert die vlag in de tuin van Gentiaanveld 19 te Doetinchem. Ik denk dat ik hem ook zou planten, als ik een tuin zou hebben.


Marcel ten Hooven is redacteur van De Groene Amsterdammer