Opheffer

In wankel evenwicht

Opeens stond ik in Parijs voor Rue Bonaparte 42. Je kijkt vanaf die plek naar het café Les Deux Magots. Als je even verder loopt, kom je bij Flore.

Ik moest denken aan de bomaanslag die op Rue Bonaparte 42 heeft plaatsgevonden – ergens in de jaren zestig. Het doel was: Jean-Paul Sartre. De terroristen: rechts Frankrijk, de oas. Na de aanslag verhuisde Sartre met zijn moeder Anne Marie naar een andere woning. Bomaanslagen waren in die tijd in Frankrijk normaal. Zo normaal dat wij er als kind grapjes over maakten: «Wat heb Birgiet Bardoot in ’r bloes? Twee kneedbommen!» Je hoort niets meer over kneedbommen – ze waren destijds populair. Sartre liet zich door de bomaanslagen de mond niet snoeren; vermoedelijk heeft hij daar zelfs geen seconde bij stilgestaan. Hij was veel, maar zeker niet laf.

Nederland heeft geen Sartre; Nederland heeft geen filosoof die achteraf misschien vele verkeerde standpunten heeft ingenomen, maar ook een paar goede en die zich constant bemoeide met de actualiteit.

Toen ik het huis van Sartre zag, kon ik niet nalaten te denken: wat zou Sartre in Les temps modernes hebben geschreven over de crises tussen Israël en Hezbollah? Vermoedelijk zou hij het er ook moeilijk mee hebben gehad. Destijds had hij zich al voor een Palestijnse staat uitgesproken. Dat idee wordt ondertussen door iedereen wel omarmd. Maar Sartre was grillig – het zou zomaar hebben gekund dat hij voor de Hezbollah-beweging zou zijn opgekomen, omdat het een beweging was voor en van het gehele Libanese volk, een beweging die misschien fanatieke trekken had, maar – en wellicht kwam er dan een Sartre-redenering – aan het begin stond van zijn emancipatorische strijd en daarom gesteund diende te worden, want emancipatie betekende immers vrijheid…

Maar toch denk ik – en dat wil ik ook denken – dat zelfs Sartre uiteindelijk in deze crises voor Israël had gekozen, wat misschien even verwonderlijk is.

Wanneer ik even later met een vriendin en mijn dochter in Flore zit, praten we over Sartre, zijn standpunten en de actualiteit. Het is de dag dat er in Londen een complot is verijdeld om enkele vliegtuigen in de lucht op te blazen en dat Israël zijn bombardementen op Beiroet heeft geïntensiveerd.

Hoe over al deze zaken te oordelen? We begrijpen alle partijen. We begrijpen de terroristen die zich in oorlog wanen met het Westen en hier een islamitische staat willen stichten, we begrijpen de Israëliërs die eens en voor altijd van de Hezbollah-beweging af willen, we begrijpen het zelfs steeds beter, maar we zijn het er niet mee eens, en we lopen vast in onze redeneringen. Soms op het ruzieachtige af. (Ik: «Ik zie een lijn tussen Hezbollah en die mensen die die vliegtuigen wilden opblazen.» Dochter: «Ja, er is ook een lijn tussen jou en Nasrallah, jullie zijn allebei fanatieke mannen. En als je het dan over fascisme hebt, dan is er een overduidelijke lijn tussen Olmert en Nasrallah.»)

Het lukt nauwelijks om niet te oordelen in deze kwesties, maar het lijkt ook onmogelijk dat je het juiste standpunt helder weet te verwoorden.

Hezbollah schiet tientallen goedkope, «slordige» Katoesja-raketten af op Israël zonder te weten waar die terechtkomen en die in principe alles en iedereen kunnen raken, terwijl Israël dure precisieraketten afvuurt op verdachte woningen in Zuid-Beiroet – het is bijna alsof de techniek van de bommen de ethische beoordeling beïnvloedt, maar dat is uiteraard niet zo.

Een bom is een bom. Hoe precies ook, hij is bedoeld om mensen te doden, politiek te bedrijven met andere middelen. Soms kan een bombardement rechtvaardig zijn, maar soms ook niet.

Wat rechtvaardig is, is moeilijk te definiëren. Een wetenschappelijk antwoord kan ik daarop niet geven, anders was ethiek wel meetbaar geweest.

Maar een oordeel kan ik wél geven, en hoe scherper de strijd, hoe scherper het oordeel wordt, en hoe groter het effect is – zelfs bij je bloedverwanten. Een oordeel kan splijtend werken. Ik wist het nog net goed te houden tussen mij en mijn dochter.

Waar we het over eens zijn, is dat deze tijd in wankel evenwicht is.

«We maken de eerste schermutselingen van een derde wereldoorlog mee», zeg ik. Het zijn woorden die indruk maken; waarschijnlijk spreek ik ze met de nodige overtuigingskracht uit omdat ik het ook meen.

Die derde wereldoorlog die een atoomoorlog zal zijn. Een bom op een Iraanse kernreactor, een onverwacht – a-typisch, heet dat tegenwoordig – antwoord, en dan de gebruikelijke gevolgen: Nederland die plotseling met zijn nieuwe Tomahawk-raketten in de Middellandse Zee Syrië aan het bedreigen is – of de rapen worden op een andere manier gaar…

Ondertussen zijn dochter, vriendin en ik verhuisd naar Les Deux Magots. We vragen een oudere ober naar Sartre, maar hij heeft hem hier nooit meegemaakt. Hij werkt hier pas zeventien jaar… Hij heeft wel andere beroemdheden hier gezien, waaronder onze Willem-Alexander en Máxima. «De Nederlandse Sartre en Simone de Beauvoir», grap ik moeizaam, wat onderstreept wordt door de dunne reactie van de ober.

Ik schrijf aan een toneelstuk/film waar niemand in geïnteresseerd is: een groepje acteurs repeteert La chute van Camus (handelt over terrorisme), en praat over Paradise Now van Hany Abu Assad (zelfmoordterrorisme), ondertussen wordt hun regisseur vermoord… Ik wil daarmee een paar zaken aan de orde stellen, waarvan ik er enkele van nabij heb meegemaakt.

Mijn dochter leest sommige dialogen en geeft haar zegen. Ze kent de film van Hany niet.

Ik sta even later op van de stoel waar Sartre ooit eens op heeft gezeten en ik bekijk mijn vuile handen – van de inkt.