De lijdende rechter: Een luid protest

‘In zekere zin zijn we gewoon een winkel’

De rechterlijke macht ligt met zichzelf overhoop. In het Manifest van Leeuwarden klagen rechters over de toegenomen werkdruk. Ook is er kritiek op het eigen gezagsorgaan de Raad voor de Rechtspraak. Kan er nog wel goed gevonnist worden?

Medium 13 02 14 rechter cover

‘Rechters zijn serieuze, betrokken, loyale mensen met een groot hart voor de publieke zaak. Als zij kritiek hebben op de manier waarop zij hun werk moeten doen, nemen we het signaal heel serieus’, zegt Frits Bakker, een van de vier leden van de Raad voor de Rechtspraak. Hij reageert zoals het zijn beroep betaamt weloverwogen én loyaal op de snoeiharde kritiek die onlangs naar buiten kwam in het Manifest van Leeuwarden. Er heerst achter de schermen van Nederlands tien rechtbanken en vier gerechtshoven onvrede over de werkdruk en de bureaucratie. Ook op het geventileerde wantrouwen jegens de Raad, het eigen bestuursorgaan, reageert hij stoïcijns.

Bakker, die net een dag mediatraining achter de rug heeft, formuleert voorzichtig, zo niet defensief. ‘Een goede vraag, maar ik geef geen commentaar.’ En nee, daar kan hij niet op ingaan, wachtende het onderzoek dat de Raad nu verricht naar de geluiden van onmin. Natuurlijk, het ligt gevoelig als rechters de vuile was buiten hangen, en het is pijnlijk dat het zo ver heeft moeten komen. Want ligt het gezag van de rechterlijke macht al geruime tijd vanuit de samenleving onder vuur, nu gaan de rechters zelf ook nog in de aanval tegen het gerechtelijke bedrijf.

Dat er iets mis is met de interne verhoudingen kwam eind vorig jaar naar buiten. Rechters uit het noorden van het land stelden een stuk op waarin zij aangeven zich zorgen te maken over de onhoudbare werklast. Ze moeten doorbeuken, ’s avonds thuis overwerken en hebben nauwelijks meer de tijd om hun professionele kennis op peil te houden. Tel daarbij op dat ze van de bestuurders van de rechtbanken productienormen opgelegd krijgen en het beeld ontstaat van oververmoeide rechters die bijna ten onder gaan aan de stapels veelal complexe dossiers. Daardoor kunnen fouten worden gemaakt in de rechtszaal, zo wordt er omineus vastgesteld. Ze trekken daarmee alvast een wissel op de toekomst, alsof er de laatste jaren niet al de nodige missers zijn geweest binnen met name het strafrecht.

In deze treurzang herkent ongeveer 35 procent van de magistratuur zich, zo’n zevenhonderd van de 2500 rechters ondertekenden het manifest. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak maakte dat onlangs bekend, waarmee de kwestie niet meer achter gesloten deuren zit. ‘Een niet meer te negeren signaal van ongerustheid, onvrede en onmacht’, noemde voorzitter Maria van de Schepop de ‘overweldigende steun’ aan het manifest.

Uit de reacties van de ondertekenaars bleek nog iets verontrustends: de relatie met de Raad voor de Rechtspraak wordt ervaren als een kloof en de rechters voelen zich door de Raad niet beschermd tegen de politiek en de samenleving. Volgens twee anonieme ondertekenaars zou er zelfs sprake zijn van inhoudelijke inmenging. Waar zij op doelen is dat de Raad zou hebben geprobeerd de strafrichtlijnen, voor met name zaken over kinderporno en geweld tegen ambtsdragers, te verhogen.

De zogeheten ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ zijn bedoeld om de rechtseenheid te bevorderen, maar rechters hebben te allen tijde de vrijheid om ervan af te wijken. Meer in het algemeen zegt Bakker daarover: ‘Voor ieder rechtsgebied stellen we de oriëntatiepunten samen tijdens landelijke bijeenkomsten. Het heeft betrekking op praktische zaken en kwaliteitszaken. We spreken bijvoorbeeld af dat in civiele zaken de stukken overal op een bepaalde dag voor een bepaalde tijd binnen moeten zijn en wat de termijnen zijn om te reageren. Dat is gewoon handig voor de burger en voor de advocaat. Voor ontslagrecht via de kantonrechter geldt ook een eenduidige richtlijn, anders zou het niet fair zijn naar de maatschappij. Of we maken afspraken over richtlijnen voor vonnissen, zoals twee maanden voor een inbraak. Maar het blijft een richtlijn, de individuele rechter mag daar altijd van afwijken. Niet één zaak is uiteindelijk gelijk.’

Onmiddellijk na de kritiek heeft Bakker samen met drie raadsleden een rondgang gemaakt langs alle rechtbanken en gerechts­hoven. ‘We wilden zelf horen wat de problemen zijn en hebben zo’n beetje alle rechters gesproken. De stemming was over het algemeen goed. We weten natuurlijk niet wie het manifest hebben ondertekend, dat is anoniem via de site gebeurd. Ondertussen heeft nog steeds zo’n tweederde niet ondertekend. Daarmee wil ik het niet bagatelliseren. Tijdens ons rondje kwam er veel op tafel. Er zijn verschillen per rechtbank en per rechtsgebied. De werkdruk wordt als erg zwaar ervaren bij het strafrecht en het familierecht en minder bij civiel en bestuurlijk recht. Hoe, dat zijn we nu aan het analyseren.’

Ook bekijkt de Raad in haar onderzoek of de werkdruk nadelige gevolgen heeft voor het weloverwogen vellen van een vonnis. Want een van de ondertekenaars, president van de Hoge Raad Geert Corstens, stelde in een opiniestuk in NRC Handelsblad dat ‘doorbuffelende rechters’ er vanwege tijdgebrek en productiedruk bijvoorbeeld van afzien om getuigen te horen. ‘Niet omdat dat niet nodig is, maar omdat anders de kwantitatieve doelstellingen niet worden gehaald’, schrijft Corstens. Hij doet een duit in het zakje over zijn eigen ervaring als hoogste rechter van het land. ‘We redden het werk alleen door vonnissen af te doen met een verkorte motivering.’ Volgens hem dringt zich het besef op van ‘accidents waiting to happen’.

Of de hoge werkdruk inderdaad nadelige invloed heeft op de kwaliteit is moeilijk meetbaar. Maar het zou wél ernstig zijn, en het zou het onbehagen in de samenleving over met name het strafrecht deels verklaren. Bakker zegt er toch iets over: ‘Het spanningsveld tussen kwaliteit en kwantiteit is zo oud als de wereld. Maar het is waar dat bij het strafrecht de dossiers omvangrijker zijn geworden. Dat heeft onder meer te maken met nieuwe wetgeving, de internationalisering van het recht en door nieuwe jurisprudentie. De aantallen zaken zijn, zo blijkt uit cijfers, sinds 1985 niet veranderd, maar wel is de gemiddelde zaakzwaarte toegenomen.’

Bakker kan en wil alle kritiek nu niet bevestigen of weerleggen met feiten – waar hij als geen ander weet van heeft, want hij kent de magistratuur van haver tot gort. Hij begon als rechter in Breda, daarna werd hij rechter in Haarlem. In Haarlem rolde hij in het management. Eerst als sectorvoorzitter van de strafkamer, daarna van de afdeling civiel recht. In 1999 werd hij president van de rechtbank in Haarlem, in 2008 bekleedde hij dezelfde functie bij de rechtbank in Den Haag. Nu kijkt hij als lid van de Raad voor de Rechtspraak ‘van bovenaf’ naar het hele bedrijf. Hij heeft de vele rapporten gelezen die de afgelopen jaren zijn verschenen over de toegenomen werkdruk van rechters en de kwaliteit van de rechtspraak die onder druk staat. De discussies hierover in het Nederlands Juristenblad volgt hij nauwgezet.

Maar vraag je hem, nu het borrelt in de gelederen, of ook geld debet is aan de klachten, dan houdt hij zich op de vlakte. Geert Corstens citeert in zijn NRC-_stuk uit het jaarverslag van de Hoge Raad over 2011 en stelt dat ‘er jarenlang te weinig geld is uitgetrokken om de rechter de taken die hem worden toebedeeld naar behoren te laten uitvoeren’. _Bakker: ‘Op zichzelf klopt dat niet. We hebben er de laatste jaren geld bij gekregen. Ik meen, en dat weet ik niet uit mijn hoofd, een stijging van 185 naar 315 miljoen euro, zo’n zeventig procent. Dat komt doordat ons wettelijk vastgelegde bekostigingssysteem output is gefinancierd. We worden op basis van het aantal zaken betaald. In zekere zin zijn we gewoon een winkel, ook al klinkt dat wat oneerbiedig.’

Die ‘winkel’ heeft het er intern ondertussen maar moeilijk mee. Toch is niet duidelijk of het manifest slechts een uiting is van gemopper, zoals op alle werkvloeren wordt geklaagd over ‘de baas’ die eisen stelt aan de productie. Of moet de noodkreet wel degelijk serieus genomen worden? Volgens Corstens zijn rechters geen actievoerders die naar het Malieveld trekken. Het zijn bedachtzame en bescheiden figuren die hun onvrede doorgaans onder elkaar houden. Dit manifest is daarom volgens hem een luide demonstratie voor de kwaliteit van de rechtspraak. Goede rechtspraak vereist immers kennis op niveau, zorgvuldigheid en snelheid in de behandeling van zaken, maar ook ruimte voor reflectie. Die ingrediënten sneuvelen als het werktempo te hoog ligt, aldus de klagers.

En steken de rechters wel de hand in eigen boezem? Dato Steenhuis, oud-procureur-­generaal van het gerechtshof in Leeuwarden, vindt van niet, zo blijkt uit zijn geïrriteerde reactie op de klachten van de collega’s uit zijn stad. Hij verwijt de mopperkonten in een opiniestuk in NRC Handelsblad dat zij ‘over het paard getilde professionals zijn die vergeten dat ze een belangrijke maatschappelijke functie te vervullen hebben – niet zij behoren centraal te staan, zij moeten de samenleving dienen’. En ook moet het buffelen om het aantal zaken te verstouwen met een korrel zout genomen worden. Hij stelt dat ‘sinds 2005 het aantal strafvonnissen met een kwart is gedaald, maar de doorlooptijden met eenvijfde zijn gestegen’.

Is dat omdat de rechters langzaam werken of omdat de zaken complexer zijn geworden? Bakker: ‘Ons onderzoek zal uitwijzen hoe de verhouding ligt tussen onvrede en tevredenheid. Dat ze nu ook naar de Raad wijzen, ligt in de sfeer van “help ons, steun ons” in het oplossen van problemen die er gewoon zijn. Ze kijken ons erop aan dat we hier met z’n allen in zijn beland. Het komt allemaal voort uit hun betrokkenheid bij het vak, dat zij, zo blijkt altijd weer uit onderzoek, heel serieus nemen. Ik heb er vertrouwen in dat we het samen kunnen oplossen. We komen er binnenkort met onze analyse op terug.’

De Raad voor de Rechtspraak doet naar verwachting eind februari uitspraak over de opstand der vermoeide rechters.