Ernst Haffner

In zwembadpas door Berlijn

In 1932 verscheen de roman Jeugd op de Berlijnse straat van Ernst Haffner. Over de schrijver is ondanks recente naspeuringen niets meer bekend dan dat hij van 1925 tot 1933 sociaal werker en journalist in Berlijn was en één boek schreef.

Twee welwillende recensies zijn overgeleverd, waarvan één in het beruchte satirische tijdschrift Simplicissimus, waarvoor ook beeldend kunstenaar Käthe Kollwitz werkte. Een jaar later werd het boek verboden en verdween het op de brandstapels van de nazi’s. Het spoor van Haffner, die ergens in Duitsland rond 1900 geboren zou zijn, loopt daarna dood.

Het boek werd geschreven met een tóen actueel maatschappelijk doel: het tonen van de mensonterende omstandigheden waaronder zwerfjongeren in Berlijn begin jaren dertig leefden. Het werd vergeten; de Duitse zelfreflectie richtte zich immers exclusief op de periode ná de machtovername van Hitler in 1933. Maar de jongste generatie Duitsers, de eerste die geen rechtstreekse oorlogservaringen uit de eigen familiekring meer heeft, zoekt nieuwe wegen om over de vooroorlogse tijd na te denken. Dat er tienduizenden mensen in de Duitse steden op straat leefden, en dat er een levendige subcultuur van links-proletarische jongensbendes was, zat niet in het collectieve geheugen.

Tachtig jaar na dato besloot daarom de kleine en hippe uitgeverij Metrolit, die zich doorgaans richt op popcultuur en Berlijnse grote-stads-literatuur, het boek opnieuw uit te geven, nu onder de titel Bloedbroeders. Het werd een hype op de Buchmesse in Frankfurt, waar uitgever Peter Graf van Metrolit de rechten verkocht aan zeven landen.

De wereld waarin de roman zich afspeelt, is in de literatuur vooral vastgelegd in Alfred Döblins Berlin Alexanderplatz. De clique uit de ondertitel is een bende van losgeslagen jongens, die door de grijze, grauwe, koude en overbevolkte straten van Berlijn trekt, op zoek naar warmte, onderdak, eten en sigaretten. Het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog werd overspoeld met weesjongeren, die door een zeer strenge Jeugdzorg tot hun 21ste verjaardag werden ondergebracht in internaten. Een ‘oorvijg als verjaardagscadeau’ konden deze melkmuilen krijgen, en hoewel Jeugdzorg was opgericht om verwaarlozing te bestrijden, was het medicijn duidelijk erger dan kwaal.

Een bende van losgeslagen jongens trekt door de straten van Berlijn op zoek naar warmte, eten en sigaretten

Willi is een rebelse figuur die het getreiter van de internaatleiding niet meer uithoudt. Hij slaat een van de ‘vaders’ – later zal hij daar drie maanden voor gevangen worden gezet – en ontsnapt. Door zich vast te houden onder een trein weet hij de levensgevaarlijke tocht naar Berlijn te maken.

Berlijn: dat is de magneet waar iedereen naartoe trekt, in die tussenoorlogse jaren. Maar al snel bemerkt Willi dat ‘dit eindeloze, onbarmhartige Berlijn niet in je eentje te bedwingen is’. Hij komt terecht in de ‘warmtehallen’ waar de haveloze werklozen die moeten leven van de ‘Ewige Hilfe’ (de steun) zich overdag wat kunnen warmen. Maar de jongen heeft geen papieren, en dus zelfs geen recht op steun. ’s Nachts is hij overgeleverd aan de stad. De honger is alleen te bestrijden door zich aan te sluiten bij de bende Bloedbroeders, een hechte groep van zo’n tien jongens tussen de vijftien en 21 die leven in de krochten van de wereldstad. Jonny is de leider; iedereen zorgt voor elkaar en de band is hechter dan in welke familie ook. De groep is als een dier; steeds weer ontsnappen ze aan de politie die genadeloos op ze jaagt. Van kroeg naar kroeg, en van de ene naar de andere slaapplek rennen ze, om maar vrij te blijven. Maar als Jonny zijn bende begint op te leiden tot zakkenrollers is dat een brug te ver voor Willi en zijn kompaan Ludwig. De twee jongens proberen als schoenlappers een schamel maar eerlijk inkomen te verdienen.

Het sentiment ligt op de loer, maar Haffner weet moralisme te vermijden en toont rauw realisme. Als Willi en Ludwig in West-Berlijn rondom de Kurfürstendamm proberen wat bij te verdienen bij de kapitalisten blijkt er maar één manier: zich prostitueren voor mannen. Jongensprostitutie wordt hier in een politieke context geplaatst: het zijn de proletarische jongeren die zich moeten aanbieden. Bij mijn weten is dit vóór dit boek nooit zo onverbloemd beschreven in de Duitse literatuur.

Zoals Jonny en zijn clique waren er vele duizenden kinderen in Berlijn: dat is de sociaal-realistische boodschap die Ernst Haffner nergens onder stoelen of banken steekt. Voor Nederlandse lezers kunnen echo’s van lang geleden klinken, van Kees de Jongen of Louis Paul Boon. Hoewel de Bloedbroeders apolitiek zijn, is Haffners reportage een politiek statement over een subcultuur, zoals Wir Kinder vom Bahnhof Zoo dat was over de punks en junkies in de jaren zeventig. In een onopgesmukte stijl sleept Haffner de lezer van gebeurtenis naar gebeurtenis; Bloedbroeders is zeker niet aan te merken als Hochliteratur, zoals dat in Duitsland heet. Toch is ook voor de literaire lezer van tachtig jaar later heel wat te genieten van een onbekende wereld die zich voor je opent.


beeld: Straatkinderen in Berlijn, jaren dertig. Ullstein / Metrolit Verlag.