Incest uit het strafrecht

PETER VAN KOPPEN: ‘Het punt is: vrouwen met problemen komen bij de therapeut en ze komen de therapiekamer uit met veel meer verhalen dan ze vóór die tijd hadden. Verhalen over misbruik met name. Natuurlijk kunnen die vrouwen seksueel misbruikt zijn. Maar als je in politietermen gaat praten, dan bouwen al die verhalen die tijdens de therapie zijn ontstaan zo'n wolk om welke kern van waarheid ook, dat je die kern nooit meer terugvindt. En je dus strafrechtelijk niks hebt.’

De psycholoog Peter van Koppen schreef met de hoogleraren Crombag en Wagenaar het destijds (1992) spraakmakende boek Dubieuze zaken: De psychologie van strafrechtelijk bewijs. Zo'n drie weken geleden verscheen van hem een advies aan de minister van Justitie: Hervonden misdrijven: Over aangiftes van seksueel misbruik na therapie. Het bracht een golf van publiciteit teweeg.
Van Koppen: ‘Ik vind al die aandacht bizar. Mijn advies kreeg veel meer aandacht dan het vorig jaar verschenen boek van Crombag en Merckelbach, Hervonden herinneringen en andere misverstanden, terwijl zij toch alle voors en tegens keurig op een rijtje hadden gezet in een boek van een paar honderd pagina’s. Ik ben wel een van de eersten die met empirisch telwerk komt. Misschien is dat de reden.
Ik heb het advies gemaakt op verzoek van Sorgdrager. De zaak-Lancee was niet de aanleiding. (René Lancee, oud-politiechef op Schiermonnikoog, werd vorig jaar april van zijn bed gelicht door een zes man sterk arrestatieteam nadat zijn zeventienjarige dochter Bianca aangifte had gedaan van seksueel misbruik; de aanklacht bleek nergens op te berusten - jn.) De aanleiding voor het advies was dat justitie steeds meer te maken krijgt met zaken die ontstaan na aangifte van seksueel misbruik. Bovendien wordt men benaderd door ten onrechte beschuldigde ouders die door dit soort aangiften in de knoop geraakt zijn.’
BORIS DITTRICH, ooit rechter, nu lid van de Tweede Kamer en justitiewoordvoerder voor D66, kijkt ook verbaasd naar de media-aandacht voor het advies van Van Koppen. Dittrich: 'Ik heb het gevoel dat het komt doordat er zo veel verschillende media gekomen zijn. Op redactievergaderingen gaat het niet over wat ze zelf interessant vinden, maar zeggen ze: heb je de andere kranten gelezen, moeten wij er ook niet iets aan doen? Daar spelen anderen handig op in. Politici ook. Zo lijkt het opeens een maatschappelijk probleem. Ik denk dat het een hype is. In het advies van Van Koppen zie ik dat het gaat om een zeer beperkt aantal zaken in het strafproces. Aan de andere kant heb je wel een heleboel alternatieve therapieën waaruit dit soort hervonden herinneringen naar boven kunnen komen. Vrienden van mij zijn heel ver in… hoe heet het ook weer… neurolinguistic programming. En dat zijn mensen die midden in het leven staan, goeie banen hebben. Blijkbaar hebben mensen daar tegenwoordig behoefte aan.’
Ook in de niet-alternatieve therapiewereld bestaan nogal duistere procedures om vast te stellen of er sprake is van verdrongen herinneringen aan incest. Van Koppen: 'In de Amerikaanse psychotherapiewereld bestaan lijsten met criteria. Als een patiënt aan een aantal daarvan voldoet, is er waarschijnlijk sprake van seksueel misbruik. Te veel eten is seksueel misbruik, te weinig eten ook. Veel zin in seks is het, te weinig ook. Het probleem is natuurlijk dat werkelijke incest moeilijk bewijsbaar is. Het zijn vaak één-op-éénsituaties. Ware het niet dat in de meeste incestzaken de moeder op een gegeven moment toegeeft dat er toch wel wat aan de hand was, of dat het nogal evident lijkt als je het dossier leest. Kijk, als iets één keer gebeurt, houdt het onderzoek vrij snel op, maar als er langdurig seksueel misbruik is, merk je dat. Of je dan kunt spreken van waardevolle getuigen, is een tweede.
Over het algemeen kun je wel zeggen dat incest ingebed is in een geheel van omstandigheden. Incestslachtoffers worden slecht gevoed, ouders letten niet op de kinderen, hun hele jeugd is naar de knoppen, niet alleen door het seksueel misbruik. Maatschappelijk gezien wordt seksueel misbruik nu als het ergste gezien, maar als je de verhoren van die kinderen ziet dan is het een van de vele verschrikkelijke dingen die ze hebben meegemaakt.’
HYPE OF GEEN hype, de discussie omtrent herinneringen aan incest die in therapie naar boven zijn gekomen, speelt al een jaar of wat. Er is grofweg sprake van twee kampen. In het ene kamp de psycho- en andere therapeuten plus klinische psychologen en soms psychiaters die menen dat herinneringen geactiveerd dan wel herbeleefd kunnen worden om tot genezing van een trauma te komen. Aan de andere kant een veel kleinere maar invloedrijke groep wetenschappers, vaak gedragspsychologen en psychiaters, die sceptisch staan tegenover het waarheidsgehalte van herinneringen an sich en grote twijfels hebben over herinneringen die tijdens therapie naar boven komen.
Tussen de kampen is een ware stammenstrijd uitgebroken. Zeker in Nederland, dat met Amerika zo'n beetje het meest vertherapeutiseerde land ter wereld is. Slachtoffers van incest aan de ene kant en slachtoffers van incestaantijgingen aan de andere kant hebben zich in netwerken verenigd. De rechtszaal is vaak hun strijdperk.
In het ene kamp heeft men het over dissociatie, het triggeren van traumatische herinneringen en overdrachtsfenomenen, in het andere kamp gaat het over het iatrogeen syndroom, de functie van het vergeten en pseudoherinneringen. Dat klinkt nog als twee gelijkwaardige stromingen. Maar waar het ene kamp, dat van de gortdroge gedragspsychologen, geen stap buiten haar empirische basis wil zetten, daar zijn in het andere kamp de meest fantastische uitwassen te vinden; van sprookjesachtige meervoudigpersoonlijkheidssyndromen, via ontvoeringen door buitenaardse wezens, tot ingewikkelde samenzweringen met satanische rituelen. De kloof tussen de kampen lijkt niet te overbruggen.
Van Koppen: 'Ik zat onlangs in een televisieuitzending met Paul Witteman en daar hadden ze een therapeut opgeduikeld die al bij zijn eerste zin zei dat hij bij zijn patiënten herinneringen tot tweeduizend jaar terug kon oproepen. Na de uitzending heb ik nog geprobeerd even met die man te praten. Er bleek geen normaal gesprek mogelijk.’
OF ER NU SPRAKE IS van incest dan wel van verzonnen incest, het is de vraag of een rechtsgang de beste weg is voor al of niet vermeende daders en slachtoffers.
Toen Boris Dittrich nog rechter was, had hij vaak met incestzaken te maken. Dittrich: 'Eén zaak staat me nog goed voor de geest. Een dochter die haar vader van incest beschuldigde. Haar moeder trok partij voor haar man. En haar zusje ook. Dus ze stond helemaal alleen. Moest toen ook het huis uit. Dat werden vreselijke taferelen op de zitting. Verwijten over en weer. Op een gegeven moment dacht ik: ik kan me voorstellen dat zij zich nu afvraagt of dit het allemaal waard is geweest. Er kwam een veroordeling uit. Dat werd haar nagedragen door de hele familie. Die man werd veroordeeld voor iets van lang geleden, dus de gevangenis ging hij niet meer in. Ze wekte niet de indruk dat het een bevrijding was voor haar.’
Dittrich vindt in veel gevallen strafrecht dan ook niet de weg voor de behandeling van incestzaken: 'Er is heel wat voor te zeggen om te proberen tot bemiddeling te komen. Of tot een groepstherapiegesprek om te kijken of men zo met elkaar in het reine kan komen. Het is uiteraard ieders goed recht om te zeggen: ik ben op een bepaalde leeftijd gekomen, ik accepteer niet wat mij vroeger seksueel is aangedaan, ik dien een aanklacht in. Maar het strafproces zet allerlei dingen op scherp. Je geeft iemand aan en de politie en het Openbaar Ministerie gaan ermee aan de haal. Daardoor wordt het moeilijk om relaties te herstellen.’
IN HET ADVIES van Van Koppen aan Sorgdrager wordt een stappenplan voorgesteld dat een onnodige rechtsgang moet vermijden. Citaat: 'Zaken die hoogstwaarschijnlijk niet tot een veroordelend vonnis zullen leiden, moeten zo vroeg mogelijk in het strafrechtelijke traject beëindigd worden. (…) Voor aangeefsters is het opnieuw vertellen van traumatische herinneringen een traumatische ervaring op zichzelf. Voor verdachten grijpt een aanhouding voor seksueel misbruik diep in het leven in, ook als later sepot of vrijspraak volgt.’
Het idee dat je nog wel eens onder therapeuten aantreft, dat een rechtsgang een therapeutische werking zou hebben, wordt dus niet gedeeld door Van Koppen. Ook niet als er sprake is van werkelijke incest. Van Koppen: 'Bij werkelijke incest levert het doen van aangifte aan de ene kant opluchting op, maar aan de andere kant voelt de aangeefster zich ook vreselijk schuldig. Uiteindelijk zorgt zij ervoor dat haar vader in de gevangenis komt. Dus om dat nu te zien als een goede afronding van een therapie… ik zou dat niet voor mijn rekening willen nemen.’
Van Koppen stelt daarnaast ook vast dat de neiging tot het strafrechtelijk oplossen van dit soort zaken terugloopt: 'Bij de afdeling Jeugd en Zeden van de politie hangt over het algemeen veel minder een we-moeten-boeven-pakkensfeer. De laatste tien jaar zijn ze veel meer getraind in het zien van incest als sociaal probleem. Ze weten dat strafzaken verwoestend werken op een sociale omgeving. Ze weten ook dat, als er een glimp van hoop is om de zaak binnen de familie op te lossen, daar dan het beste voor gekozen kan worden. Zeker als je bekennende verdachten hebt en er niet de meest verschrikkelijke dingen zijn uitgehaald, wordt de zaak geschikt. Daar hebben de betrokkenen vaak meer aan.’
Van Koppen komt in zijn advies aan Sorgdrager tot de conclusie dat er sprake is van minstens dertig aangiften per jaar die gebaseerd zijn op zogeheten pseudo-herinneringen. Dat is inderdaad een zeer beperkt aantal. Al deze zaken zijn, na vaak grote inspanning van de politie (zoals het instellen van een recherchebijstandsteam) bovendien op vrijspraak uitgelopen, op één zaak in de jaren tachtig na.
Maar het zou best kunnen dat de geregistreerde aangiften maar een topje van de ijsberg vormen. Bij de meeste incestbeschuldigingen komt het niet tot aangifte. In driekwart van de gevallen die zijn geregistreerd door de Werkgroep Fictieve Herinneringen (een belangengroep van ouders die van incest zijn beschuldigd) was bijvoorbeeld geen sprake van aangifte. En dan is er uiteraard nog een onbekend aantal gevallen dat noch de politie, noch de Werkgroep Fictieve Herinneringen bereikt.
DE OUDE PEKELA-affaire en de twee beroemde Nederlandse incestaffaires, Lancee en Yolanda, hadden nooit tot zulke (media)proporties kunnen uitgroeien als de politie had gewerkt volgens het stappenplan in het advies van Van Koppen. Daarin staat bijvoorbeeld dat de zaak terzijde moet worden gelegd als de aangifte beschuldigingen van satanisch ritueel misbruik bevat, omdat dergelijke aangiften nog nooit door ander bewijs zijn ondersteund.
De Eper incestaffaire bevatte, zoals ook Crombag en Merckelbach stellen in hun Hervonden herinneringen en andere misverstanden, alle kenmerken van het genre van het satanisch ritueel misbruik, zij het dat het kwaad en Satan zelf vreemd genoeg niet in de gruwelfantasie van Yolanda voorkwamen. Van Koppen: 'Die Eper incestaffaire is al fout begonnen, voordat er überhaupt aangifte was gedaan. Er was een politieman die zich Yolanda’s lot nogal aantrok. Die heeft er bij haar op aangedrongen om aangifte te doen. En haar dagboeken te vervalsen, en dat soort dingen. Op het punt van aangifte zag je bij Yolanda dat een deel van het rechercheteam zei: dit is zo'n verschrikkelijk verhaal, dit kan niet verzonnen zijn. En een ander deel dat juist het tegenovergestelde had: dit verhaal is zo bizar dat het wel verzonnen zal zijn. Deels door die spanning is de zaak zo uit de hand gelopen. Als die mensen volgens mijn stappenplan hadden gewerkt, was het nooit zo ver gekomen.’
Dittrich: 'Ik vind dat je elke aangeefster goed moet ondervragen. En dat kan ook kritisch zijn. Ik heb de zaak Lancee een paar weken geleden nog eens helemaal doorgelezen. Alles wat Bianca Lancee, de dochter, zei werd klakkeloos aanvaard. Het allereerste gesprek, de zogenaamde aangifte, daar is een bandopname van gemaakt. Dan worden haar wat vragen gesteld. Daar reageert ze niet op. Of je hoort haar iets van “mmmm” zeggen. De rechercheur had al wat voorgesprekken gehad, dus die dacht: “Ik weet hoe dat zo'n beetje zit”. Hij begon steeds meer dingen te zeggen als: “En toen heeft je vader je vastgepakt, en… wat deed die met die schaar?” Zo werden haar dus allerlei dingen in de mond gelegd. Vervolgens werd die band niet uitgewerkt. Hij heeft zelf het proces-verbaal gemaakt. Dat werd een gespreksverslag in de trant van: “Mijn vader pakte een schaar en deed dit en dit.” Als je dat leest denk je dat Bianca breeduit heeft zitten vertellen. Iedereen heeft zich op het verslag van die rechercheur gebaseerd, totdat iemand na een maand vroeg of die band niet eens uitgewerkt moest worden.’
BORIS DITTRICH en Peter van Koppen verschillen overigens van mening over de manier van verhoren bij incestzaken. In de Volkskrant van 8 oktober hield Dittrich een warm betoog voor video-opnamen: 'Niet wat iemand zegt maar ook hoe kan voor de beoordeling van het waarheidsgehalte van belang zijn. Lichaamstaal hoor je niet bij het afspelen van een geluidsband.’ Van Koppen reageerde daarop in de Volkskrant van 20 oktober: 'Dittrich begeeft zich op glad ijs als hij uitlegt wat de rechter met de videoband moet gaan doen. (…) Wij weten sinds jaar en dag dat op basis van de manier waarop iemand zich gedraagt en beweegt niet kan worden beoordeeld of hij zit te liegen.’
Beide heren doen nogal geamuseerd over hun meningsverschil en lijken het eerder curieus dan belangwekkend te vinden. Erg consequent is het ook allemaal niet. Al is het maar omdat Van Koppen in zijn advies aan Sorgdrager weer expliciet voorstelt: 'Het verhoor van de aangeefster wordt op videoband opgenomen.’ En verderop: 'De verdachtenverhoren worden op videoband opgenomen.’
Van Koppen: 'Ik verzet me ertegen dat Boris Dittrich schreef dat hij ongeveer alles op videoband wilde opnemen. Maar nog veel belangrijker was waar hij die video voor wilde gebruiken, namelijk vooral voor de lichaamstaal. Dat is ongeveer het ergste wat een rechter kan opvoeren.’
Dittrich: 'Ik weet dat Peter van Koppen denkt dat rechters ten onrechte vinden dat ze in lichaamstaal deskundig zijn. Maar het is in die één-op-éénzaken bijzonder belangrijk om de aangeefster te horen op de zitting. Via het Europese recht wordt dat ook steeds meer afgedwongen. Ik heb als rechter toch echt ervaren dat je, als je iets keurig in de verklaring van de politie las, dacht: “Ik weet hoe het zit.” En dan komen de getuigen en je ziet gewoon dat ze beginnen te hakkelen en te aarzelen en weg te kijken. Een rechter moet naast wettig bewijs ook de overtuiging hebben dat de verdachte het gedaan heeft. Die overtuiging wordt niet alleen gekleurd door wat je hoort en leest, maar ook door wat je ziet. Op een gegeven moment moet je maar hopen dat de kwaliteit van rechters goed genoeg is. Gelukkig weet ik me gesteund door de orde van advocaten en de vereniging van slachtofferhulp. Die willen ook video hebben.’
Peter van Koppen: 'Video-opnamen moeten heel professioneel gemaakt worden. Zo had men bij de verhoorstudio’s voor kinderen in eerste instantie twee grote fouten gemaakt. Er stond een grote tafel waaraan die kinderen met lego zaten te spelen. Dat maakte zo'n kabaal dat je die kinderen niet meer kon horen. En de tafel was wit, waardoor het kleurencontrast naar de knoppen ging. Bovendien hadden ze de camera’s boven in de hoeken hangen. Als mensen gaan huilen, gaan ze in elkaar zitten. Zeker kinderen. Dus op het moment dat ze belangrijke dingen gingen vertellen, kon je hun gezicht niet meer zien.’
KUN JE NA langdurige therapie waarin een verhaal verscheidene keren verteld en herbeleefd is, überhaupt nog wel spreken van betrouwbare herinneringen? Van Koppen: 'De getuige kan dan feit en fictie niet meer van elkaar scheiden. Ik heb een aantal keren een strafzaak gevolgd waarin een getuige een verhaal vertelde. Eerst aan de politie, dan aan de rechter-commissaris, dan nog eens tijdens de rechtszitting. In een periode van een, twee jaar. Dan zie je zo'n verklaring samengaan met dingen die hij van anderen gehoord heeft.’
Van Koppen stelt in zijn advies aan Sorgdrager een aantal regels voor aan de hand waarvan vastgesteld moet worden wat de rol van de therapie is geweest bij de aangifte van incest: 'De zaak wordt terzijde gelegd als de aangeefster geen medewerking geeft aan het horen van therapeuten en andere hulpverleners. (…) Als de therapeuten, ook na toestemming van de aangeefster, weigeren mee te werken, zal met de aangeefster een zo precies mogelijke reconstructie van de therapie gemaakt moeten worden. (…) Als het niet mogelijk blijkt vast te stellen welk verhaal de aangeefster al voor de therapie vertelde, dient de zaak terzijde te worden gelegd, omdat dan feit en fictie achteraf niet meer gescheiden kunnen worden.’
Je zou zeggen dat het streng navolgen van dergelijke regels in de praktijk teweegbrengt dat een incestaangifte na therapie met zoveel scepsis bekeken wordt, dat ze nauwelijks nog een serieuze kans maakt in het strafrechtelijk proces. Zo ziet Peter van Koppen dat zelf niet: 'Als blijkt dat de therapeut allerlei suggestieve technieken gebruikt heeft, moet je proberen een reconstructie te maken van het verhaal dat er voor die tijd was. En bij een goede therapeut kan dat, want die houdt aantekeningen bij.’
MAAR MAAKT een goede therapeut nog wel gebruik van suggestieve technieken? Juist als die technieken zijn gebruikt, hoef je van therapeuten geen medewerking aan het strafrechtproces te verwachten. Waarom zouden ze? Ze weten bij voorbaat dat de aangifte niet serieus genomen zal worden. En je mag aannemen dat zulke therapeuten overtuigd zijn van die verborgen gebleven incest. Zo is de cirkel weer rond. Een zekere naïviteit kleeft er zo gezien wel aan de voorstellen van Van Koppen.
De genoemde Werkgroep Fictieve Herinneringen bracht vorige week een rapport uit. Daarin worden aanzienlijk verdergaande voorstellen gedaan ter controle van het werk van de therapeuten: 'Een van de concrete verbeteringen die de komende tijd zou moeten worden ingevoerd, is het opstellen en verplicht stellen van protocollen voor therapeuten. Ten eerste over het verbieden van suggestieve technieken en ten tweede over het omgaan met (al of niet fictieve) traumaverhalen.’ Daarbij wordt verwezen naar de situatie in Engeland, waar het Royal College of Psychiatry haar leden heel concreet heeft verboden dergelijke therapeutische technieken toe te passen.
Maar het instellen van verbodsbepalingen lijkt niet de weg die men in Nederland graag bewandelt. In Nederland sluit men liever compromissen. En misschien is dat maar beter ook. Al is het maar omdat de therapie anders juist al bij voorbaat het strafrecht in getrokken zou worden - en dat is nu juist de sfeer waarin het therapeutisch proces niet gedijt. Dittrich: 'Ik moet eerlijk zeggen dat ik voor de wetgever geen rol zie. Hooguit een soort publieksvoorlichting, zo van: mensen, bij dit soort therapeuten moet je je heil niet zoeken.’
Ook Van Koppen wil het therapeutisch proces een mate van vrijheid meegeven: 'Het gaat wat ver om aan de minister van Justitie te adviseren dat ze het therapeuten verplicht stelt hun sessies te registreren. De therapeuten moeten zelf maar zo verstandig zijn.’
WAT BETREFT de wildgroei aan therapieën is Peter van Koppen, net als Boris Dittrich, bereid zich neer te leggen bij de geest van de tijd en bij het feit dat je niet zomaar van alles kunt verbieden. Van Koppen: 'Uit het onderzoek blijkt dat de meeste therapieën niet erg effectief zijn. Het enige wat echt effect heeft is gedragstherapie op korte termijn. Symptoombestrijding. Maar daar willen we kennelijk niet aan. Er is een grote maatschappelijke behoefte aan langdurige therapieën. Het aantal reïncarnatietherapieën is inmiddels niet meer te tellen. Het is heel moeilijk om een criterium te bedenken waarmee je het een wel kunt aanpakken en het andere niet. Bij artsen is dat meer dichtgetimmerd, omdat het daar gaat over het wel of niet mogen geven van injecties en het voorschrijven van medicijnen. Overigens stuitte ik bij mijn onderzoek naar hervonden herinneringen net zo goed op reguliere psychotherapeuten als op kwakzalvers. Maar omdat ik vanuit de politiekant ben gaan werken, heb ik geen idee hoe die verhoudingen in het veld nu echt liggen.’