Het definitieve klimaatakkoord

Inderdaad, historisch

Zelfs voor cynici was het lastig om vol te houden dat ‘de politiek’ niets voor elkaar krijgt, nadat zaterdagavond het definitieve klimaatakkoord was gepresenteerd. Bijna tweehonderd landen zijn overeengekomen dat ze de opwarming van de aarde tot ‘ruim beneden’ de twee graden Celsius willen beperken, liefst zelfs tot 1,5 graad. Daarvoor moet de uitstoot van broeikasgassen ‘zo snel mogelijk’ worden gestopt.

Ja, het is nog afwachten of de daad bij het woord gevoegd zal worden. Ook waar: de plannen voor emissiereducties blijven vrijwillig en zijn bij lange na niet genoeg om gevaarlijke opwarming te voorkomen. Maar toch, er ligt een bindend en ambitieus verdrag, waarmee ieder land ter wereld heeft ingestemd. Dat is, hoe je het ook wendt of keert, een huzarenstukje. Na ruim twintig jaar VN-onderhandelingen ligt er eindelijk een stevig fundament waarop voortgebouwd kan worden. Waarom werd de 21ste Conference of Parties (COP) in Parijs wél een succes?

De deal die afgelopen weekend in de Franse hoofdstad werd beklonken, kwam niet volledig tot stand in het conferentiecentrum van Le Bourget. Al zes jaar was er naar dit moment toe gewerkt. Een herhaling van het debacle in Kopenhagen moest koste wat het kost voorkomen worden. Om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen voerde VN-klimaatchef Christiana Figueres sinds haar aantreden in 2010 een onophoudelijke campagne, waarvan de overeenkomst in Parijs de bekroning is.

Het sleutelmoment was COP17, de klimaatconferentie in Durban (Zuid-Afrika) in 2011. Daar werd het grondwerk voor Parijs verricht: ‘ontwikkelingslanden’ (waaronder China) aanvaardden dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben in het terugdringen van broeikasgassen en de VS lieten weten open te staan voor een juridisch bindend akkoord. Ook werd er een werkgroep in het leven geroepen om ‘gevaarlijke antropocene inmenging met het klimaatsysteem’ (lees: een ecologische ramp) te voorkomen.

Op 5 december jongstleden kwam hun werk ten einde: na een week onderhandelen in Parijs waren de diplomaten het eens over een concepttekst. Vervolgens was het aan de ministers om de vele [haakjes] weg te werken. Dat is diplomatentaal voor het nemen van belangrijke politieke beslissingen. In de tweede week werden er knopen doorgehakt over de hoogte van klimaatfinanciering (minstens honderd miljard dollar per jaar voor de ontwikkelingslanden), de juridische status van het verdrag (deels bindend) en een evaluatiemechanisme (vanaf 2020 worden de klimaatplannen iedere vijf jaar herzien). En – hoewel grotendeels symbolisch – het streefdoel van maximale opwarming van de aarde werd bijgesteld van twee graden Celsius naar 1,5 graad.

Na afloop klonken lovende woorden over het Franse voorzitterschap: Laurent Fabius, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, had zich een begenadigd diplomaat getoond. Het bleek een meesterzet om de regeringsleiders op de eerste dag hun zegje te laten doen: met opzwepende retoriek stuurden ze hun troepen het veld in, maar in de diplomatieke strijd hielden ze zich wijselijk afzijdig.

Tijdens de onderhandelingssessies werden alle trucs uit de kast gehaald: er vonden confessionals plaats, waar delegatieleden hun hart konden luchten bij Franse diplomaten; in informal informals kwamen kleine groepjes bijeen om tekstparagrafen schoon te poetsen, en er werd zelfs gebruik gemaakt van een oude Zulu-traditie, indabas: vergaderingen van ‘stamhoofden’ om conflicten te beslechten.

Een opmerkelijke hoofdrol was verder weggelegd voor Tony deBrum, de minister van Buitenlandse Zaken van de Marshall Eilanden. Hij was de aanvoerder van de high ambition coalition: een bondgenootschap tussen de EU, de eilandstaten en ontwikkelingslanden, dat zich sterk maakte voor een ambitieus klimaatakkoord. Tegen het einde van de top hadden ook de VS, Canada en Australië zich aangesloten. Uiteindelijk zorgden zij ervoor dat India en China overstag gingen met het opnemen van de 1,5 graden-doelstelling.

Ook niet onbelangrijk, collega Rutger van der Hoeven schreef het al: de rol van China in deze onderhandelingen. In Kopenhagen was China nog een dwarsligger, maar vorig jaar kondigde het samen met de Verenigde Staten een bilateraal front tegen klimaatverandering aan. Hierdoor waren de kaarten bij aanvang van de top in Parijs al een stuk beter geschud. ‘Without the China announcement, you wouldn’t have 184 nations ready to come to Paris, the homework done, the table set’, zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry tegen The New York Times. In zijn openingstoespraak toonde president Xi Jinping zich onverminderd toegewijd: hij sprak de hoop uit om tot een gebalanceerd en effectief akkoord over klimaatverandering te komen.

Dat is gelukt. Op 12 december om half acht ’s avonds bezegelde Laurent Fabius met een tik van de kleine, bladvormige voorzittershamer een akkoord, dat klimaatverandering weliswaar niet direct een halt toeroept, maar de veelgehoorde kwalificatie ‘historisch’ zonder meer verdient.


Beeld op voorpagina: Olafur Eliasson - The Weather Project, 2003. Tate Modern, Londen