Interview met Aravind Adiga

‘India is een fucking disaster’

Booker Prize-winnaar Aravind Adiga rammelt met zijn boeken aan het wereldbeeld van de Indiase middenklasse. ‘Hun werkelijke moraal is er een van corruptie en belastingontduiking.’

WIE EEN UUR moet wachten bij het Taj Mahal Hotel in Mumbai hoeft zich niet te vervelen. Als een versnelde film trekt een panorama van het leven in de grootste stad van India aan je voorbij. Bestofte bedelkindertjes houden hun hand op voor de chique geklede hotelgasten. Het verkeer is een pandemonium van voetgangers, fietsers, taxi’s en limousines en het vele getoeter vormt zich tot een sonore klank. Zakenlui en rugzaktoeristen lopen het hotel in en uit: de eersten omdat ze in de Taj logeren, de laatsten om zich te vergapen aan het weelderige interieur en de tropische binnentuin. Rondom het hotel kan alles gekocht worden, van losse sigaretten voor een paar roepies tot maatpakken die meer kosten dan een jaarsalaris van een hotelbediende. Nergens in India komen straatarm en steenrijk zo dicht samen.
De lobby van het hotel is steriel. Terwijl in de straten van Mumbai iedereen door elkaar heen raast in een onoverzichtelijke chaos is alles in het hotel sereen en constant. De subtiele achtergrondmuziek, de gedempte toon van de conversaties en het zachte licht: in ieder opzicht een tegenstelling tot de rest van de stad. Het meest opvallende is nog wel de afwezigheid van geur. Door heel Mumbai hangt een wonderlijke melange van stank (uitlaatgassen, fecaliën) en een zoetkruidige geur. In het hotel ruik je niets.
Het zijn precies de contrasten van India die een film als Slumdog Millionaire zo populair maken. Danny Boyle oogstte een berg filmprijzen met zijn energieke film en ook bij het literaire publiek is India een populair thema. De shortlist van de Man Booker Prize 2008 telde zelfs twee titels van Indiase schrijvers: Sea of Poppies van Amitav Ghosh en The White Tiger van de jonge debutant Aravind Adiga, die tegen de verwachting de prijs binnenhaalde. Zijn boek is een sardonisch portret van de armoede en onderdrukking die schuilgaan achter India’s economische succesverhaal.
Ster van het verhaal is de gewiekste Balram Halwai, een man afkomstig uit India’s rurale onderklasse die zich omhoogwerkt tot een succesvol ondernemer in Bangalore, het hart van India’s moderne economie. Maar The White Tiger is een rags to riches-verhaal van een heel andere orde dan Slumdog Millionaire; hier geen dappere jongeman die moreel zuiver op de graat is. Balrams weg naar de vrijheid is er een van list, bedrog en uiteindelijk moord.

ARAVIND ADIGA zelf noemt zijn boek een gedachte-experiment. ‘India dankt zijn stabiliteit aan een ongelooflijk solide sociale structuur: die van meester en bediende’, licht hij toe. ‘Door heel India werken miljoenen mensen als bedienden van de welvarende middenklasse zonder ooit zicht te hebben op verbetering van hun positie. Ondanks die enorme klassenverschillen kent India relatief weinig onrust of criminaliteit. Ik vroeg me af: wat gebeurt er als een bediende nu eens wél in verzet komt en zich níet bij zijn lot neerlegt? Volgens mij heeft iemand als Balram twee opties om zich aan zijn armoede te ontworstelen: de politiek of de criminaliteit. In het boek speel ik met het idee wat er kan gebeuren als een bediende voor de laatste optie kiest.’
We zitten in het restaurant van het Taj Mahal Hotel, een plek die kortgeleden nog het decor was van aanslagen en vuurgevechten tussen leger en terroristen. De aanslagen in Mumbai eisten ruim 170 levens, maar alleen de dichtgetimmerde winkelgalerij onder het hotel en de drievoudige veiligheidscontrole herinneren aan het geweld. Toch is duidelijk dat het imago van India een gevoelige knauw heeft gekregen: angst voor aanslagen, in samenspel met de economische crisis, maakt dat niet alleen in Mumbai maar ook elders in India toeristen zeer dun gezaaid zijn.
Even leek het erop dat Adiga niet zou komen opdagen. Pas ruim na de afgesproken tijd komt hij aanzetten, gehaast en met een pocketexemplaar van Kafka’s Het proces in zijn hand. In donker overhemd en spijkerbroek oogt hij onopvallend, als een van de vele duizenden passanten op een willekeurige dag in Mumbai. Oorzaak van zijn vertraging: het zwaar overbelaste spoorwegnetwerk in Mumbai. De treinen die rijden tussen de uitgestrekte buitenwijken en het centrum van de stad zijn vaak zo vol dat het simpelweg onmogelijk is het treinstel te betreden. De roekelozen slingeren zich meteen het dak van de trein op of grijpen zich vast aan de buitenzijde. De rest wacht op een volgende trein die hopelijk minder vol zit.
De moeite die Adiga neemt om geïnterviewd te worden is opvallend. De Indiase pers klaagt regelmatig over zijn gebrek aan bereidwilligheid hun te woord te staan. De Engelstalige krant The Hindu stelde onlangs zelfs dat Adiga een teruggetrokken bestaan leidt vergelijkbaar met dat van J.D. Salinger. De reden die de krant hiervoor gaf was de felle kritiek die Adiga’s boek in India krijgt.
Volgens sommigen zou The White Tiger de goede reputatie van India in het buitenland ten onrechte besmeuren. Dit soort berichten doet vermoeden dat Adiga wellicht stroef en weinig spraakzaam is, een type schrijver dat liever zijn werk voor zich laat spreken. Maar vanaf het moment dat hij zit totdat hij het hotel verlaat houdt hij één lang betoog over de ware aard van zijn land. Ondanks een langdurig verblijf in Australië, Engeland en de Verenigde Staten spreekt hij met een karakteristiek Indiaas accent.
OP DE CONTROVERSE rondom zijn boek reageert Adiga laconiek: ‘Dit boek is bedoeld als provocatie, dus als mensen er aanstoot aan nemen, betekent het dat The White Tiger begrepen wordt. Wat mensen steekt is dat mijn boek de middenklasse niet gunstig afschildert, uiteraard precies de klasse waaruit de critici zelf afkomstig zijn. Het probleem met de middenklasse is dat zij doet alsof heel India leeft zoals zij. Ze hebben geprofiteerd van de outsourcing en de bloeiende IT-sector, maar zijn blind voor het gegeven dat de economische groei alleen henzelf ten goede komt. In werkelijkheid is India een van de armste landen ter wereld. Voor een buitenstaander lijkt het land heel functioneel en prettig, maar India is een fucking disaster. Van de ruim 1,1 miljard inwoners zijn er zes- à zevenhonderd miljoen arm en eenderde daarvan is zo arm dat ze niet genoeg te eten hebben. Daarbij is er een enorm verschil tussen het noorden en het zuiden. De armoede en ellende concentreren zich in het noorden. Een pasgeboren baby heeft een grotere kans te overleven in Soedan dan in het noorden van India. Hier in Mumbai zijn alle riksja’s gemotoriseerd. Niemand hier gelooft het als ik zeg dat er in het noorden voornamelijk fietsriksja’s rijden. Indiërs reizen weinig in hun eigen land, maar als ze in Calcutta zouden komen, zien ze daar zelfs nog handgetrokken riksja’s, zoals je ze hooguit nog zou kennen uit een Kuifje-strip. In Mumbai zijn die dingen in de jaren zestig afgeschaft.’
Hij legt uit dat hij The White Tiger schreef uit verbazing over het feit dat het thema armoede en sociale ongelijkheid nauwelijks een rol speelt in de huidige Indiase literatuur en cinema: ‘Het naakte feit dat er armen zijn is beschamend voor onze schrijvers en filmmakers en dus kiezen ze ervoor armoede simpelweg te negeren. Neem de gemiddelde Bollywoodfilm: bedienden en armen zijn volledig afwezig en het liefst spelen ze tegen een exotisch decor in Australië of Zwitserland. Zo wordt de beperkte blik van de middenklasse bevestigd. Het is pure ontsnapping aan de realiteit van India.’
Op dit punt is er verwantschap tussen Slumdog Millionaire en The White Tiger: beide werpen licht op de donkere kant van India. Als gevolg daarvan leek ook de kritiek die de film en het boek kregen op elkaar. Net als Adiga werd ook Danny Boyle verweten te veel aandacht te hebben voor de slechte kanten van India.
Adiga reageert zuinigjes op de vergelijking tussen zijn boek en Boyle’s film: ‘Mijn boek heeft meer ambiguïteit in zich dan Slumdog Millionaire. De relatie tussen Balram en zijn meester is niet eenduidig, het is soms niet helder wie nou eigenlijk wie uitbuit. Daarbij is Balram absoluut geen prototypische held. Hij is een schurk, of op z’n minst een antiheld die gemengde gevoelens oproept.’

BEHALVE ZIJN ACADEMISCHE inslag – Adiga studeerde literatuurwetenschap – is zijn achtergrond als journalist bepalend voor zijn schrijven. Hij brengt het bijna als bekentenis, maar inspiratie voor het schrijven van The White Tiger kreeg hij eenvoudig aangereikt: ‘Het boek bevat bijzonder weinig origineel denkwerk, het zijn simpelweg de observaties die ik kon doen toen ik als journalist door India reisde.’
Toch is dit een succesvoller recept dan Adiga’s eerdere poging de realiteit van India in een boek te vatten. Hij schreef een verzameling korte verhalen, getiteld Between the Assassinations, een werk dat hij als ‘sociaal-realistisch’ omschrijft. Pas na het succes van The White Tiger werd het uitgegeven. De bundel blijkt in de boekhandels van Mumbai moeilijk te vinden, maar bij de kraampjes die illegaal gekopieerde boeken verkopen is nog wel aan een exemplaar te komen.
Between the Assassinations is inderdaad een heel ander type boek. Het heeft niet de sardonische humor en de snelle stijl die The White Tiger zo populair hebben gemaakt. De keuze om het sociaal-realisme in te ruilen voor de stijl van The White Tiger was volgens Adiga een zeer bewuste. Dat heeft hij gedaan om zich af te zetten tegen de Indiase middenklasse en haar literatuur: ‘Het overgrote deel van de Indiase literatuur is overdreven pompeus. Ik vind die ornamentele stijl verschrikkelijk saai. Maar het is de smaak van de middenklasse. Kijk maar naar hun huizen: als je binnenkomt doe je je schoenen uit en neem je plaats op een opulente sofa naast een rijkelijk bewerkte houten kast. Het is allemaal zo negentiende-eeuws, zo anachronistisch.’

ADIGA HEEFT ZIJN inspiratie gehaald uit het favoriete leesvoer van de onderklasse: pulpliteratuur. Goedkope verhalen op goedkoop papier die vaak gaan over verkrachting, moord en vergelding. Hij roemt het vlotte tempo van de pulpliteratuur en het welkome contrast met de politieke correctheid van de mainstream schrijvers: ‘Pulp is politiek ambigu. Het gaat veel over seks, waarbij vrouwen worden neergezet als slechte verleidsters. Dat is natuurlijk een spannend thema, maar het is tegelijkertijd een uiting van angst voor vrouwelijke seksualiteit. Zo biedt de pulp inzicht in de gevoelens van een onderklasse die in aanraking komt met de gevolgen van de modernisering. De middenklasse heeft wat mij betreft dan ook volledig ongelijk als ze neerkijkt op pulp en krampachtig vasthoudt aan een verschil tussen hoge en lage cultuur. Pulp zegt meer over India dan de zogenaamde hoge literatuur.’
Gedurende het gehele gesprek is de Indiase middenklasse de kop van Jut. Adiga verwijt de middenklasse niet alleen blindheid, maar ook hypocrisie. Hij hekelt hun gedweep met Ghandi en spiritualiteit, terwijl hun werkelijke moraal er een is van corruptie en belastingontduiking. Maar Adiga’s worsteling met de middenklasse kan niet anders dan ook een worsteling met zichzelf zijn. Hij ging naar Indiase elitescholen, verhuisde op zijn vijftiende naar het buitenland en studeerde aan Columbia University en Oxford. Zijn eerste baan was een correspondentschap voor Time Magazine. Hij is dus bij uitstek een product van India’s kosmopolitische bovenlaag, iets wat de schrijver herhaaldelijk zelf benadrukt.
Het is misschien daarom dat Adiga zijn leven zo lijkt te willen inrichten dat een afstand ontstaat tussen hemzelf en zijn klasse. Hoewel zijn buren hem voor gek verklaren, heeft hij bijvoorbeeld geen bedienden. Liever maakt hij zelf zijn huis schoon, wast hij zelf zijn kleren. Ook weigert hij auto te rijden: ‘Ik weet dat als ik een auto zou hebben, ik met drank op zou gaan rijden en boetes zou afkopen. Ik wil niet verantwoordelijk zijn voor het in stand houden van corruptie.’
Adiga lijkt zijn schrijverschap te zien als een instrument om het vaste patroon van de Indiase middenklasse te doorbreken. Als tegen het einde van ons gesprek zijn blik afdwaalt naar Het proces, dat tussen ons in op tafel ligt, zegt hij licht weemoedig: ‘Ik zou best graag als Kafka willen schrijven, maar de wijze waarop hij zijn thema’s behandelt staat te ver weg van de Indiase realiteit. De Indiase Josef K. zou gewoon met steekpenningen zijn weg uit het proces kunnen kopen.’

BUITEN IS HET inmiddels donker geworden. Het hotel is omlijst met lichtsnoeren en grote spots verlichten de Gateway of India, de enorme triomfboog die de Engelse koning George V liet bouwen ter ere van zijn bezoek aan Mumbai in 1911. Onmiddellijk prikt Aravind Adiga door dit feeërieke tafereel heen. Achter het Taj Mahal Hotel ligt de grootste rosse buurt van de stad, zegt hij. De omgeving van deze iconische plek is een oord van kinderprostitutie en vrouwenhandel. Hij zegt dat vooral de chauffeurs en bedienden, verstoken van hun familie op het platteland, hier een bezoek komen brengen en schampert dat mensen geschokt reageren als hij vertelt dat hun eigen chauffeur de bordelen van Mumbai frequenteert: ‘Ze weten het best, maar willen het gewoon niet zien.’

Aravind Adiga, De witte tijger, De Bezige Bij, 280 blz., € 18,90