Indiase rechters verbieden vuurwerk

New Delhi– Achter de Jama Masjid, de iconische moskee in het hart van Delhi’s oude centrum, is op een novembermiddag iets geks aan de hand. Waar het in de omliggende straten vertrouwd krioelt van de mensen, is de stoep hier zo goed als leeg. Op bankjes en verhogingen zitten mannen met de benen over elkaar voor hun winkels, maar de deuren zijn dicht.

De 54-jarige vuurwerkverkoper Maheshwar Dayal Shrivastva lacht, maar meer uit verslagenheid dan vreugde. Net als zijn collega’s in de straat, eveneens specialisten in alles wat knalt en glittert, heeft Shrivastva besloten zijn winkel voorlopig gesloten te houden. Straks raakt hij zijn vergunning nog kwijt.

Het Indiase hooggerechtshof bepaalde onlangs dat in aanloop naar Divali, een van de belangrijkste hindoe-feesten, alleen nog ‘groen’ vuurwerk mocht worden verkocht. Alles wat bijdraagt aan de giftige smog die over Delhi hangt, was met directe ingang verboden. Maar de term ‘groen’ leidde vooral tot verwarring. Niet alleen onder de politieagenten, die de naleving van het verbod controleren, ook onder de verkopers zelf. Shrivastva, een man met een grote snor en een veeg oranje poeder op zijn voorhoofd ten teken van zijn spiritualiteit, voelde de bui al hangen. Sinds 2016 probeert het hof het afsteken van vuurwerk in te perken. Met een verkoopverbod, de sluiting van fabrieken. Maar ‘groen vuurwerk’, die had Shrivastva niet eerder gehoord.

Dus is hij zelf maar gaan knutselen. De verkoper pakt zijn smartphone erbij en laat een korrelige video zien waarin hij met een ketting cirkels in de lucht draait. Bij elke zwiep verandert de kluwen staalwol aan het uiteinde in een vuurbal. ‘Geen chemicaliën, geen rook’, zegt Shrivastva. Zo heeft de winkeleigenaar toch iets dat hij kan proberen te verkopen, mits de politie het met hem eens is dat dit telt als ‘groen’ vuurwerk. Hij hoopt het maar. Erg enthousiast is hij echter niet. ‘Het maakt geen geluid.’ De knal, dat is nu juist waar het om gaat.

‘The oldest shop of all kinds of display fireworks’, staat op een bord boven Shrivastva’s hoofd. Zijn familie opende de winkel in 1875, sindsdien ging de zaak over van generatie op generatie. Maar de verkoper betwijfelt of er straks nog iets na te laten is voor zijn twee zoons. ‘Als ik doodga en ik ontmoet mijn voorouders, wat moet ik ze dan vertellen? Met mij is alles straks verloren gegaan.’