Péter Forgács

Indië

De Hongaarse filmmaker Péter Forgács (1950) heeft een lange en bestendige relatie met Nederland. Hier werd zijn werk ’t eerst erkend en geprezen; de laatste dertig jaar heeft hij er met regelmaat grote projecten voltooid. Voor Sluimerend vuur maakte hij een keuze uit de collectie home movies van EYE over het dagelijks leven in Nederlands-Indië tussen 1900 en 1940.

Medium kunst  looming fire  4

Dat is een periode die ik ken als tempo doeloe, maar die nostalgische kadrering wordt hier nadrukkelijk vermeden. Forgács zegt dat het echter ook niet om een politiek correcte impressie gaat. Het is geen documentaire, maar een eigen compositie van gevonden materiaal, een persoonlijke interpretatie, die aldus ‘een nieuwe laag’ toevoegt aan de geschiedschrijving.

De home movies zijn fascinerend. De filmers waren niet de armste lieden – het was een dure hobby – en de films tonen dan ook het leven in de wat betere kringen: een ontvangst van het gouvernement, dineetjes, ritjes te paard, uitjes, verjaardagen. De inlanders zijn aan het werk; de sfeer is opgewekt. De films zijn intiem, onopgesmukt, maar ook weer niet helemaal, want veel ervan werden gemaakt om te worden verstuurd naar familie in Holland. Forgács kleurt ze enigszins in, monteert ze vrijuit, combineert ze met fictie-film en een enkel bioscoopjournaal en vertoont dat op een hele serie virtuoos gearrangeerde schermen, voorzien van een nieuw gecomponeerde soundtrack. Geen gamelans.

Bij Sluimerend vuur komen er – na de eerste bedwelming van de duisternis en de fraaie ‘korrel’ van dat oude beeld – nogal wat vragen op. Forgács toont niet alleen de films. Hij voorziet ze van gesproken commentaar, bestaand uit citaten uit brieven uit de collectie van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (kitlv) in Leiden. Dit zijn, net als de films, getuigenissen van ‘gewone’ Nederlanders in Indië, die naar huis schrijven over problemen op het werk, de verwachting van bevordering, de omgang met de Indonesiërs, verveling op het platteland, enzovoort. De brieven worden door acteurs ten gehore gebracht; de installatie in EYE is bepaald luidruchtig.

Nu is het een van Forgács’ principes dat de keuze uit en de montage van de fragmenten (bij elkaar zes uur film) willekeurig is: alles had ook heel anders kunnen zijn. Daarin ligt, lijkt mij, de kracht van zijn werk: hoewel het materiaal beladen is met betekenis liet Forgács altijd de visuele poëzie éérst spreken. In Sluimerend vuur zitten die gesproken citaten zijn principes behoorlijk in de weg. Ze dienen om de film ‘in de juiste context te plaatsen’ en ‘de ingewikkelde sociale structuur in de kolonie helder’ te maken.

Het botst. De films zelf zijn intrigerend, betoverend, en door Forgács’ bewerking abstracter, bijna dansant. Ze ontstijgen daarmee het puur documentaire; maar de brieven, in dat aardse Nederlands, verlagen de beelden onherroepelijk tot illustraties. Daarmee vervliegt die poëzie en wordt een en ander toch heel museaal.

En ja, dan verlang ik naar de feiten: een man schrijft mopperig dat hij is gedegradeerd tot assistent-boekhouder, à 250 gulden per jaar, waar hij met zijn gezin nét van kan rondkomen. Bij zijn verhaal zie je een zaal vol mannen in nette witte baadjes, ijverig pennend aan tafels. Het lijken me Indonesische klerken op een grote ‘onderneming’. Wat verdienden die? Was de Nederlander gedegradeerd tot hun niveau? Hoe wordt nu die ‘ingewikkelde sociale structuur’ helder? Welk vuur sluimert hier eigenlijk?


Péter Forgács, Sluimerend vuur. EYE Amsterdam, t/m 1 december.