Toneel - De stille kracht

‘Indië is me te sterk’

Ik zag de voorstelling van de Couperus-bewerking De stille kracht ongeveer drie maanden terug. Er zijn vooral beelden blijven hangen.

Medium toneel

De stoel van de resident in Laboewangi bijvoorbeeld, voorin rechts. Resident Van Oudijck (Gijs Scholten van Aschat) gebruikt die stoel vooral als bureau, meestal in knielende staat. Ik herinner me de zwijgende bedienden die in het eerste uur, links opzij, voortdurend op en af lopen, lange tafels dekkend en weer afruimend. En Leonie van Oudijck (Halina Reijn), de overspelige echtgenote, de ‘melkblanke kreole’, die vanachter kledingrekken achterin naar voren hupst, in een nieuwe staat van naaktheid of in een vers kostuum. Harry de Wit, die zie ik nog voor me, hoe hij op de rechterflank van de ruwhouten vloer uit een vleugel en een batterij instrumenten een geluidsmausoleum bouwt. Na een klein uur is er een dichte sluier van regen en waterdamp. Waaruit de straalbezopen regent van Ngadjiwa (sterke solo van Barry Emond) zich als een zombie verheft ‘uit zijn langzame verdierlijking, dramatisch, boven die Europeanen’. En dan is er nog dat desolate slot, waarin Oudijck, water vangend, naar voren beweegt, naar de rand van alles, als een schim uit zijn eigen geschiedenis.

Want De stille kracht is in de allereerste plaats het verhaal van die Nederlandse ambtenaar. Die alles ziet en die niets begrijpt. Koloniale ontnuchtering en postkoloniale profetie. Gijs Scholten van Aschat houdt de toneelvertelling op een magistrale wijze bij elkaar. Dat is overigens geen overbodige luxe. Want voor de rest is de voorstelling vooral een slim bij elkaar gewinkelde uitdragerij van decadentie-cliché’s en Schönmacherei met special effects, de langzamerhand gekende ingrediënten uit de steenrijke droomfabriek van het duo Van Hove/Versweyveld.

Overdaad schaadt, zeiden ze bij ons thuis. En épater le bourgeois kent ook zo haar begrenzingen. Dat quasi-gekwelde o-la-la-acteren van Halina Reijn begint een tikje te vervelen. Tijdens deze toneelavond krijgt Van Hove’s favoriete protagoniste trouwens les in sober toneelspelen – van de nieuwkomer in het ensemble, Maria Kraakman. Zij geeft vorm aan de geteisterde ambtenarenvrouw Eva Eldersma, Couperus’ romanpersonage dat aan volksverheffing doet en probeert om wat ‘gemeenschapskunst’ naar ons Indië te brengen. Muziek, met name, Wagner bij voorkeur. Maar alles wat ze onderneemt lijkt bij haar polsen af te breken. Het meubilair trekt krom van de moessonregens. Kakkerlakken vreten zich een weg tussen de snaren van haar salonvleugel. Ze geeft het op. Otto van Oudijck in zekere zin ook. Maar hij blijft.

Dat is de kern van de onvergetelijk mooie slotscène tussen die twee. Een sonatine van verwaaide zinnen. Otto: ‘Wij hebben het gezien, gehoord, gevoeld. En wij wisten geen van allen wat het was. En dat heeft me gebroken. Dat alleen. Ik was mezelf niet meer. Alles heeft in mij gewankeld.’ Otto heeft zich uiteindelijk toch aan Indië overgegeven: ‘Het land heeft zich meester van me gemaakt.’ Eva Eldersma schudt de stille kracht van zich af. Met de mooiste zin van de avond: ‘Indië is me te sterk.’


De stille kracht speelt (alweer voor het laatst dit seizoen) van 20 januari t/m 5 februari in de Stadsschouwburg Amsterdam en van 11 t/m 14 februari in deSingel in Antwerpen

Beeld: Vlnr: Gijs Scholten van Aschat, Halina Reijn, Mingus Dagelet en Maria Kraakman in De stille kracht van Toneelgroep Amsterdam. Foto: Jan Versweyveld