Opheffer

Indische schaamte

Ik was freelance journalist en verdiende een klein maar rechtvaardig salaris. Ik stond op het punt vader te worden. Het was 1980. Zoals het een goede zoon betaamt, ging ik ’s zaterdags naar mijn ouders. Dan hielp ik mijn vader en moeder met de boodschappen. Meestal gingen mijn vader en ik boodschappen doen; hij kocht en rekende af, ik droeg de zware tassen naar huis. Mijn moeder en mijn vriendin smeerden ondertussen boterhammen voor ons.

Er moest een krat bier worden gehaald bij Gall & Gall. Vader en ik gingen op weg. Bij de drankman werden we hartelijk welkom geheten.

«En dat moet uw zoon zijn», zei de mijnheer van Gall & Gall.

Mijn vader knikte. Ik gaf de man van Gall & Gall een hand.

«En wat doet de jonge mijnheer?» vroeg de man terwijl hij mijn hand bleef vasthouden.

«Hij is werkloos!» zei mijn vader snel.

«Ik ben freelance journalist», stamelde ik.

«Werkloos dus», zei mijn vader.

De man van Gall & Gall lachte wat.

Terwijl ik het krat bier naar huis droeg, vroeg ik: «Waarom zei je dat nou?»

«Omdat je werkloos bent.»

«Maar ik verdien mijn geld met het schrijven van stukjes.»

«Dat is geen werk.»

«Wat is dat dan?»

«Niks.»

«Wanneer is het dan werk?»

«Als je je studie hebt afgemaakt en een baas hebt… Leraar bent op school… Dit is allemaal hobby.»

«Nou en? Ik verdien er geld mee.»

«Beetje stukjes schrijven… dat is geen echt werk.»

«Wat is dan echt werk?»

«Wat ik zeg… als je…» Hij herhaalde zijn argumenten. Ik was woedend.

Dat Indische minderwaardigheids complex, daar kwam het allemaal vandaan. Dat wist ik zeker. (En dat denk ik nou nog.) Ik kon nooit ECHT een journalist worden, want ik kon nooit een GOEDE journalist worden, want ik was een INDISCHE jongen. Taalkundig een interessante zin; hij suggereert een argument dat nergens te vinden is. Dat verloren argument zat in het hele spraakgebruik van mijn ouders.

«Joop van Tijn is ook een journalist, pap, hij heeft ook in Indië in de kampen gezeten», zei ik

«Maar hij is joods hè.»

«Ja, en?»

«Jij bent niet joods… Althans, een zestiende of zo…»

Of ik zei: «Tjalie Robinson is een echte Indische schrijver.»

«Ja, maar hij heeft talent. En hij wordt trouwens in Nederland absoluut niet gewaardeerd.»

Als ik geen baas zocht, kwam ik terecht in een wereld waarin het pad der mislukking de enige weg was die voor mij begaanbaar zou zijn.

Mijn vader heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat hij mijn «werk» belachelijk vond. (Het woord belachelijk is precies goed – hij lachte ook als ik vertelde dat ik weer een artikel geplaatst kreeg, zo’n lach van: de wereld is gek geworden.) Waar ik hoopte op trots, zag ik schaamte. Mijn trots bestaat uit het feit dat ik zijn schaamte ternauwernood heb overwonnen.

Ik heb destijds – uit roeping, dacht ik, en nog voor de periode dat zich die anekdote met mijn vader afspeelde – les gegeven aan wat toen «anderstaligen» heette en wat nu «allochtonen» wordt genoemd. Ik stuitte toen ook al op die merkwaardige onmacht. Het Echte Mooie werk (arts worden, dokter, advocaat), is niet voor Indische mensen weggelegd. Dus wilden ze dat ook niet. Iets worden – wat voor hen gelijk stond aan veel geld verdienen – kon alleen via voetbal of de muziek. Muziek die niet te moeilijk was. In mijn tijd was dat popmuziek, nu is dat rap.

Ik faalde in mijn uitleg dat «leren» leuk was: «Waarom leer je wel die tekst van Britney Spears uit je hoofd en kun je de regel: ik hoor is zonder t, dus ik word heeft ook geen t, het hele werkwoord is worden met een d dus ik word is met een d, niet leren en niet begrijpen?»

Als antwoord kreeg ik, en dat heb ik onthouden: «School is dom, meester.»

Ik was het daarmee eens en ging de journalistiek in.

De school was inderdaad dom, en die meisjes en jongens niet. Dat wist ik zeker, dat kon ik zien. Hoe kun je dom zijn als je meer dan driehonderd liedjes uit je hoofd kent en een reeks danspasjes? Die liedjes en die danspasjes en die voetbal, dat was het enige gereedschap dat ze hadden. Het gereedschap dat ik ze aanreikte, wilden ze niet, of konden ze niet gebruiken. Ik weet nog niet waarom dat zo is.

Toen Theo van Gogh en ik spraken over de film Cool – een film die hij wilde maken met de harde kern van de allochtone criminele jongeren – discussieerden we daar met Gijs van de Westelaken dagelijks over. We wilden geen moralisme. Slechte jongens worden niet ineens goed. De reden dat die jongens en meisjes opeens af zouden zien van crimineel gedrag, moest een echte reden zijn. We besloten dat het «geilheid» zou zijn. (Die wij natuurlijk als «liefde» zouden verkopen.) Liefde en muziek. Er moest veel rap in de film voorkomen. Dat is ook gebeurd. De film is in het buitenland nog steeds een succes en won prijzen in Philadelphia en Ottawa.

Toen de première van Cool plaatsvond, waren de ouders van de acteurs niet komen opdagen.

Schaamte, waar ze trots hadden moeten zijn.