Essay: Laat de mens geen nummer zijn

Individualiteit en anonimiteit

Met de volkswijsheid dat je iemand moet nemen zoals die is, is niet alles gezegd. Het gaat om de inherente waardigheid van ieder individu, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zegt. Laat de mens daarbij geen nummer zijn, maar een persoon van rede en geweten.

«Les hommes naissent et demeurent libres et égaux en droits.»

«All human beings are born free and equal in dignity and rights.»

«De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.»

De emancipatie van het individu wordt alom beschouwd als het kenmerk van de erkenning van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens. Ieder mens zonder onderscheid naar ras, geloof of politieke overtuiging wordt gelijkelijk in deze grondrechten beschermd. Dat was de epochale betekenis van de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 1789, waarvan ik de eerste zin citeerde. Na de morele catastrofe die Europa na 1933 over zich heeft afgeroepen, en het einde daarvan in massagraven en ruïnes, verbond de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd geproclameerd, de vrijheid en gelijkheid uitdrukkelijk met de waardigheid van ieder mens. Van dit document, dat richting heeft gegeven aan de ontwikkeling van de rechten van de mens na de Tweede Wereldoorlog, citeerde ik zojuist eveneens de eerste volzin. En in het hierboven aangehaalde eerste artikel van het eind 2000 plechtig afgekondigde Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie valt alle nadruk op de onschendbaarheid van de menselijke waardigheid.

De emancipatie van het individu impliceert dat wij respectvol behoren te aanvaarden wat iemand met zich meedraagt aan eigenschappen die hij of zij niet als een jas kan aan- en uittrekken, maar die hem of haar maken tot juist deze persoon. Je moet iemand nemen zoals «die» — hij of zij — is: u zult dat wel herkennen als een bondige samenvatting van wat op scholen, op de werkvloer en in de huiskamer als «waarde» wordt uitgedragen, een deel van de hedendaagse populaire moraal. Daar is niets mee mis. Het respect voor de persoonlijke waardigheid van ieder mens en het verbod van discriminatie zijn plechtiger woorden om hetzelfde aan te duiden. Maar met de normatieve volkswijsheid dat je iemand moet nemen zoals die is, is niet alles gezegd. Ik wil er drie kanttekeningen bij plaatsen die — zoals u begrijpt — de verhouding tussen individualiteit en anonimiteit betreffen:

Iemand nemen zoals die is, vraagt om verzet tegen het beoordelen van mensen op grond van rubriceringen, bijvoorbeeld naar ras, overtuiging of seksuele gerichtheid.

Iemand nemen zoals die is, ontslaat degene die zo «genomen» wordt (geaccepteerd wordt) niet van de eigen verantwoordelijkheid voor een samenleving waarin mensen elkaar willen nemen zoals ze zijn, en dus voor instituties die dat mogelijk maken.

Iemand nemen zoals die is, betekent uiteindelijk wel dat hij of zij iemand is van wie de persoonlijkheid ertoe doet. Een anonieme samenleving, waarin de persoonlijke identiteit irrelevant is verklaard, is op haar manier intolerant.

Tegen rubriceringen — De Franse Revolutie en het liberalisme hebben het beginsel tot gelding gebracht dat de individuele mens slechts door de staat om redenen van algemeen belang kan worden gebonden. Dit betekende een werkelijke bevrijding, namelijk uit de vele en veelsoortige bindingen die als resten van de feodale structuren mensen aan een bepaald grondstuk, aan een bepaald ambacht (via het gildenstelsel) of aan het verrichten van bepaalde «herendiensten» bonden. Het ging dus om de bevrijding van de eerder door Hobbes aangeklaagde «potestates indirectae», de indirecte machten van grond heren, gilden, abdijen, enzovoort. Niet langer zal de status van mensen (boer, stadsburger, gezel, geestelijke, heer) bepalend zijn voor rechten en plichten, maar ieder zal gelijkelijk als staatsburger («citoyen») aan dezelfde algemene wetten onderworpen zijn. Vrijheid en gelijkheid voor de wet zijn twee kanten van dezelfde medaille, en van onderscheidingen willen wij sindsdien niet weten.

Toen in de jaren zeventig een begin werd gemaakt met (plannen voor) elektronische gegevensverwerking bij de overheid, ontstond grote bezorgdheid. Het risico dat de burger door verzameling en koppeling van gegevens voor de overheid «transparant» zou worden, werd gezien als een directe bedreiging van de persoonlijke levenssfeer. Bepaalde persoonskenmerken werden bovendien «gevoelig» geacht, zoals die betreffende godsdienst, levensovertuiging, ras en gezondheid. Ze zouden kunnen worden misbruikt om de gelijke behandeling aan te tasten en mensen op grond van zulke kenmerken te discrimineren. Dat het de overheid verboden is dit te doen, werd niet voldoende geacht. Daarom werd de vastlegging door de overheid van zulke gevoelige gegevens — de huidige Wet Bescherming Persoonsgegevens noemt de «bijzondere persoonsgegevens» — verboden of aan strikte beperkingen en doelclausules gebonden. Opdat wij uit respect voor de individuele eigenheid van ieder mens bij het toedelen van rechten en plichten er geen betekenis aan toekennen of iemand man of vrouw, protestant of humanist, bleek of bruin is, noch of hij of zij homo of hetero, alleenstaand of samenlevend is. Zo ondersteunen de erkenning van grondrechten tegenover de staat en het verbod van discriminatie in het maatschappelijk leven elkaar om «die Europäische idee der Freiheit» (titel van een wijsgerig-historisch standaardwerk van Bernard Lakebrink) te realiseren.

In de overheidsregis traties wordt iedereen met een nummer geïdentificeerd, maar wordt over zijn of haar identiteit zo min mogelijk vastgelegd. Wat overheids instanties van iemand per se moeten weten, wordt alleen in de mate waarin wettelijke regels dat toestaan in beeld gebracht. Men wil aldus voorkomen dat de kenbaarheid van verschillen ertoe verleidt aan persoonlijke kenmerken gevolgen te verbinden. Dat geldt niet alleen in relatie tot de overheid, maar — via de Algemene Wet Gelijke Behandeling — ook in relatie tot werkgevers en anderen die men in functionele relaties kan tegenkomen.

Persoonlijk aanspreken — De geïnstitutionaliseerde aversie van het rubriceren van mensen naar bepaalde kenmerken is een goed ding, voor zover ze bescherming biedt tegen discriminatie en ongelijke behandeling. Individuele vrijheid is echter niet hetzelfde als anonimiteit, waarbij iemands persoonlijke verantwoordelijk heid achter de horizon verdwijnt. Voor op de persoon gerichte jeugdhulpverlening kan het zeer zinvol zijn te beschikken over gegevens over schoolverzuim of politiële gegevens, maar de wettelijke regels maken dat in de praktijk onmogelijk. Weliswaar kent de wetgeving uitzonderingen, maar die leunen op een geformaliseerde toestemming van de betrokkene. Terwijl ook in situaties waarin er reden is iemand op ongeoorloofd gedrag aan te spreken de overheid blinddoeken draagt — niet die ene blinddoek van Vrouwe Justitia, maar een zaal vol blinddoekdragers — kunnen marketingbedrijven u met uw toestemming het hemd van het lijf vragen (uiteraard teneinde u een pasklaar aanbod voor een nieuw hemd te doen).

Respect voor de waardigheid van het individu vereist niet alleen onthouding, maar ook activiteit. De inrichting van informatiesystemen op nummerbasis doet wel recht aan het beginsel dat niemand mag worden lastiggevallen op basis van irrelevante rubriceringen, maar roept ook het risico op dat aansprakelijkheid voor eigen gedrag onpersoonlijk wordt. De bestrijding van armoede in onze samenleving loopt bijna stuk op de onmogelijkheid persoonlijke omstandigheden in regelsystemen in te passen. De rijsnelheid van veel verkeersdeelnemers wordt meer bepaald door de aanwezigheid van registrerende apparatuur dan door normbesef. Kennelijk draagt de louter administratieve afdoening van verkeersvoorschriften — zeker zolang weging van het feit op grond van recidive achterwege blijft — bij aan een pijnlijke kloof tussen handhaving en normbesef. De anonieme, genummerde burger wordt bijna niet meer als mens gezien — maar waar het gaat om de ongenummerde illegaal komt de laatste tijd de gedachte op om hem of haar een op de persoon toegesneden remigratietraject aan te bieden.

Inbrengen van identiteit — Met de uitbanning van het rubriceren van mensen in het overheidsbeleid, de rechtsontwikkeling van twee eeuwen, is veel gewonnen. Daar door wordt bescherming geboden aan de vrijheid van het individu. Er is echter ook iets verloren gegaan dat óók bij deze Europese idee van de vrijheid hoort, en wel de erkenning dat met die vrijheid geen willekeur werd bedoeld, maar de vrije en zelfstandige oriëntatie op wat van waarde is. In het in de juridische en sociale ordening buiten beschouwing laten van wat mensen als persoon wezenlijk eigen is, is ook verloren gegaan dat deze «persoonskenmerken» ook een zeer wezenlijke inbreng in het samen leven vertegenwoordigen.

Wat iemand aan hoogst persoonlijke eigenschappen en overtuigingen met zich meedraagt, mag dan wel irrelevant zijn voor wat de overheid aan beslissingen neemt — daar zijn trouwens ook enige uitzonderingen op — maar voor wat de betrokken persoon bijdraagt aan de samenleving en persoonlijke relaties (ook buiten de intieme sfeer), is dit alles zeker niet betekenisloos.

Dat blijkt bijvoorbeeld bij de desoriëntatie in ons land inzake de integratie van mensen afkomstig uit andere landen. Het overheidsbeleid hinkte hier eigenlijk op twee gedachten. Enerzijds werd volgehouden dat — afgezien van de verblijfstitel en in een klein aantal gevallen de nationaliteit — op geen enkele manier onderscheid mag worden gemaakt naar ras, etniciteit of geloof. Tegelijk echter werden in de institutionele structuur enige rubriceringen aangebracht die naar werd beweerd aan de integratie ten goede zouden komen: een tweedeling tussen «autochtonen» en «allochtonen», die door de werkgevers moet worden geadministreerd, en een indeling van de «allochtonen» in doelgroepen met separate overleginstituties.

Dient dit werkelijk de bescherming van ieders individuele vrijheid? Mijns inziens heeft de anonimiteit het gewonnen van de persoonlijke individualiteit. Wat echt bepalend is voor de identiteit van mensen komt in de rubricering van allochtonen niet of nauwelijks tot uitdrukking. In het overheidsbeleid is voor deze rubricering gekozen, omdat de identiteit in ideële zin aan de privé-sfeer wordt toegerekend. Zoals de politiek-filosoof Theo de Wit heeft opgemerkt, manifesteert zich hier een onwenselijke neiging waarden, waarheden en idealen te beschouwen als — alleen maar — subjectieve preferenties van het individu, waaraan de overheid voorbij zou moeten zien.

Elkaar recht doen betekent om te beginnen: elkaar respecteren, zoals ieder mens een onvervreemdbaar recht geniet gerespecteerd te worden. Kofi Annan schreef in zijn voorwoord voor Crossing the Divide: «People can and should take pride in their particular faith or heritage. But we can cherish what we are, without hating what we are not.» En Johannes Rau voegt daaraan toe: «If we can agree that ‹identity› and ‹identification› also mean recognizing and accepting the identity of others, then we cannot make progress in the discussion without the term ‹tolerance›. (…) ‹tolerance› cannot simply be interpreted as ‹ignoring› or just ‹putting up with› others, or even simply ‹live and let live›. (…) Tolerance presupposes knowledge and understanding, but also — and here we come full circle — awareness of one’s own identity.»

Respect voor de identiteit van een ander veronderstelt ook zelfrespect. In een maatschappelijke ordening echter die de bescherming van de individuele vrijheid zozeer zoekt in de anonimiteit, kan wat als verdraagzaamheid wordt gepresenteerd in intolerantie omslaan. Ik denk dat dit te weinig is, te weinig om echte relaties te ontwikkelen, en te weinig om de grensoverschrijdende problematiek van fundamenteel onbegrip te beheersen. Dat is het model van de «veelkleurigheid», de mozaïeksamenleving: mooi om te zien, maar een samenleving van aan elkaar gelegde losse stukjes. Het in de ordening van het maatschappelijke leven onherkenbaar maken van alles waarop ooit discriminatie gebaseerd is geweest, is minstens zozeer een aanslag op de persoonlijke waardigheid.

Hoe controversieel is dit verhaal nu eigenlijk, zult u zich afvragen. Ik heb geprobeerd, zonder luidruchtige veroordelingen, wat ogenschijnlijke vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen. Het ging mij er niet om vijanden van de verantwoordelijke samenleving aan de schandpaal te nagelen. Ik denk ook niet dat die vijanden gemakkelijk zijn aan te wijzen. Het probleem is eerder dat er te weinig uitgesproken verdedigers zijn van die persoonlijke verantwoordelijkheid, waaraan de geanonimiseerde samen leving afbreuk doet. Jacques Maritain zag dat scherp toen hij in 1936 in de eerste druk van zijn Humanisme intégral het communistische en fascistische totalitarisme bestreed. Hij verdedigde daarmee vanzelf ook de vrijheden die de Franse Revolutie en het liberalisme hadden gebracht, maar bleef er niet bij stilstaan. De historische overwinning van het liberalisme was immers begonnen te verbleken: la victoire évanouissante du libéralisme. Nu datgene waartegen le libéralisme individualiste zich had afgezet — de beknellende intermediaire structuren — was afgeschaft, was niet meer duidelijk waartegen het zich moest afzetten, behoudens natuurlijk de totalitaire dreigingen.

Misschien is er na het metterdaad uit de Europese geschiedenis verdwijnen van het communistische politieke systeem in het laatste decennium van de vorige eeuw in nog heviger mate zo’n politieke doelloosheid over ons gekomen. Dat is de reden die ik zie voor een serieuze herbronning, om te zien waar het in die nu universeel erkende rechten van de mens eigenlijk om gaat. Om de inherente waardigheid van ieder mens, kunnen wij de Universele Verklaring nazeggen, maar laten wij dan wel voor ogen houden dat het niet de waardigheid is van anonieme individuen, maar van personen die aan en voor elkaar verantwoordelijk zijn. Geen dragers van nummers, maar van rede en geweten. In de woorden van het eerste artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarvan ik de eerste zin citeerde, nu de tweede zin: «They are endowed with reason and conscience and should act towards one another in a spirit of brotherhood.»

Lezing ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van De Groene Amsterdammer, gehouden op 25 november 2002