Hoofdcommentaar

Indonesië

Een korrelige foto vertelt het verhaal. We zien tientallen Indonesische mannen, gehurkt, met ontbloot bovenlijf. Ze worden bewaakt door militairen met machinepistolen. De mannen zitten met hun gezicht naar een open plek tussen de bomen. Achter hen staan kamponghuisjes. Tegen een boom, goed zichtbaar voor het publiek, staat een draagbaar met daarop een vastgesnoerd lijk. Iemand die probeerde te ontvluchten, vertelt het bijschrift. In het midden van de open plek staat een militair met opgestroopte mouwen, zijn rechterbeen naar voren, zijn linkerarm achterwaarts. In zijn rechterhand heeft hij een pistool. Hij mikt.
Dit zijn Nederlandse militairen van het Depot Speciale Troepen, aan het werk in Zuid-Celebes. Volgens eigen opgave pleegden zij er 3114 executies. Het was de grootste schending van de mensenrechten die Nederlandse militairen begingen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd (1945-1949). Maar niet de enige. Gevangenen werden ‘op de vlucht’ doodgeschoten en de inlichtingendienst folterde erop los. In het dorp Rawagede werden ongewapende Indonesische mannen in groepen van twaalf tegen de muur gezet. Er vielen minstens 150 doden.
Voor Zuid-Celebes en Rawagede werd niemand vervolgd. In Zuid-Celebes handelden de militairen met toestemming en medeweten van de politieke en militaire top. Daarom werd de uitkomst van twee onderzoeken geheimgehouden. Een derde onderzoek, waaruit in 1969 de Excessennota voortvloeide, diende om kortstondig opgelaaide verontwaardiging te sussen. Het had politieke noch juridische gevolgen. Van oorlogsmisdaden of mensenrechtenschendingen werd niet gerept. ‘Geweldsexcessen’ was een passender term.
Dinsdag herdachten de weduwen van Rawagede, dat tegenwoordig Bolongsari heet, het bloedbad. De precieze toedracht van de massamoord, en van de overige Nederlandse mensenrechtenschendingen in Indonesië, is nog altijd niet onderzocht. Diezelfde avond was het feest in Koninklijk Theater Carré. Daar werd met medewerking van een keur aan artiesten het zestigjarige bestaan van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) gevierd. Nederland is sinds Hugo de Groot hoeder van het volkenrecht, en ook voor de mensenrechten maken wij ons sterk. Den Haag biedt onderdak aan het Joegoslavië Tribunaal en het Internationaal Strafhof, waar misdaden tegen de menselijkheid worden berecht. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft de mensenrechten in zijn beleid centraal gesteld. ‘Mensenrechten gelden voor iedereen altijd en overal’, is zijn adagium.
De UVRM is niet bindend, het is geen wet, maar een moreel ijkpunt. Fundamentele gelijkwaardigheid, het recht op leven, het folterverbod, sociaal-economische en culturele rechten: in de verklaring worden ze opgesomd in dertig artikelen. De mate waarin een overheid die naleeft, bepaalt op welke tree van de beschaving ze staat. Verhagen riep afgelopen jaar een prijs in het leven als aanmoediging voor beschermers van de mensenrechten: de Mensenrechtentulp. Een slim staaltje branding. Twee van Nederlands bekendste exportproducten worden erin verenigd. Sommigen zien de UVRM als een instrument van het Westen. Tegen het ene land wordt om mensenrechten oorlog gevoerd (Kosovo), terwijl het andere rustig de grondrechten van zijn burgers kan blijven schenden (China). Bert Koenders, Verhagens collega voor Ontwikkelingssamenwerking, waarschuwt ‘dat het benadrukken van mensenrechten iets ritueels krijgt, en daar moeten we ons echt tegen verzetten’. Dat dreigt nu te gebeuren, zij het anders dan Koenders zich voorstelde. Het afgelopen jaar werd Nederland enkele keren op de vingers getikt. Door twee mensenrechtencomités van de Raad voor Europa, door Amnesty International en door Human Rights Watch. Zij maakten zich onder meer zorgen over de toename van islamofobie, racial profiling door de politie, de inburgeringscursus voor Turken en Marokkanen en de detentie en uitzetting van vreemdelingen. In mei voltrok zich een beschamend scenario. Als vice-voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad kreeg Nederland een ‘periodieke beoordeling’. Die pakte niet best uit.
De medeleden van de VN-Raad hadden toen geen weet van Zuid-Celebes en Rawagede. Nu waarschijnlijk wel. De Nederlandse mensenrechtenschendingen in Indonesië zijn weer in het nieuws nu nabestaanden en een overlevende uit Rawagede de staat verantwoordelijk stellen. Maar de landsadvocaat heeft hun eis van erkenning, excuses en compensatie afgewezen. Hij stelt dat de moorden verjaard zijn. Dat kan hij doen, omdat Nederland na de oorlog heeft getracht vervolging voor de misdaden af te dekken. In 1949 werd een amnestie afgekondigd. Later bepaalde het parlement dat oorlogsmisdaden niet verjaren, behalve als ze begaan zijn door Nederlandse troepen in Indonesië. Er kan een moment komen dat een VN-lid – zeg Servië, dat al jaren geleden begon met het berechten van zijn eigen oorlogsmisdadigers – zegt dat dit doet denken aan Latijns-Amerika, waar dictators zichzelf amnestie verschaften voor hun eerder begane misdaden tegen de menselijkheid. Nederland zou zo’n blamage kunnen voorkomen door zijn dekolonisatieoorlog in de Oost onafhankelijk te (laten) onderzoeken. Nu leven nog enkele militairen, Indonesische strijders en kampongbewoners van weleer, maar hun rangen dunnen snel uit. Zo’n onderzoek zou tonen dat de mensenrechten een broos goed zijn, zelfs in het land van de Mensenrechtentulp. En het zou Nederland als hoeder van mensenrechten geloofwaardiger maken.