Vandaar dat na 1945, na uitzending van de 7-decemberdivisie naar Indonesie, alle voorvallen en vergrijpen tegen de krijgstucht op de conduitestaten van de uitgezonden militairen werden genoteerd op de centrale afdeling registratie van het toenmalige ministerie van Oorlog. Natuurlijk alleen die gevallen die daadwerkelijk door militaire commandanten en/of militaire politie voor een krijgsraad zijn gebracht. Buitensporige daden van ‘minderen’ of van bevelvoerende officieren, tijdens militaire acties zoals door J. E. Hueting beschreven, zullen in veel gevallen niet gerapporteerd zijn en dus ook niet in archieven te vinden. Vandaar de uitspraak van Hueting: ‘In die nota komt niks voor van wat ik heb verteld.’
Wie draagt hiervoor nu de verantwoordelijkheid? Ten dele de politieke en militaire leiders van die tijd, maar ook dat deel van de Nederlandse bevolking dat er mee instemde dat ‘onze jongens’ bij grondwetswijziging naar Indonesie werden uitgezonden. Zij werden daarmee belast met militaire taken waarvoor ze niet berekend waren.
Vlaardingen, DAAN VERBRUGGE