De onzichtbare slimheid van India

Indovatie

India is de innovatiefabriek van de wereld. Technologie voor windmolens, vliegtuigmotoren, kopieerapparaten en computersoftware: allemaal uitvindingen ontsproten aan Indiase breinen. Maar dat weten we niet. De vruchten van de Indiase innovatie komen voor een belangrijk deel ten goede aan buitenlandse bedrijven.

Medium par386902

New Delhi – In het meest zuidelijke puntje van Mumbai, gehuisvest in een strak modernistisch gebouw aan de rand van de Arabische Zee, bevindt zich het paradepaardje van de Indiase wetenschap: het Tata Institute of Fundamental Research. Hier buigt een keur van Indiase wetenschappers zich over de grote vragen in de natuurkunde, de wiskunde, de biologie en de computerwetenschappen. Hier werd de grondslag gelegd voor het nucleaire programma van India, voor de eigen ruimtevaarttechnologie en voor India’s eerste digitale computer.

Het instituut is een academisch walhalla. Woorden als ‘rendement’ en ‘vermarkting’ zijn hier nagenoeg verboden. De Indiase overheid is gul met subsidie. Promotiestudenten mogen weken achtereen experimenteren met dure apparatuur en niemand wordt lastiggevallen met visiedocumenten, reorganisaties en ander gepalaver dat zoveel energie van de hedendaagse wetenschapper vreet. De directie moedigt het personeel hooguit aan om een wandeling te maken door de keurig gemanicuurde tuinen op de campus zodat de kunstmatig gekoelde lucht van het laboratorium even kan worden verruild voor een frisse zeebries. En als dat niet genoeg afleiding is, het Tata Institute heeft een van de meest imposante kunstcollecties van India in huis.

De oprichting van het instituut in 1945 was een kwestie van nationaal prestige. India moest mee in de vaart der volkeren, ook wetenschappelijk gezien. Het startkapitaal kwam van de Tata-familie; Jawaharlal Nehru, ’s lands eerste premier, koos hoogstpersoonlijk de huidige locatie uit, op wat tegenwoordig de duurste grond van Mumbai is. ‘Mensen zoals wij hebben de plicht om in ons eigen land te blijven en onderzoeksscholen van topklasse te ontwikkelen, net zoals andere landen dat doen’, sprak Homi Babha, briljant natuurkundige en de eerste directeur van het instituut, bij de opening.

Anno 2013 woelt Baba, die in 1966 bij een vliegtuigongeluk omkwam, waarschijnlijk onrustig in zijn graf. Behalve een plek op het Tata Institute, die slechts een handjevol promovendi wist te veroveren, wil een ambitieuze Indiase student maar één ding: naar het buitenland. De afgelopen jaren groeide het aantal Indiase studenten dat zich inschreef bij een universiteit buiten India explosief. Jaarlijks trekken zeshonderdduizend studenten de grens over om elders een opleiding te volgen.

Over de oorzaak van deze exodus bestaat geen twijfel: in India zelf zijn niet genoeg plaatsen beschikbaar. In 2012 deden vijfhonderd­duizend studenten toelatingsexamen voor minder dan tienduizend beschikbare plaatsen op de Indian Institutes of Technology, de meest vooraanstaande technische universiteiten hier. De Indian Institutes of Management konden kiezen uit tweehonderdduizend kandidaten voor iets meer dan vijftienduizend plaatsen.

‘India loopt achter met het creëren van nieuwe opleidingsplekken’, vertelt Shobo ­Battacharya, hoogleraar ‘soft matter science’ bij het Tata ­Institute. Als academicus met een lange ­carrière in India en de Verenigde Staten kent hij de problematiek. Battacharya probeert de ­directie van het Tata Institute ervan te over­tuigen meer studenten aan te nemen, maar hij weet ook dat het slechts een druppel op de gloeiende plaat zal zijn. ‘India zou tientallen instituten van dit niveau moeten hebben. Nu is er welgeteld één.’

De woorden van Battacharya zijn een kanttekening bij alle verhalen over de opkomst van Azië. India herbergt veel goede onderzoekers, maar het land weet wetenschappelijk gezien nauwelijks een deuk in een pakje boter te slaan. Enkele cijfers: India herbergt een zesde van de wereldbevolking, toch komt slechts 3,5 procent van alle wetenschappelijke output hier vandaan. En ondanks een forse verhoging van de onderzoeksbudgetten gaat minder dan één procent van het bruto nationaal product naar onderzoek en ontwikkeling.

Aan ambitie ontbreekt het evenwel niet. India heeft de jaren 2010-2020 bestempeld tot het ‘het decennium van de innovatie’. In Hyderabad bouwt het Tata Institute een dependance. De nationale beleidsrapporten dreunen een bekend refrein op: binnen tien jaar moet het land tot de top-vijf van de wereld behoren als het gaat om onderzoek en innovatie. Met veel tromgeroffel werkt India’s nationale innovatieraad aan plannen om dit doel te bereiken. Ideeën zijn er genoeg: de commissie rept van kennisnetwerken, nieuwe universiteiten en vele miljoenen roepies extra voor onderzoek. Critici twijfelen aan de haalbaarheid ervan.

‘Als India zijn ambities wil waarmaken, moet er een hoop achterstand worden weggewerkt’, meent Nirmalya Kumar, hoogleraar aan de London Business School en auteur van verschillende boeken over innovatie. ‘Alleen meer geld voor onderzoek is dan niet genoeg. India is institutioneel niet voldoende toegerust. De infrastructuur moet beter, er moeten meer universiteiten komen om het overschot aan jongeren op te leiden. Dat zijn heel basale zaken die nu nog niet op orde zijn.’

Inderdaad heeft India een lange weg te gaan. In het Global Competitiveness Report van het World Economic Forum, een ranglijst waarin innovatie een belangrijke factor is, staat India op plaats 59. Dat is boven veel landen in Oost-Europa en Afrika, maar onder de groep landen waarmee India zich graag meet. Brazilië en Zuid-Afrika hebben India inmiddels ingehaald. China staat dertig plaatsen hoger.

Op de wereldranglijsten voor ­universiteiten hobbelt India eveneens achteraan. ‘Het is een ontnuchterende gedachte dat geen enkele ­Indiase universiteit in de wereldwijde top-tweehonderd staat’, zei premier Manmohan Singh onlangs op een bijeenkomst voor universiteitsbestuurders. Een waarheid die moeilijk te ontkennen valt: in de toonaangevende ­Shanghai Ranking staat de eerste Indiase universiteit genoteerd in de amorfe categorie ‘plaats 300 tot 400’. India laat bovendien zien dat kwantiteit niet gelijk staat aan kwaliteit. Het land heeft het op één na grootste hoger-onderwijssysteem ter wereld. Per jaar studeren er 2,3 miljoen studenten af. Dat lijkt indrukwekkend, maar volgens India’s National Assessment and Accreditation Council is de kwaliteit van tachtig procent van de instellingen matig tot slecht. Ze kampen met verouderde curricula en docenten die nauwelijks meer weten dan de jonge geesten die ze moeten verrijken. Volgens een studie van de Indiase overheid is meer dan de helft van de docenten zelf niet verder gekomen dan het bacheloronderwijs.

Een andere verklaring voor de matige score op de innovatie-index is, inderdaad, de gebrekkige infrastructuur. We leven weliswaar in een digitaal tijdperk, goede materiële voorzieningen blijven een voorwaarde voor een vruchtbaar onderzoeksklimaat. Computers moeten draaien, goederen moeten van A naar B. Beide zijn lastig in dit land. De energietoevoer wordt onderbroken door stroomstoringen, transport wordt belemmerd door krakkemikkige wegen en verstopte verkeersaders. Onderzoekers die vanaf het vliegveld van Mumbai naar het Tata Institute voor Fundamental Research reizen, zijn veroordeeld tot een urenlange rit in de hobbelende, onwelriekende taxi’s van Mumbai. De aanbouw van een achtbaanssnelweg, langs de westkust van de stad, is na de eerste vijf kilometer gestrand.

De wetenschap op een sudderpitje en de concurrentiekracht ondergraven door gebrekkige voorzieningen – voorlopig hoeven onderzoekers in het Westen de hete adem van India nog niet te vrezen. De voorspelling dat India puur vanwege de hoeveelheid studenten concurrerend wordt, lijkt ongegrond. Van de miljoenen afgestudeerden per jaar heeft slechts een klein deel voldoende in huis om zich te meten met de top van hun vakgebied.

Toch deelt niet iedereen de analyse dat de grootste democratie ter wereld een zwakke broeder is. ‘De ranglijstjes geven slechts een deel van de werkelijkheid weer’, stelt Vijaya Kumar Ivaturi. Hij werkte twintig jaar als chief technology officer bij wipro, een IT-gigant die de aanjager was van de digitale revolutie in India. ‘Ik zal er geen doekjes om winden’, zegt hij tijdens een telefoongesprek. ‘De infrastructuur is gebrekkig en de universiteiten zijn geen wereldspelers. We kunnen ons niet meten met, bijvoorbeeld, Nederland, Zweden of Singapore. Maar dat doet eigenlijk niet ter zake. De rest van de wereld is namelijk niet zoals Nederland, Zweden of Singapore.’

Het grote voordeel van India, meent Kumar Ivaturi, is dat het land op twee borden tegelijk schaakt. ‘India doet zowel mee met hightech-onderzoek als met simpelere innovatie die vooral van toepassing is in opkomende economieën. Daarom fungeren we als laboratorium voor de hele wereld. Bedrijven die producten buiten het Westen willen verkopen, komen ze hier uittesten. Tegelijk levert India meer hoogwaardige technologie.’

Een bedrijf dat er in elk geval zo over denkt is Philips. In Bangalore, het kloppend hart van de Indiase IT-sector, heeft deze oer-Hollandse naam een campus waar 2500 onderzoekers werken. ‘Dit centrum is begonnen als locatie om goedkoop software te ontwikkelen’, vertelt Jos van Haaren, hoofd onderzoek bij de afdeling Health Care van Philips India, tijdens een rondleiding. ‘Inmiddels is dit een laboratorium voor Philips wereldwijd.’ Op de zonovergoten campus aan de noordkant van Bangalore bruist het onmiskenbaar: de jonge ingenieurs lopen ’s ochtends in drommen het terrein op. Onder borden met de woorden ‘Speak softly. Engineering in progress!’ zitten tientallen onderzoekers over hun laptops gebogen. Gekleed in een geruit hemd, een open manier van spreken – in veel opzichten is Van Haaren een typische Nederlander. Hier in Bangalore is hij een van de weinigen. In totaal werken er acht Nederlanders op deze vestiging. De onderzoekers worden lokaal geworven, op de campussen van de technische universiteiten. Het is duidelijk wat een grote multinational zoekt in India: het talent is ijverig, gemotiveerd en bereid om te werken voor een kleiner salaris dan hun collega’s in het Westen. Jos van Haaren is zeer enthousiast over zijn jonge Indiase team. Hij heeft ze voor het uitkiezen. ‘Veel jongeren uit de middenklasse dromen van een baan bij een internationaal bedrijf’, zegt hij.

Wat Philips doet in Bangalore, doet dsm in Gurgaon, een stad net onder Delhi. Het bedrijf heeft daar een onderzoekslaboratorium, geleid door een succesvolle nanowetenschapper die eerst voor de Tata-groep werkte. Unilever heeft centra in Mumbai en Bangalore. Shell, op haar beurt, sloot enkele maanden geleden een deal met Nederlandse universiteiten om het ­onderzoek te financieren van tientallen promovendi in de computerwetenschappen. De voorwaarde: wanneer de bul eenmaal binnen is, moeten de onderzoekers bereid zijn om te gaan werken in de nieuwe laboratoria van Shell in Bangalore. De verwachting is dan ook dat de onderzoeksplekken vooral door Indiërs zullen worden ingevuld.

De afgelopen jaren openden 750 buitenlandse bedrijven een onderzoekscentrum in India, waar in totaal meer dan vierhonderd­duizend onderzoekers werken. ‘Normaal gesproken zitten de grote r in de thuislanden van die bedrijven’, zegt Nirmalya Kumar van de London Business School. ‘En het opvallende is: er worden hier veel producten gemaakt voor de wereldmarkt. Het gaat al lang niet meer om goedkope varianten voor India.’

Begon de opmars van India met het outsourcen van IT, inmiddels gaat er in de zogeheten offshore r jaarlijks twintig miljard dollar om, weet Kumar. ‘In de toekomst zullen grote bedrijven steeds vaker de afweging moeten maken: doe ik mijn onderzoek aan het thuisfront, of in Bangalore of Hyderabad?’

De bloeiende onderzoekscentra waarin duizenden Indiërs onder de vlag van een buitenlandse multinational nieuwe producten uit de hoed toveren, vertegenwoordigen een andere kant van India Incorporated. De Indiase universiteiten mogen dan geen wereldspelers zijn, de studenten en promovendi die ze afleveren worden enthousiast binnengehaald door het mondiale bedrijfsleven. Hierdoor is er sprake van ‘verborgen innovatie’, zegt Nirmalya Kumar. ‘Als een Indiër in Bangalore voor Philips een nieuwe CT-scanner ontwikkelt, scoort Nederland hoger op de innovatielijstjes.’

Onlangs publiceerde Kumar het boek India Inside: The Emerging Innovation Challenge to the West, waarin hij een lans breekt voor India als innovatiefabriek. Samen met zijn co-auteur trok Kumar vier jaar langs de boardrooms, laboratoria en onderzoekscentra van grote multi­nationals in Europa, de Verenigde Staten en India. Zijn conclusie: een groot deel van de innovatie in de wereld draagt een Indiaas stempel, alleen weten we dat niet. ‘Iedereen vraagt altijd: waar blijft de Indiase Google, Apple of Viagra? Maar dat is de verkeerde vraag’, aldus Kumar. ‘Innovatie is veel breder. Het gaat niet alleen om de producten die mensen in handen hebben, maar ook om de processen die daaraan vooraf gaan. Die zijn vaak in India bedacht, of ontwikkeld door Indiërs in het buitenland. De consument ziet dat niet.’

Desgevraagd geeft Kumar vele voorbeelden: technologie voor windmolens, vliegtuig­motoren, kopieerapparaten en een eindeloze lijst van computersoftware voor de Microsofts en ibm’s van deze wereld. Het zijn allemaal uitvindingen ontsproten aan Indiase breinen in dienst van een multinational. Noem het de tragiek van de Indiase innovatie: de vruchten ervan komen voor een belangrijk deel ten goede aan buitenlandse bedrijven, gewikkeld in wat Kumar een ‘mantel van onzichtbaarheid’ noemt. Anders gezegd: Indiërs zijn innovatief, maar India zelf is dat niet.

Innovatiegoeroes denken dat het de komende jaren nog aantrekkelijker wordt om onderzoek naar India te outsourcen vanwege de economische teruggang in het Westen. Volgens het Internationaal Monetair Fonds groeien de ontwikkelde economieën dit jaar met 1,3 procent, vergeleken met 1,6 procent in 2011 en drie procent het jaar daarvoor. En hogere groei zit er voorlopig niet in. Het vooruitzicht van jarenlang bezuinigen maakt het Westen hongerig naar zuinig produceren en naar goedkope innovatie. En als er één land is dat in de startblokken staat om dat te leveren, dan is het India.

Waar de Chinezen ‘shanzhai’ hebben, het vermogen om producten na te maken voor een fractie van de prijs, draait innovatie in India om ‘jugaad’: een lastig te vertalen begrip uit het Hindi dat zoiets betekent als ‘slim improviseren’. Het is een instelling die diep in de vezels van de Indiër zit: antennes worden gemaakt van oude klerenhangers, dieselmotoren op een plank met wielen doen dienst als automobiel.

Lange tijd was de Indiase houtje-touwtje-mentaliteit iets aandoenlijks, een leuk straatbeeld voor toeristen. Inmiddels heeft ‘jugaad’ de aandacht van politiek en bedrijfsleven getrokken. nesta, een denktank die de Britse overheid adviseert, bracht onlangs een rapport uit met als titel Our Frugal Future: Lessons from India’s Innovation System, waarin ze ‘Indiaas innoveren’ presenteert als antwoord op de kwakkelende economie. Renault scoort met het merk Dacia, simpele uitvoeringen van het normale wagenpark. De Franse automaker liet zich inspireren door de Tata Nano, een personenauto met een prijskaartje van honderdduizend roepies (ongeveer veertienhonderd euro). Unilever verkoopt tegenwoordig één-portieverpakkingen wasmiddel, olijfolie en mayonaise in Griekenland en Spanje. Het systeem is bedacht voor klanten die iedere cent tellen. Nu de Zuid-Europeaan krap bij kas zit, blijkt wat goed was voor arme Indiërs een manier om ook Europa te bedienen.

Ook bij Philips doen ze aan dit soort omgekeerde innovatie. De trots van het bedrijf is een nieuw model echoapparaat, ontwikkeld voor de Indiase markt – en dus goedkoop, makkelijk te bedienen en te onderhouden. De beperkende omstandigheden van India zijn volgens Van Haaren een prikkel om alle overbodige extra’s van hun producten te schrappen. Het kan tot onverwachte successen leiden. De Indiase scanner slaat ook aan in Duitsland.

Wie even rondkijkt, ziet overal in India voorbeelden van wat in managementjargon frugal innovation heet: simpelere producten, zonder dat de kwaliteit daaronder lijdt. Een computerbedrijf uit Hyderabad ontwikkelde de ‘Aakash’, een tabletcomputer van een paar tientjes. Met name in de gezondheidszorg laat India zien dat het meer kan doen met minder geld. In Bangalore runt de Indiase arts Devi Shetty een hartchirurgiekliniek. Wie daar onder het mes gaat moet tussen de twee- en vijfduizend dollar afrekenen. In Nederland kost een hartoperatie een veelvoud daarvan. In Jaipur, Rajastan, ontwikkelde een groep orthopeden samen met onderzoekers uit Stanford de jaipur knee, een kunstknie die minder dan vijftien euro kost.

Het zijn dit soort aansprekende voorbeelden die de verwachting over de toekomst van India hoog opdrijven. ‘Hoe krapper de budgetten worden, hoe meer India een voorbeeld kan zijn’, zegt Navi Radjou, een innovatieadviseur uit Silicon Valley die onlangs het boek Jugaad Innovation schreef. ‘In India worden innovaties geboren uit tegenslag en noodzaak. Dat model wordt nu wereldwijd aantrekkelijk.’

Net zoals eerdere werken over ‘Indovation’ staat Radjou’s boek vol met aansprekende voorbeelden: een pottenbakker uit de westelijke deelstaat Gujarat bedacht een koelkast van aardewerk waarmee eten zonder stroom koud wordt gehouden.

Het zijn mooie illustraties van hoe de nood tot deugd te maken. Terwijl Nederland al jaren klooit met subsidies voor zonne­panelen bedacht energiebedrijf selco een systeem waarmee arme gezinnen zonne-energie kunnen opwekken om die vervolgens aan anderen te verkopen. Inmiddels zijn honderdduizenden huishoudens aangesloten.

Maar ook hier geldt: die paar slimme ondernemers staan met de voeten in een moeras van structurele problemen. De achterstand die India moet inhalen voordat het kan dromen van voorop lopen, is groot. Op dit moment werken er van elke miljoen Indiërs 119 in research development. In China zijn dat er duizend, in Brazilië zevenhonderd. Het aantal proefschriften dat jaarlijks wordt afgerond schommelt rond de dertienduizend. Een lage score voor een onderwijssysteem dat jaarlijks meer dan twee miljoen studenten trekt.

En met een bevolking die tot de jongste ter wereld behoort, wordt de onderwijsopgave alleen maar groter. India heeft zichzelf tot doel gesteld om in 2020 dertig procent van de ­Indiase jeugd binnen de muren van het hoger onderwijs te hebben. Om dat doel te bereiken moet India een verbijsterende vierhonderd universiteiten en colleges per maand uit de grond stampen. Niemand verwacht dat de overheid het alleen af kan en dus is er ruimte voor privé-initiatief. Wie over de snelwegen tussen de grote Indiase steden rijdt ziet ze soms rij aan rij staan: grote universiteitsgebouwen, met prachtige tuinen en imposante toegangspoorten. Maar schijn bedriegt. Veel instituten ontbreekt het aan accreditatie. Toen de Indiase overheid in 2010 een onderzoek startte naar ongeaccrediteerde universiteiten en colleges, bleken duizenden instellingen diploma’s te verstrekken zonder dat ze daarvoor bevoegd waren.

Ook van overzee is voorlopig weinig heil te verwachten. Een wet die buitenlandse universiteiten toestaat om een vestiging in India te openen, ligt te verstoffen in een la op het ministerie van Onderwijs. De prioriteiten liggen op dit moment bij het opzetten van een tribunaal om academische oplichterij tegen te gaan.

En zelfs al slaagt India erin om een stuk meer studenten van een volwaardig diploma te voorzien, dan nog profiteert de wetenschap daar als laatste van. De meeste afgestudeerden gaan linea recta naar een van de grote bedrijven die de deur graag openzetten voor jonge slimmeriken. ‘Een carrière in de wetenschap is op dit moment nauwelijks aantrekkelijk’, aldus ­Nirmalaya Kumar. ‘Het salaris ligt zoveel lager dan in het bedrijfsleven dat iemand zich wel twee keer bedenkt voordat hij zegt: “Ik wil professor worden.”’

Ten slotte worstelt India met een bekend probleem: nu de groei hapert, komt het onderzoek in de knel. De afgelopen jaren verbaasde India de wereld met een verhoging van de onderzoeksbudgetten met 25 procent. Maar nu moet ook dit land buigen voor de mondiale economische neergang. India sloot het afgelopen jaar af met een groeicijfer van vijf procent, een van de laagste scores in de afgelopen tien jaar en een terugval die voor dit land voelt als een recessie. De wetenschap is dan een makkelijke bezuinigingspost.

Het is een streep door de rekening voor de Indiase politici met hun voorliefde voor ver­gezichten. ‘Wetenschap zal de toekomst van ons land bepalen’, zei Manmohan Singh in januari tijdens de honderdste editie van het Indiase Nationale Wetenschapscongres. Dat mag zo zijn, maar zestig jaar nadat de eerste steen van het Tata Institute for Fundamental Research werd gelegd, staat India nog steeds voor de opgave die de oprichters destijds formuleerden: het aanleggen van een wetenschappelijke infrastructuur die zich kan meten met de wereldtop.


Beeld: picture taken in the context of 150 years of BNP Paribas in India / Olivia Arthur / Magnum / HH
Bijschrift: Een student op het Tata institute of Fundamental Research