Mark Boog

Indringend woordenspel

Mark Boog, De vuistslag

Uitg. Meulenhoff, 174 blz., ƒ29,75

Het gebeurt niet vaak dat een eerste roman zo'n indruk maakt. Mark Boogs debuut De vuistslag is een boek dat je moeilijk loslaat. Er is nauwelijks een plot. Een jongeman, voor wie geweld een way of life is geworden nadat hij zijn vader met een vuistslag heeft gevloerd en zijn zwangere vriendin tot moes heeft geslagen, zweeft wekenlang tussen leven en dood nadat hij zelf door een pistoolschot van een onbekende man is getroffen. In het ziekenhuis wordt hij geconfronteerd met koortsige visoenen over zijn leven en tracht hij zich aan te passen aan zijn nieuwe bestaan.

We zien hem langzaam weer bijkomen en we horen hem praten met de verpleegsters en twee politieagenten die de gebeurtenissen proberen te reconstrueren. We maken kennis met zijn filosofie: de absolute zinloosheid van het leven kan soms voor een kort ogenblik worden opgeheven door het plegen van een acte gratuit, waarbij hij in de nacht uit het niets opduikt en een zorgvuldig gekozen slachtoffer in elkaar slaat of een gevaarlijke race aangaat met een doodsbange automobilist.

Zijn gevoelloosheid, contactgestoordheid en ontbreken van schuld over zijn daden doen hem op een psychopaat lijken. Hij heeft ook iets weg van de amorele adolescenten uit André Gides Valsemunters. Hij is degene om wie alles draait, de andere personages zijn slechts figuranten die om hem heen cirkelen en uiteindelijk verdwijnen. Toch heeft hij geen naam, hij bestaat alleen via zijn opstandige of pedante uitlatingen tegen bezoekers, artsen en verplegers, en de lange monologen die hij met zichzelf voert. We zullen nooit weten wat er echt is gebeurd, de werkelijkheid vermengt zich onophoudelijk met fantasieën in een indringend en vervreemdend taalspel.

Als dichter die eerder het geprezen Alsof er iets gebeurt publiceerde, weet Mark Boog dat elk woord, elke punt of komma, elke regel wit betekenis heeft. Zijn interpunctie is bijna maniakaal en verleent de monologues intérieurs een ongekend ritme en vreemde schoonheid, evenals het dwangmatig herhalen van storende details in de ziekenhuiskamer die de verteller regelmatig in razernij brengen. Een plafondplaat hangt los en dreigt naar beneden te storten, in een kamer vlakbij gilt een vrouw nachtenlang van pijn en wanhoop. Is zij de ex-vriendin die hij zo heeft geslagen dat zij tot een menselijk wrak is verworden? En wie was die gedrongen man die op hem heeft geschoten? We zullen er niet achter komen, en het is ook niet belangrijk. De anderen zijn figuranten die er niet toe doen in de film van zijn leven, die geen handeling heeft en waarin de hoofdrollen worden gespeeld door de voorwerpen in de oude, armoedige ziekenhuiskamer: een televisie, een muf bed met daarin een homp vlees. Geen special effects. Geen suggestie van diepgang of psychologische beschouwing. Het is, zoals hij het zelf zegt, een kutfilm.

Niet alleen weet Mark Boog de objecten in de kamer op bijna surrealistische manier tot leven te wekken, ook de gevoelens van de verteller zijn zo tastbaar aanwezig dat zij tot personages worden: zijn afschuw van middelmatigheid, onbenulligheid, onbestemdheid en zwakheid lijken een pact aan te gaan met de kamer om hem tot wanhoop te drijven. En dan, opeens, is er het gevoel van totale zuiverheid die kan ontstaan door de ondraaglijke lichamelijke pijnen, door de helderheid die hem bij vlagen overvalt, door de herinnering aan de vuistslag die hem een plaats verleende tussen de sterken, de geboren leiders, en die kortstondige momenten van intens geluk veroorzaken.

Het is moeilijk zo niet onmogelijk om je met deze fascistoïde figuur te identificeren. Zijn zwart-witvoorstelling van de wereld, zijn verdeling in sterken en zwakken, zijn narcistische behoefte om te kwetsen en om zich heen te slaan, zijn volkomen egocentrische, nietsontziende kijk op de anderen zijn nogal stuitend. Zijn totale eenzaamheid kan even ontroeren, maar hij blijft de personificatie van wat wij «zinloos geweld» noemen. Hij is een soort mislukte «nieuwe mens», het postpostmoderne, solitair levende menselijke dier dat de straten van de grote stad onveilig maakt en voor wie schuldgevoel of compassie onbekende begrippen zijn. Hij is de anti-humanist voor wie geen schuld en dus ook geen boete kunnen bestaan.

Maar je kunt Mark Boogs roman ook anders lezen. De vale ziekenhuiskamer is misschien een metafoor voor het grauwe alledaagse bestaan waaruit de «ik» uit het boek zich met letterlijk vallen en opstaan poogt los te worstelen, terwijl hij zich constant laat afleiden door details en er niet in slaagt eenheid en cohesie in zijn leven te brengen. Zijn pijn en opstandigheid krijgen daardoor iets herkenbaars.

De vuistslag is een pervers boek, want de auteur draait steeds om een waarheid die nergens wordt geopenbaard, met zijn feilloze gevoel voor taal speelt hij met de lezer en geeft hij niets prijs. De lezer moet het zelf uitmaken: heeft hij zich laten verleiden door een knap in elkaar gezette thriller, door de ziekelijke levensfilosofie van een monster bij wie elk inzicht over zichzelf ontbreekt, door de angst en controledwang van een eenzame broeder en gelijke, of misschien alleen door het briljante spel met woorden van een begaafde dichter?