Indringend zingen om het leven te bevestigen

Dat religie iets met geloof heeft te maken valt moeilijk te ontkennen, maar belangrijker dan wat gelovigen menen is wat ze doen. De grondslag van religiositeit is eerder ritueel dan dogmatisch van karakter, aan elke theologie gaat handelen vooraf. Binnen de christelijke traditie is het gebed een van de centrale handelingen, het verzonken of extatisch gesprek met de Ander, die nooit antwoord geeft, vermoedelijk omdat Hij er niet is, althans niet in de betekenis waarin wij en de wereld er zijn. Dat Hij er niet is doet er niet toe, het gebed heeft Hem niet nodig om succesvol te zijn.

het is zo mooi licht in Je.
is het het maanlicht of

reflecteren de wolken
het licht van de stad

die altijd maar boven
Je uit ruist, of

is het het keukenlicht
van mijn buurman

dat Je beschijnt?
Je ligt er zo opgewekt bij.

Je takken hebben zo’n open blik
lijkt het. wat is er gebeurd

dat ik Jou hier ontmoet?

Misschien gaat het te ver de oorsprong van poëzie in het gebed te zoeken, toch doen dichters, en de lezers die hun stem overnemen, vaak iets wat sterk lijkt op wat er gebeurt wanneer iemand bidt. De dichter richt zich tot een Ander omdat hij zich moet uitspreken, en of er nu iemand luistert of niet, het spreken zelf roept een werkelijkheid tot leven die tijdens het lezen van het gedicht even reëel is als de wereld eromheen. Dat kan zowel troostrijk als beangstigend zijn.

Binnenplaats van Joost Baars (1975) schept een besloten ruimte, een kloostertuin in taal, waarin een ik in gesprek gaat met een Jij wiens fundamentele onbereikbaarheid stelselmatig wordt benadrukt. Aanleiding tot het gesprek is, zo blijkt al uit het eerste gedicht, het feit dat ’s dichters vrouw na een hartstilstand ternauwernood aan de dood is ontkomen. De ingrijpende ervaring van bijna-verlies vraagt om een magische reactie, een indringend zingen om het leven te bevestigen, en zoals Orpheus zich tot Hades richtte, tracht Baars’ protagonist in contact te komen met de alom Aanwezige die er niet is:

Het geritsel van bomen is
niet het geritsel van bomen.

het is Jouw stem. het geritsel
dat altijd hetzelfde is, is niet

altijd hetzelfde. het opent me,
dringt bij me binnen, naar de

plek waar Jij hoort, waar Jij blijkt
te ontbreken.

De opening herinnert aan Faverey (‘De chrysanten… zijn niet de chrysanten’), en menige poëzielezer zal aan de ‘kleine mooie ritselende revolutie’ van Lucebert denken – niet toevallig allebei dichters met een sterk religieuze inslag. Maar de mystiek van Baars is explicieter, staat dichter bij die van Willem Jan Otten en C.O. Jellema dan bij die van Lucebert en Faverey. Pagina na pagina tast hij naar een geheim waarop hij geen vat krijgt in ‘talige constructies’, omdat de Jij zich ‘aan alle taalweerslag/ onttrekt’. ‘Jij gaapt in mij, er is geen adem/ die je noemen kan’ en er is geen dans ‘die mij tot Jou bekeert’. Onbegonnen werk, kortom, deze negatieve theologie, waarin de ik onvermijdelijk ‘iets wordt dat op Jou schipbreuk lijdt’.

Hoewel de urgentie van deze de profundis geschreven poëzie evident is, begint het vruchteloze gebed na een pagina of tien toch een beetje sleets te raken, hetgeen komt doordat Baars eerder een denker dan een beeldhouwer is. Ik krijg sterk de neiging hem toe te roepen zijn kloostercel te verlaten en de wijde wereld in te trekken. Gelukkig gebeurt dat na de eerste afdeling ook, de dichter kijkt om zich heen en verstaat zich met het werk van, onder anderen, Bert Schierbeek, Werner Herzog, Estelle Boelsma en Hannah Arendt, hij bezoekt het eilandje De Dode Hond in het Eemmeer en reageert op persfoto’s van verdronken vluchtelingen.

De derde afdeling bestaat uit een reeks vertalingen van sonnetten van Gerard Manley Hopkins (1844-1889), waarin de gekwelde Engelse jezuïet en classicus tevergeefs probeert Gods aandacht te trekken. De omzetting van deze krankzinnige vormexperimenten vergt het uiterste van Baars’ inventiviteit:

Zelfgisting zuurt zacht geestdeeg. Zo, zie ik,
Zijn dolers, en hun naderend gericht,
Als ik, hun zwetend zelf; maar erger nog.

Wat Hopkins schrijft is altijd volslagen over the top, maar juist daardoor zo onthutsend. Alles botst, kraakt en wringt, het klankspel is vaak ronduit schokkend. Dat een bedachtzaam dichter als Baars zich aan Hopkins heeft gewaagd, is opmerkelijk. Het is jammer dat zijn eigen poëzie niet wat meer door dat scheef swingende waagstuk is aangeraakt.

De laatste afdeling van de bundel refereert aan Franciscus, de Umbrische monnik die, net als Orpheus, in staat was met vogels te communiceren. Baars treedt in zijn voetsporen door het woord te richten tot kraaien, spreeuwen, zwanen, een oehoe en een drone. Deze reeks getuigt, in navolging van de dertiende-eeuwse heilige, van politiek engagement. Hier en daar ligt dat er wel erg dik bovenop, bijvoorbeeld waar hij de ganzen van de Flevopolder aanspreekt:

jullie vliegen op ten zuiden van europa
waar menselijker wezens dat verboden is
en steken door de lucht het water over
waarin veel van hen ten onder gaan

Hij heeft gelijk, maar subtiel is het niet.

De beste twee gedichten gaan over een veerboot. De traditionele symboliek ligt voor de hand, maar juist hier slaagt Baars erin het cliché van de overtocht een nieuwe lading te geven. Wanneer mist het zicht op de rivier belemmert, stelt de veerman of passagier zich voor dat niemand het zou merken als er op dit moment een overstroming zou plaatsvinden: ‘dan varen we straks langs de daken’. Kijk, dat is een memorabel beeld. Binnenplaats is een fraai debuut, maar het is pas een begin.