Economie

Industriepolitiek

Regelmatig woedt in Nederland de discussie of het niet tijd wordt dat de staat zich aan de schaduw van de RSV-affaire ontworstelt en een volwassen industriepolitiek gaat voeren. Voor de jeugdigen onder u: RSV verwijst naar een parlementaire enquête over de besteding van 2,2 miljard gulden aan staatssteun door Rijn-Schelde Verolme, een Rotterdamse scheepsbouwer die de strijd met Koreaanse werven verloor en op zoek moest naar alternatieve inkomstenbronnen. Hilarisch waren de investeringen in een gigantische bauxietschraper die nu als industrieel monument staat te verpieteren in de Surinaamse jungle. Dat was in de jaren tachtig en dus al lang geleden, maar het domineert nog altijd het Nederlandse debat over zin en onzin van industriepolitiek.
De roep erom is het luidst als weer eens een grote Nederlandse onderneming - steevast aangeduid als ‘kroonjuweel’, alsof de nationale economie de persoonlijke speeltuin van de vorst is - gefuseerd, opgekocht, over de kop gegaan of door het buitenlandse moederbedrijf gesloten is. Dat was zo bij het bankroet van Fokker, de fusie van KLM met Air France, de overname en opsplitsing van ABN Amro, en is zo nu MSD het oude Organon uit worstenstad Oss wil sluiten omdat het niet in de strategie past.
De discussie kent twee kampen. Het eerste kamp meent dat de RSV-lessen onverkort van kracht zijn en dat de staat zich moet onthouden van welke vorm van industriepolitiek ook: het idee van 'picking winners’ klinkt lief, maar komt in de praktijk neer op het steunen van grote bekken of van wel gepositioneerde verliezers. De staat moet zich dus beperken tot het verbeteren van randvoorwaarden - lagere lasten, minder regels, betere infrastructuur, beter onderwijs. Mijn vroegere medebewoner van deze pagina, Mathijs Bouman, behoort tot dit kamp.
Het andere kamp bestaat uit een bonte stoet van woordvoerders van particuliere deelbelangen die allemaal beweren Neerlands hoop te zijn om hun deelbelang te laten doorgaan voor algemeen belang. Zoek voor de lol eens op 'valley’ en de 'food valleys’, 'health valleys’, 'energy valleys’ en 'internet valleys’ vliegen je om de oren. DSM, Universiteit Wageningen, Delft, Eindhoven, Havens Rotterdam, Holland Financial Centre - ze hebben allemaal meer of minder goede redenen om de staat ervan te overtuigen dat zij en zij alleen de ontvankelijke schoot voor statelijk groeizaad behoren te zijn. En omdat al deze deelbelangen rijkelijk vertegenwoordigd zijn in verkalkte overlegkoepels als VNO/NCW en het Innovatieplatform leidt dat tot aanbevelingen die zich meer laten lezen als een 'who is who’ van netwerkend Nederland dan als een innovatiestrategie voor de lange termijn die hout snijdt.
Welk kamp heeft gelijk? Bouman en de zijnen slaan de plank mis als zij menen dat de staat per definitie geen industriepolitiek kan voeren. Azië, en ook Finland, Luxemburg, Ierland en het Verenigd Koninkrijk hebben bewezen dat doelgerichte, slimme industriepolitiek met lange adem wel degelijk succesvol kan zijn. Initiatieven van een capabele staat, gericht op de ontwikkeling van een klein aantal economische sectoren, kunnen wel degelijk fungeren als de spreekwoordelijke korrel in de oester die de parel baart.
Ik weet niet of Bouman cum suis dat bedoelen, maar ze hebben gelijk als ze menen dat industriepolitiek in Nederland tot mislukken is gedoemd. Nederland kent een zwakke staat die voor de uitvoering van beleid zwaar leunt op derden. Dat is in de gezondheidszorg zo, de volkshuisvesting, het onderwijs en het arbeidsmarktbeleid. Alle initiatieven van de Nederlandse staat worden terstond gegijzeld door een corporatistische kaste die vooral goed voor zichzelf zorgt, zo leren specialistensalarissen, bonussen voor corporatiebestuurders en douceurtjes voor schoolbesturen. Er is geen reden om aan te nemen dat het met industriebeleid anders zou zijn.
Bovendien leren de ervaringen van Ierland, Finland en het Verenigd Koninkrijk dat er grote risico’s zijn verbonden aan het stimuleren van een of een paar sectoren. Finland heeft zich in anderhalf decennium succesvol weten te transformeren van een land van bosbouwers en alcoholici tot een hightech-telecom-economie. Maar nu Nokia de slag om de smartphone dreigt te verliezen, kleurt de Finse toekomst plotseling erg donker. En ook het bancaire succes van het Verenigd Koninkrijk en Ierland is met de crisis een gemengde zegen gebleken.
Ik ben bang dat Bouman cum suis gelijk hebben, maar om andere redenen dan zij zelf menen. Niet omdat industriepolitiek per definitie tot mislukken gedoemd is, maar omdat we er in Nederland stomweg de staat niet voor hebben. De combinatie van polderen en industriepolitiek staat namelijk garant voor een vorm van corruptie waar Nederland patent op heeft: zakkenvullen met een zuinig mondje.