Fabian Stolk interviewt Arjan Peters naar aanleiding van vijf recensies

«Ineens een mes tussen je ribben»

De rollen omgedraaid: Arjan Peters geïnterviewd naar aanleiding van vijf recensies (Elsschot, Boon, Brems, Campert en Breytenbach).

«Ik weet zeker dat Schippers nooit de Libris-prijs had gewonnen als Siebelink nog niks had gewonnen. Het is een ongeschreven wet dat een boek nooit tweemaal zo’n grote prijs wint. Knielen op een bed violen is gewoon een beter boek.»

Arjan Peters aan het woord over de jongste Libris-literatuurprijs, toegekend aan K. Schippers voor Waar was je nou.

Arjan Peters: «Dat van Schippers is echt – zelfs voor zijn doen – aan de zwakke kant; het is een vrij slome vertoning. En dan zie je ook de gemakzucht van sommige jury’s: als hij wordt geprezen, dan wordt er alleen maar geciteerd. ‹Op een dag dat er niets gebeurt, gebeurt er van alles›, dat is zijn hele oeuvre in één zin samengevat. Er moet het liefst niks gebeuren, dat is hem al variété genoeg. En dat nemen ze in het rapport over: het is helemaal variété.

Het enige enthousiaste in het rapport (en daar word je dan geacht niet op terug te komen), is dat ze opvallend getroffen waren door de kwaliteit van jonge Vlaamse auteurs, die vervolgens geheel ontbreken. Nou ja, Stefan Brijs zit er nog bij, die al niet meer zo jong is en een vrij Hollands boek heeft geschreven – wat opbouw betreft een goede, ouderwetse, naturalistische roman. Hij is in ieder geval niet zo’n wilde, jonge Vlaming waardoor ze zo waren getroffen. Daar heeft een jurylid dus iets moeten slikken en gezegd: maar dan wil ik wel dat het in het rapport komt.»

Arjan Peters (1963), redacteur van de Volkskrant, recensent, columnist van het avro-radioprogramma Opium en redacteur van Tirade, was dit voorjaar gastcriticus aan de faculteit der letteren van de Rijksuniversiteit Groningen. De afgelopen twaalf jaar was hij lid van zeven jury’s, éénmaal die van de Ako- en éénmaal die van de Librisprijs. Die laatste had, in 1999, geen hoog Peters-gehalte: ze ging naar Mulisch’ De procedure, door Peters als niet geslaagd beoordeeld in een recensie; unaniem werd de toekenning door zijn toedoen niet.

In zijn Groningse lezing Alles liever dan vrede (maart 2006) geeft Peters een pittige, heldere uiteenzetting van zijn opvattingen over literatuur en literaire kritiek. Peters ziet het als de taak van de criticus om stil te staan bij literaire vormgeving, bij de technieken, de constructie.

Arjan Peters: «Als een criticus het al niet opmerkt, dan hebben we alleen nog maar die interviews waarin vaak rechtstreeks iemand kan leeglopen over zijn eigen bestaan en uiteindelijk wordt er dan nog even gezegd: het is allemaal in een boek opgeschreven. Dan gaat het helemaal niet meer over de vorm die er is gevonden en gebruikt, terwijl die wel van belang is. Als we alleen maar de inhoud navertellen en zeggen dat het nog echt gebeurd is ook, krijgen we een soort kluunlandschap waarin niet geschaatst kan worden, waarin alleen onhandig wordt gestrompeld en geploeterd.»

Zijn bespreking van Elsschots Nagelaten werk (14 april 2006) is een helder stuk, geraffineerd van opbouw. Het telt vijf korte kolommen. In de eerste wordt Elsschot neergezet als «de zuinige meester». Zijn werk is volgens Peters «van een tijdloze kwaliteit». In de tweede kolom constateert hij dat dit laatste deel van het Volledige Werk veel (poëtisch) werk van een teleurstellende kwaliteit bevat, en in die tweede kolom begint ook een expliciet diminuendo: het boek omvat tweehonderd bladzijden en slechts honderd daarvan zijn van Elsschot (de rest is toelichting en verantwoording), de helft daarvan is proza en in veel daarvan is alleen een alinea of passage of een enkel beeld goed. In de laatste kolom blijkt het pièce de résistance één onvoltooid tekstje van slechts zeven pagina’s: de Brief aan Walter, waaraan Elsschot vanaf 1946 heeft gewerkt tot 1959, een jaar voor zijn dood. Over de constructie van deze recensie moet ook nog opgemerkt worden dat Peters zich in de eerste kolom afvraagt: «Heeft bezorger Peter de Bruijn van het Constantijn Huygens Instituut in Den Haag in de paperassen nog een bestoft juweel aangetroffen?» en dat het slot teruggrijpt op die metafoor: «De minzame grimmigheid van Elsschot is tot op het laatst intact en creatief gebleven. Dat alsnog te kunnen ervaren, verleent deze publicatie de gewenste glans.» Van meet af aan zoekt Peters wat er goed is; Elsschot behoort tot de kern van zijn canon. Hij wil zich klaarblijkelijk laten verrassen door dit boek. Hij erkent desgevraagd dat hij de recensie niet ondoordacht componeerde, maar de structuur verrast hem toch nu hij met een analyse wordt geconfronteerd.

In de recensie van Breyten Breytenbachs essaybundel Intieme vreemde (5 mei 2006) is het resultaat vergelijkbaar, namelijk lof voor geïsoleerde, zelfs uit hun context gelichte fragmentjes, met een loep gezocht. Maar dit resultaat wordt meer ex negativo bereikt. Peters werpt namelijk eerst de veronderstelling op dat iedereen «die internationale conferenties wel kent» waar oeverloos gezwateld wordt onder een allesomvattend en even weinig zeggend thema. Vervolgens gaat hij het bekend veronderstelde fenomeen toch beschrijven, met het nodige sarcasme. Daarna citeert hij Breytenbach om dat betoog eens flink te illustreren. Opmerkelijk genoeg haalt hij vervolgens uit al diens redeneren en oreren een «dichterlijk» fragment naar boven dat wel interessant is. En op het allerlaatst licht hij dit eruit: «Het weldadigste advies [aan zijn student-toehoorders] verstrekt Breytenbach vlak voor het eind: ‹Lees nooit het soort troep dat je nu onder ogen hebt.›» Opnieuw haalt hij het beste uit een boek naar voren. Hij gaat niet geheel voorbij aan de kwantitatief overheersende slechte aspecten, maar die verleiden hem niet tot een klakkeloos negatief oordeel.

Zoals Peters, op zoek naar juwelen, bij Breytenbach een paradoxale uiting opdiept, zo benoemt hij Elsschots proza met een oxymoron als «minzame grimmigheid». In zijn Groningse lezing Alles liever dan vrede noemt hij de voortdurende spanning tussen een «haperende» inhoud en een «gesloten» vorm een belangrijk aspect van literatuur, van kunst.

Ook op andere plaatsen bevat Peters’ waardering voor literair werk een paradox. De lectuur van Camperts Het satijnen hart noemt hij «een welhaast boosaardig genoegen» in een recensie die begint met de constatering dat het «zachtmoedige zondagskind van de Nederlandse literatuur (…) de laatste tijd van zich af [begint] te bijten» (21 april 2006).

In de heruitgave van Louis Paul Boons Mijn kleine oorlog – in deel 4 van diens Verzameld werk – waardeert Peters het herstel van de oorspronkelijke versie, die eindigt met de paradoxale aansporing: «Schop de menschen/ TOT ZIJ/ EEN GEWETEN/ KRIJGEN». Hij karakteriseert het boek terecht als «geslepen-naïef» (28 april 2006). Dat heeft te maken met Boons wijze van zich voor te stellen als geen schrijver, maar als maar een gewone burger, «terwijl hij iets kan wat zijn omgeving helemaal niet heeft gekund».

De (verscholen) grimmigheid noemt Peters het wezenlijke kenmerk van Elsschot.

Arjan Peters: «Elsschots wereld is niet heel aangenaam, maar hij schrijft als een gezellige man, hij heeft een heel aangename toon, waardoor je genoeglijk achterover kunt leunen als hij zo tegen je praat als het ware.»

Wat Campert betreft geeft Peters aan dat het «genoegen» alleen maar groter wordt naar de mate van de boosaardigheid: «een boosaardig genoegen is dus een groot genoegen».

Peters kan zich wel vinden in de analyse: «Wat misschien wel een terugkerend iets is… en wat ook correspondeert met die [Groningse] lezing, is dat alles wat je over stijl kunt beweren en wat zich heel vaak lijkt te onttrekken aan de inhoud, daar toch altijd mee verbonden is… dat al de elementen die tot de constructie van een boek behoren en er wel degelijk ook de werking van bepalen, het best, het mooist werken als dat vormbewustzijn gepaard gaat met een verhaal, een inhoud, een strekking die disharmonieus en confronterend is. Je wordt een beetje gestreeld of ingepakt door de vorm, en dan ineens krijg je een mes tussen je ribben. Je bent ongepantserd geworden door die stijl, weerloos geworden, en daardoor kun je niks meer terugzeggen. Dat is de gekke indruk die je bij sommige boeken hebt. Bij Hermans zijn er van die paranoïde types die zich van alles inbeelden: worden ze door hun eigen gedachten opgejaagd of is het die verschrikkelijke omgeving waarin ze verkeren, of maken ze die zelf tot een verschrikking? Dat is nooit helemaal duidelijk en toch heb je vaak het idee aan het slot van zo’n verhaal: zo is de wereld. Terwijl je helemaal in zijn wereld bent getrokken. Ik vermoed dat het zoiets is. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat dat voor mij een voorwaarde is om een boek te kunnen waarderen.

Boeken die je geruststellen of je troosten, dat zijn volgens mij precies de verkeerde boeken. Een mooie roman lezen, ook al gaat hij over iets afschuwelijks, is natuurlijk wel een soort van troost, maar ik bedoel het dan meer in de zin dat er iets wordt gelenigd, dat je denkt: nu kunnen we het wel weer even aan. Bij een goed boek denk je eerder: nu weet ik het helemaal niet meer, ik ben blij dat het maar een boek is, maar ik herken het toch wel ernstig, helaas.»

Een welwillende beschouwing gaf Peters van de jongste roman van Remco Campert, Het satijnen hart. Peters poneert dat de hoofdpersoon, Hendrik van Otterlo, geen alter ego is van de schrijver, terwijl hij hem wel vergelijkt met Richard Sanders uit Een liefde in Parijs, een boek dat Campert zelf omschreef als «een verkapte afrekening met mezelf» (21 april 2006). Dit blijkt een subtiele kwestie: «Van Otterlo is een schilder, dus hij doet iets anders. Er zijn wel bepaalde overeenkomsten, in leeftijd bijvoorbeeld, maar Campert heeft volgens mij veel meer dan een portret van zichzelf, een kritische, achterwaartse blik willen geven op bepaalde trekjes van hem, de kunstenaar maar dan als artiest, als iemand die als kunstenaar door het leven gaat. Het gaat niet om een autobiografische terugblik die precies correspondeert met hoe hij zich vroeger heeft gedragen. Het is meer het balans opmaken op oudere leeftijd. Ik geloof ook dat er kleine tegenstellingen zijn tussen wat ik er aardig aan vind en hoe Campert het boek zelf beschouwt. Hij ziet de wending van de schilder die een tijd niet heeft gewerkt en weer zin krijgt om te gaan schilderen bijna als een happy end. Terwijl ik me dat ernstig afvraag. Ik vind het veelzeggend dat Van Otterlo aan het einde in het atelier zit, naar een doek kijkt en het laatste zinnetje is, geloof ik: mijn ogen tasten het lege doek af. Punt. En dan zie je in sommige recensies staan: hij is weer lekker aan het schilderen. Nee, er is nog niks! Sterker nog: misschien is dat wel de dood.»

De ondertitel van de recensie luidt: Camperts gram houdt de lezer wakker, en in het stuk staat verder, na aanhaling van een aantal vreselijke clichés: «het proza staat er bepaald prozaïsch bij». Peters voegt er nu aan toe dat de titel, net als die van Camperts vorige roman, «het allerergste doet vermoeden».

Arjan Peters: «Het plezier zit er voor mij in dat we dit niet moeten geloven. Dan kun je dit waarderen. Ik weet niet of het zo is bedoeld. Maar het is mijn voorstel om het zo te beschouwen. Ik kan het boek waarderen als we ervan uitgaan dat die vreselijke zinnen van Van Otterlo zijn.»

Het lijkt er dus op dat Peters deze roman naar zijn hand zet door hem te beschouwen als een paradoxale tekst: ogenschijnlijk vriendelijk, maar in wezen onaangenaam.

_Peters: «_Ja, als je het neemt zoals het er staat, dan is het moeilijk te verteren. Alleen onder een bepaalde interpretatie zie je dat het bijna wreedaardig is hoe Campert de mooie film stopzet voordat Van Otterlo aan dat mooie schilderij, waartoe hij weer helemaal geïnspireerd is, kan beginnen. Dan komen we op een soort afrekening uit. Ik kan me voorstellen dat andere mensen geroerd zijn door het gegeven: hoe oud je ook bent, het is je altijd nog gegeven dat er weer iets van te maken is. Daar geloof ik helemaal niet in. Welwillend is mijn recensie in die zin dat ik niet heel expliciet duidelijk maak dat het eigenlijk geen goed boek is als je het niet op die ene manier leest die ik voorstel. Het heeft me dan ook verbaasd dat iemand als Elsbeth Etty wegloopt met de geniale stijl. We hebben hier toch niet te maken met een bewerktuigd stilistisch talent.»

Van literatuur naar literatuurgeschiedenis en naar onwelwillendheid. Over Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems schreef Peters een sterk gecomponeerde recensie, maar anders dan in het geval van Elsschot, Boon en Breytenbach ging hij niet op zoek naar de verloren juweeltjes onder het stof. Het stuk opent met een globale verkenning met positieve kwalificaties. Brems’ ambitie «mag onbekrompen heten», zijn poging om velerlei factoren in een boek te incorporeren «is zelfs stoutmoedig te noemen», «Brems waagt zich aan de grote greep», «aan goede zin ontbreekt het Brems niet» (24 februari 2006).

Maar na deze schijnbaar positieve opmaat klinkt het ware thema, dat begint met «lichte bevreemding» en al spoedig rept van «onwil», «karakterloosheid», «een diarree van termen». Na de fraai (maar niet minder kwalijk, want lichtelijk ad hominem) geformuleerde stelling «In een processie van Echternach boek je sneller vooruitgang dan al bremsend achter Hugo’s vaandel», stapelt Peters de invectieven opeen: «stompzinnige conclusie», «bangebroek», «waterige maaltijdsoep», «potpourri» en «tureluurs makende kromspraak». En dat is lang niet alles. Deze litanie eindigt met een forse paukenslag, geleend, maar paukenslag: «Kome er visie, durf en stijl, een begaanbaar pad in het oerwoud – en kome er anders liever niets.»

Gevraagd naar de reden waarom hij niet zelfs maar een spoor van bereidwilligheid toont om een glad pareltje uit deze ruwe oester te plukken, antwoordt Peters: «Ik heb de indruk dat ik het niet meer meemaak dat er een nieuwe literatuurgeschiedenis komt. Dit is de literatuurgeschiedenis van mijn leven, hier moet ik het verder mee doen. Daar verwacht ik dan ook wat van. En de stoutmoedigheid die ik noem, die ik aanhaal, dat is de opzet die Brems zelf aan het begin schetst: het is een duidelijk door één persoon geschreven boek. Dat zie je ook heel duidelijk aan de stijl. De onhandigheden vind je het hele boek door. Die termen als «onbekrompen» en «stoutmoedig» worden al heel snel ironisch als blijkt dat hij de – volgens mij onhoudbare – pretentie heeft dat je door niet te kiezen, door alles naast elkaar te zetten een compleet overzicht kunt geven; terwijl je daarbij natuurlijk wel degelijk selecteert. Daar zit een tegenspraak in. Er zit wel een keuze in. Als je Astrid Roemer misschien wel tien pagina’s geeft en Arnon Grunberg twee en alleen over Blauwe maandagen iets zegt en hem als een exponent van de generatie Nix ziet, dan leek dat misschien aanvankelijk zo bij dat debuut, maar die jongen heeft, wat men er verder ook van kan zeggen, in zeer korte tijd een eigen wereld opgebouwd die wel wat verder reikt dan de zompigheid van de generatie Nix.

Wat de grofheid betreft die – zoals je zegt – in die recensie sloop: die is er niet tussendoor geglipt, die is niet per ongeluk. Ik wil in mijn eigen stuk wel kiezen en niet besluiteloos zijn. Dit boek is voor iedereen! Hij heeft het allemaal gelezen, hij had moeten zeggen: nou, die en die kunnen we wel doorstrepen. Dat zijn de afrekeningen, om weer met Holleeder te spreken, die ook in de literatuur thuishoren. Hij kan wel zeggen dat het niet hoort of niet mag, het gebeurt toch. Als hij het al niet doet, doet de tijd het wel. Het is een boek van zevenhonderd bladzijden; mijn recensie is ook het verslag van een groeiende ergernis: die besluiteloosheid blijft. Dan moet er inderdaad wat stoom uit de ketel.

Woordspelingen op een naam mogen eigenlijk niet, maar ik denk dat ik daarmee als criticus eerder een kleine buiging maak naar Van Deyssel, Hermans, Brouwers, dat soort mensen, dan naar Carel Peeters of Garmt Stuiveling. Ik kan me niet als een afgewogen, humaan knuffelcriticus voordoen als ik dat niet ben. Het pleister sprong van de muren onder de kreten die ik slaakte tijdens het lezen van die Brems. Ik vind dat er iets van die ergernis, die tenslotte ook op betrokkenheid wijst, door mag klinken in de recensie.

Het heeft me wel iets gedaan, om het zo maar te zeggen.» * Fabian Stolk is universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht