Reportage uit Madrid

Inferno in etappes

Spanje beleefde afgelopen weekend een revolutie. De electorale winst die de Partido Popular van scheidend premier Aznar hoopte te putten uit de bomaanslagen van 11 maart in Madrid mondde uit in een verpletterende nederlaag.

MADRID — De aanslag van donderdag 11 maart 2004 was strak gepland, als een militaire operatie. Het doel: zo veel mogelijk doden. Doelwit: het werkvolk van Madrid. De metrolijn Alcala de Henares-Guadalajara zat die ochtend zoals op iedere werkdag in de ochtendspits vol met mensen die vanuit het arme zuiden van de stad op weg waren naar werk of school. Tussen 7.35 en 7.55 uur brak de hel los tussen de metrostations Atocha, El Pozo en Santa Eugénia. Tien in serie geschakelde bommen verspreid over drie treinstellen richtten een bloedbad aan. De makers hadden met zin voor perfectie gekozen voor een inferno in etappes, zodat de ambulances en de brandweer die na de eerste explosies op weg waren om hulp te bieden machteloos stonden en in sommige gevallen zelf in de val raakten. Bijna tweehonderd mensen kwamen meteen om. Bijna 1400 mensen raakten gewond. Twee andere bommen konden nog net op tijd onschadelijk worden gemaakt, anders was het dodental aanzienlijk hoger komen te liggen. De slachtoffers — mannen, vrouwen, kinderen, baby’s — vormden een dwarsdoorsnede van de Madrileense bevolking: naast Spanjaarden nog elf andere nationaliteiten, waaronder Peruanen, Costaricanen, Oekraïners, Marokkanen en Guineeërs.

Voor premier Aznar bestond er geen twijfel: deze aanslag was het werk van de Eta. Uiterst gedecideerd gaf de minister-president een persconferentie waarin hij niet alleen drie dagen officiële staatsrouw afkondigde maar tevens de jacht opende op de auteurs van de aanslag — zonder het woord Bask te laten vallen was duidelijk dat hij de verboden separatistische beweging in gedachten had. Aznar sprak over «terroristen die al zo vaak in Spanje hadden toegeslagen» en stelde dat «niemand rustig kan ademen zolang de totale vernietiging van deze terroristen niet heeft plaatsgevonden». Veel Spanjaarden waren geneigd hem te geloven in de eerste uren van totale verwarring die op de aanslagen volgden. Waren vorige week zondag per slot van rekening niet twee jonge Basken in de buurt van Canaveras gearresteerd met vijfhonderd kilo springstof, kennelijk met de bedoeling het komende huwelijksfeest van kroonprins Felipe met Letizia Ortiz in een nachtmerrie te veranderen? En had de Eta in mei 2002 niet een poging gedaan het voetbalstadion van Real Madrid op te blazen?

Al snel ontstonden er twijfels. Vanuit Bilbao liet de verboden Baskische partij Herri Batasuna bij monde van woordvoerder Arnaldo Ortegi «met zekerheid» weten dat de aanslag niet het werk van de Eta was geweest en uitte vermoedens dat hier «het Arabische verzet» achter zat. Europol, de Europese politie, meldde dat de aanslag qua methodiek en omvang eerder deed denken aan het netwerk van Bin Laden dan aan de Eta en bood de Spaanse regering zijn diensten aan. Een belangrijke indicatie was ook dat de Eta de aanslag niet opeiste, zoals gebruikelijk. Ook buitenlandse politici uitten hun twijfels. De Portugese ex-president Maria Soares was een van de eersten die de aanslag — van «een andere dimensie» dan de Eta-aanslagen in het verleden — in verband bracht met al-Qaeda en het vermoeden uitsprak dat er «politieke motieven» in het spel konden zijn bij de regering-Aznar om vast te houden aan het Eta-draaiboek. Spanje stond tenslotte aan de vooravond van de verkiezingen.

De regering-Aznar hield echter voet bij stuk. Ambassadeurs van Spanje in het buitenland kregen de instructie om de Eta te noemen als verantwoordelijke. De staats televisie TVE deed hetzelfde. Minister van Binnenlandse Zaken Angel Acebes liet doorschemeren dat er al bewijzen tegen de Eta waren gevonden, maar dat die in het belang van het onderzoek nog niet openbaar konden worden gemaakt. De Spaanse krant La Razon speculeerde over een mogelijke joint venture van de Eta met al-Qaeda. Alles wat met separatisme te maken had — of het nu Baskisch, Catalaans of Andalusisch getint was — werd door de regering-Aznar medeschuldig verklaard aan de slachtpartij van Madrid.

De volgende dag, vrijdag, gingen miljoenen Spanjaarden de straat op om te protesteren tegen het terrorisme. In Bilbao liepen voormannen van het politieke Baskische verzet mee in de mars, als teken van hun overtuiging dat de Eta niets met «11-3» te maken had. De Baskische krant Gara publiceerde boodschappen van de Eta waarin de betrokkenheid bij de aanslagen in alle toonaarden werd ontkend. De spanning liep almaar hoger op. In Bilbao schoot een politieagent een winkelier dood omdat deze geen officieel rouwteken in zijn etalage had aangebracht. Woedend reageerde de Spaanse regering op een cartoon in de Braziliaanse krant O Globo, waarin Bin Laden was afgebeeld als een stierenvechter, met Spanje als de stier.

Zaterdag keerde het tij voor de regering-Aznar. Bij de moskee in Madrid bleek een tekst te zijn gevonden die wees op betrokkenheid van al-Qaeda bij de aanslagen. Het bericht dat drie jonge Marokkanen en twee Indiërs waren gearresteerd, openbaar gemaakt door minister Acebes, zorgde voor een kettingreactie van verontwaardiging onder de Spanjaarden. De vasthoudendheid waarmee Aznar en de zijnen de Eta-versie hadden uitgedragen, begon zich nu tegen hem te keren. Voor het kantoor van Aznars Partido Popular aan de Calle de Genova klonterde een boze menigte samen. De demonstratie heette spontaan op gang te zijn gekomen. De menigte schreeuwde leuzen tegen de PP, en dan met name tegen het Irak-beleid van de regering. Aznar was vanaf het prille begin van de oorlog tegen Irak en Afghanistan op de hand van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Zeer omstreden onder de Spanjaarden was Aznars aanwezigheid op de Azoren, tijdens het oorlogsberaad tussen Bush en Blair aan de vooravond van de invasie van Irak. Al tijdens de eerste dagen van de oorlog was gebleken dat de deelname aan de oorlog in Spanje niet goed lag. Nergens ter wereld waren zo veel mensen aanwezig bij de anti-oorlogsmarsen als in Madrid.

«Al Queda mata, Aznar mente» — «Al-Qaeda vermoordt, Aznar liegt» — was een van de leuzen die de massa voor het PP-kantoor uitschreeuwde. En: «Aznar, door jouw schuld moeten wij allen betalen». De stemming onder de demonstranten was revolu tionair en uiterst vijandig. Aznar werd uitgescholden voor «fascist», «leugenaar» en «moordenaar». Cameraploegen van de staatstelevisie werden uitgejouwd als stromannen van de regering. Voor- en tegenstanders van de regering gingen met elkaar op de vuist. Het was het begin van het einde van acht jaar oppermacht van de PP.

De Catalaanse socioloog en historicus Vicente Navarro zag de val van Aznar met grote instemming aan. De aan de Universiteit van Barcelona docerende Navarro, auteur van enkele studies over de politiek van Aznar en diens affiniteit met de erfenis van dictator Franco, zegt dat de val van Aznar nooit mogelijk was geweest zonder het bloedbad van 11 maart. Vicente Navarro: «De pogingen van Aznar om de Spaanse media na de slachting van Madrid te manipuleren, keerden zich tegen de Partido Popular. Door zo lang te wachten met het bekendmaken van de bewijzen die tegen al-Qaeda waren gevonden en de Eta tegen beter weten in als dader van de aanslagen te noemen, hoopte Aznar de verkiezingen met een overweldigende meerderheid te winnen. Immers, in die visie zou iedere politiek van dialoog met het Baskische separatisme verdacht zijn als handlanger van het terrorisme. Vandaar dat Aznar twee weken voor de verkiezingen woedend was uitgevallen naar de Catalaanse regionale regering, toen deze er — volkomen ten onrechte — van werd beschuldigd een non-agressie-pact te zijn overeengekomen met de Eta. Ook de lijn van dialoog van de socialistische kandidaat Zapatero zou zo verdacht kunnen worden gemaakt. Maar het pakte precies andersom uit. Tegen alle peilingen in maakte Zapatero die laatste dag voor de verkiezingen een op papier hopeloze achterstand op de PP-kandidaat Mariano Rajoy goed. Vanwege de toch al aanwezige anti-oorlogstemming onder de Spanjaarden kwamen er zondag drie miljoen mensen méér dan verwacht naar de stembus. Het was een protest tegen de politiek van manipulatie van de PP.»

Toen José Maria Aznar en zijn vrouw Ana Botella — zelf een geduchte politica in de Madrileense gemeentelijke verhoudingen — zondag de gang naar de stembus maakten, werd het paar onthaald op een overweldigende scheldpartij. Hetzelfde gebeurde met PP-lijsttrekker Rajoy. De van zichzelf wat fletse kandidaat José Luiz Rodriguez Zapatero groeide ondanks zichzelf uit tot het boegbeeld van het Spaanse verzet. Vanuit een kansloze achterstand behaalde de 44-jarige advocaat met 164 van de 350 zetels in het Spaanse parlement een ruimere overwinning dan hij voor 11 maart ooit had durven dromen. Vicente Navarro: «Tot 11 maart was Zapatero absoluut kansloos. De traditionele achterban van de Spaanse socialisten vond zijn voorstellen veel te rechts, veel te weinig een breuk met het beleid van de PP. Door de ontwikkelingen vanaf 11 maart kreeg hij een dimensie die hij eerder niet had gehad.»

De afgelopen jaren deed Vicente Navarro veel moeite om het fenomeen Aznar te bestrijden. In talrijke artikelen wees hij op het fascistische verleden van de Spaanse premier. Navarro: «De Partido Popular werd opgericht door Fraga Iribarne, minister van Binnenlandse Zaken onder dictator Franco en ondanks zijn tachtig jaren nog altijd gouverneur namens de PP van de provincie Gallicië, waar hij vorig jaar de ramp met de olietanker Prestige volkomen uit de hand liet lopen door de voorkeur te geven aan zijn zondagse jachtpartij. Fraga Iribarne is nog altijd de voorzitter van de PP. Hij beschouwt de regering van Franco als het beste wat Spanje ooit is overkomen en ventileert regelmatig nog zijn falangistische voorkeuren, zoals in het door hem geschreven voorwoord in een boek van zijn politieke kameraad mr. T.M. Bereiro waarin het bestaan van de holocaust wordt ontkend.»

Fraga Iribarne geldt als de mentor van José Maria Aznar, wiens grootvader José Aznar, eerder Baskisch nationalist, overliep naar het Franco-kamp. Grootvader Aznar publiceerde in 1940 een boek over de veldtocht van Franco tegen de Basken, waarin onder meer stond te lezen dat het Duitse bombardement op het Baskische Guerníca van 26 april 1937 in werkelijkheid een initiatief was geweest van de Basken zelf, die hun eigen stad in de as zouden hebben gelegd. Als dank voor deze loyale journalistiek promoveerde Franco grootvader Aznar tot perschef voor Baskenland en later tot ambassadeur en chef van de staatsradio.

Kleinzoon José Maria Aznar trad in de voetsporen van zijn grootvader. Hij werd secretaris van de plaatselijke afdeling van de falangistische jongerenafdeling in de La Rioja-regio. Toen het eerste democratisch gekozen stadsbestuur van Guerníca in 1977 besloot een einde te maken aan het ereburgerschap van de stad van Franco, vanwege diens verantwoordelijkheid voor de bombardementen van 1937, schreef Aznar een woedende protestbrief.

Eenmaal opgeklommen tot leider van de Partido Popular, die voortkwam uit de falangistische gelederen, verkondigde Aznar een confrontatiepolitiek met het Baskisch nationalisme. Nadat hij in 1995 bijna zelf het slachtoffer was geworden van een Eta-bomaanslag verordonneerde de gewezen belastingsconsulent in zijn verkiezingsstrijd met de socialistische premier Felipe Gonzalez de harde lijn ten aanzien van het Baskische vraagstuk. In 1996 moesten de Spaanse socialisten het veld ruimen voor Aznar. Talrijke corruptieschandalen en het schandaal van de moordcommando’s binnen de Spaanse geheime dienst werden Gonzalez’ Socialistische Partij fataal. Vier jaar later veroverde Aznar een absolute meerderheid in het parlement.

Als minister-president vertoonde Aznar een dubbele houding ten opzichte van het Franco-tijdperk. PP-leden die hun enthou siasme voor de «caudillo» te enthousiast ventileerden, werden door Aznar tot de orde geroepen. Anderzijds had Aznar geen bezwaar de Stichting Francisco Franco onder leiding van Franco’s dochter Carmen te verblijden met een staatssubsidie en sloeg hij vermaningen van de Verenigde Naties om eindelijk toch eens op zoek te gaan naar de tienduizenden lijken van politieke tegenstanders die Franco in de Spaanse bodem had achtergelaten, in de wind. De Heilige Spaanse moederkerk, van oudsher op de hand van de falangisten, kreeg onder Aznar de wind mee. Veel ministers van Aznar deden zich kennen als leden van Opus Deï. Onlangs voerde de PP-regering het godsdienstonderwijs als verplicht vak op de middelbare scholen in, met net zoveel les uren per week als wiskunde. De gelijke burgerrechten van vrouwen en homoseksuelen kregen onder Aznar een geduchte knauw.

De Partido Populair had zich gezet aan een restauratie van «oud-Spaanse waarden». De gortdroge, zo niet verkrampte stijl van de leider versterkte die boodschap van traditionele waarden. «Spanje hoeft niet sympathiek te zijn», liet Aznar zich eens ontvallen. De immer dreigende terreur vanuit Baskenland fungeerde als het ideale middel tot mobilisatie van de Spaanse bevolking, die doodmoe was van de eindeloze serie autobommen en liquidaties. In de campagne van de PP werden de aanhangers van de Eta als «nazi’s» geportretteerd, en golden de vele door de Baskische terreurgroep vermoorde gemeentebestuurders van de PP als martelaren van de Spaanse democratie. Iedere dialoog met de Baskische nationalisten werd afgeschilderd als verraad aan de Spaanse staat. In plaats van à la Noord-Ierland een uitweg te zoeken uit de geweldsspiraal door middel van onderhandelingen, ging Aznar over tot een verbod van Herri Batasuna, die in Baskenland eenzelfde rol vervulde als Sinn Féin in Noord-Ierland.

Afgelopen weekeinde bleek dat ook die strategie haar beperkingen kent. De PP-regering ging aan overmoed ten onder. De partij onderschatte op dramatische wijze de anti-oorlogstemming onder de bevolking en vergaloppeerde zich dramatisch. José Maria Aznar stond er na het bekend worden van de verkiezingsuitslag afgelopen zondag als een gebroken man bij.

Op zijn eerste persconferentie na zijn overwinning maakte José Luiz Rodriguez Zapatero bekend dat de dertienhonderd Spaanse soldaten in Irak nog vóór mei zullen worden teruggeroepen naar het vaderland. Ook kondigde Zapatero een diepgaand onderzoek aan naar de verhalen in de pers dat de lijkkisten van Spaanse soldaten die in Irak bij een vliegtuigongeluk waren omgekomen helemaal niet de resten van deze soldaten bevatten. Die affaire droeg eerder al veel bij aan de anti-oorlogstemming onder de Spanjaarden, ook onder aanhangers van de PP. Zapatero riep Bush en Blair op tot «kritisch zelfonderzoek» aangaande hun rol in de oorlog tegen Irak.

De Spaans-Brits-Amerikaanse as uit de dagen van het Azoren-beraad ligt in duigen. Daarnaast beloofde de nieuwe premier, die met gedoogsteun van de Catalaanse nationalisten en Izquierda Unida (Verenigd Links) zal gaan regeren, een diepgaande hervorming van de staatstelevisie, die onder Aznar de reputatie van propagandazender heeft gekregen. Alles wijst op een nieuw hoofdstuk in de nog zo jonge geschiedenis van de Spaanse democratie. Vicente Navarro: «Zapatero zal zich moeten inspannen voor de totstandkoming van een federaal model voor Spanje, waarin autonomie van de deelstaten wordt gegarandeerd. Maar makkelijk zal dat niet worden.»