Informatie is handel

MOSKOU/AMSTERDAM – Het is vrijdagmiddag 23 augustus 1991, op de kop af vijftien jaar geleden. De coup tegen Michail Gorbatsjov en Boris Jeltsin is 48 uur eerder mislukt. Drank en diarree hebben het Staatscomité voor de Noodtoestand parten gespeeld. Rusland en de wereld voelen zich bevrijd. Na met fotograaf Oleg Klimov een kop thee en een boterham met salami te hebben genuttigd in hotel Rossija te Moskou (toen met drieduizend bedden het grootste hotel van Europa, inmiddels ter ziele) wordt het tijd om ook maar eens op huis aan te gaan. Via een kleine omweg lopend naar metrostation Nogin (thans China Stad) passeer ik het gebouw waar het centraal comité van de cpsu (Communistische Partij van de Sovjet-Unie, nu Administratie der President) is gevestigd. Buiten op het Oudeplein, schuin tegenover het hoofdkwartier van de kgb, staat een honderdtal mensen, enkelen verkleed als kozak. De tweede persvoorlichter van Gorbatsjov, die een paar dagen eerder zijn functie als secretaris-generaal van de cpsu heeft opgegeven omdat een deel van de partij de gesneefde putsch heeft geëntameerd, bekijkt het tafereel lachend. «Dit is een van de gekste dagen uit mijn leven», zegt hij. Niemand stoort zich aan zijn aanwezigheid. Plotseling komen er televisieploegen langs rijden: het Franse kanaal tf1 en de Noorse omroep. De camera’s hebben onmiddellijk effect. De quasi-kozakken beginnen tegen de gevel op te klimmen met de Russische driekleur in hun hand. De beste klauteraar bereikt, staand op de schouders van een paar maatjes, de rode vlag en haalt die naar beneden. Waarna de kozakken zich in gelid opstellen voor de cameralieden. Zodra er ergens een lens opduikt, gaan mensen zich nu eenmaal anders gedragen, gaan ze acteren. Stuur een fotograaf naar een kinderkolonie in Gaza en de jongetjes gaan pief paf poef doen. Niets aan de hand, denk ik dus, en loop naar de metro voor de trein richting Proletarskaja (nog steeds Proletariaat).

Amper thuis gaat de telefoon. De chef van de redactie buitenland klinkt opgewonden. «Het gebouw van de Communistische Partij wordt bestormd.» Dat is raar. Ik kom daar net vandaan. Het is meer een feestelijke manifestatie dan een revolutionair moment. De chef gelooft mij. Hij is een goede chef, althans een chef die zijn mensen vertrouwt totdat het tegendeel is bewezen.

Dit onbeduidende voorval staat niet op zichzelf. De anekdote illustreert dat beeld vaak als waarheidsgetrouwer wordt opgevat dan tekst. De Byzantijnse keizers onderkenden het gevaar daarvan al in de achtste en negende eeuw, toen ze de aanbidding van iconen probeerden uit te bannen. Ze faalden uiteindelijk hopeloos. Hoewel de protestanten bijna een millennium later bij de Beeldenstorm van 1566 wel enig succes hadden, was de Renaissance niet te stuiten. Het beeld bleek definitief sterker dan de schrift. Want wat je ziet oogt als een kopie van de werkelijkheid. Wat je leest is, met uitzondering van de bijbel en de koran die immers door God zelf zijn geschreven, een bewerking van de werkelijkheid.

Dat is nog steeds de norm, ondanks al het geëmmer over beeldcultuur die met name de jeugd veel beter zou begrijpen en vooral doorzien dan de oudere generatie voor wie de televisie een nieuwe uitvinding is gebleven. Vorige week woensdag leverde cnn een treffend bewijs voor de stelling dat beeld boven tekst gaat. ’s Middags had het oorlogskabinet van Israël besloten tot een grootscheepse grondoorlog in Zuid-Libanon en daartoe maar liefst dertigduizend reservisten opgeroepen. ’s Avonds klonk er vuurwerk aan de grens tussen Israël en Libanon. Zeker een uur was cnn met breaking news in de lucht om het begin van de grondoorlog te verslaan en te becommentariëren. De donkere hemel en het geknal moesten bewijzen dat die oorlog volledig was begonnen. Het oogde geloofwaardig. Maar het klopte niet helemaal.

Een paar dagen eerder was de internationale mediawereld nog enorm opgewonden geweest over foto’s uit Libanon die door de fotograaf via het computerprogramma Photoshop waren aangedikt. De fotograaf had hiermee de waarheid geweld aangedaan en daarmee een journalistieke doodzonde bedreven. Dat verwijt is terecht. Als een fotograaf de rookpluimen na een bombardement bijkleurt om het beeld angstaanjagender te maken, houdt hij op fotojournalist te zijn en wordt hij propagandist. Het cliché dat in een oorlog de «waarheid» het eerste slachtoffer is, blijft een oude koe. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren hele batterijen oppoetsers en wegpoetsers aan beide zijden van de loopgraven actief om de militaire inspanningen voor het thuisfront zo in beeld te brengen dat het patriottisme erdoor zou worden versterkt en dat van de vijand verzwakt. Ten tijde van de heerschappij van Jozef Stalin werd dit vak tot nog grotere hoogte ontwikkeld: planken of hele muurtjes werden ingezet om oude maar in diskrediet geraakte kameraden weg te retoucheren. Het in 1997 verschenen album The Commissar Vanishes: The Falsification of Photographs and Art in Stalin’s Russia is een juweel. Propaganda is ook een ambacht, leert dit boek. Maar met journalistiek heeft dat vak inderdaad weinig te maken.

Toch verdient de vermaledijde Libanese fotograaf, wiens beeld door Reuters werd verspreid, enige verdediging. Niet met de klassieke dooddoener dat fotografen altijd al hun beelden hebben bijgewerkt door in de donkere kamer met hun vingers donkere plekken lichter te maken en omgekeerd, of door de afdruk na het fixeerbad nog te retoucheren. Photoshop maakt het hun nu alleen wat makkelijker. Ook niet met het wat modernere argument dat geweld moet worden geësthetiseerd, omdat de kijker er anders de ogen voor sluit.

Nee, de media hebben het schandaaltje namelijk ook over zichzelf afgeroepen.

Er was eens een tijd, niet zo lang geleden, dat kranten en bladen eerst en vooral met eigen fotografen werkten. Deze media kozen toen voor hun eigen verbeelding van de werkelijkheid. Die keuze leidde uiteraard niet tot de waarheid, maar wel tot een verifieerbare onwaarheid. De fotoredacteur van het communistische dagblad De Waarheid werkte volgens een ander referentiekader dan die van De Telegraaf. Toen was ideologie nog heel gewoon.

Tegenwoordig is het een handvol persbureaus dat het beeld bepaalt conform strikt objectieve pretenties: van het klassieke Reuters, ap, anp (onderaannemer van afp en epa) tot Getty Images. De kleinere agentschappen, zoals het legendarische Magnum, Hollandse Hoogte of het nieuwe Panos, hebben eigenlijk alleen een kans als ze zich concentreren op specifieke onderwerpen of aparte reportages. De nieuwsfotografie volgt bovendien steeds meer het spoor van de videocamera’s. De grote bureaus schamen zich er niet voor om videobeelden stil te zetten en als enkele foto’s te verspreiden. Veel kranten vinden dat best, omdat ze beeld op de pagina graag zien als een bevestiging van wat de televisie heeft getoond en de lezer dan niet onnodig op het verkeerde been wordt gezet. Dat alleen al maakt de fotojournalistiek tot een ondergeschoven genre.

Er komt nog iets bij. Eigen fotografen zijn duur, zeker als ze in het buitenland opereren. En dus zijn ze een aantrekkelijke kostenbesparing voor het management dat als alternatief toch ogenschijnlijk onuitputtelijke databanken met beeld voorhanden heeft. Bezuinigingsrondes beginnen daarom meestal bij de fotografen, maar eindigen nooit bij de beslissing om het beeld tot een minimum te beperken. Zo hebben de meeste kranten in Nederland slechts één of helemaal geen fotograaf in vaste dienst. In het binnenland werken ze met contractanten, in den vreemde met avonturiers. Dezelfde tendens voltrekt zich onder schrijvende journalisten. De Telegraaf heeft per 1 juli bijna alle correspondenten teruggeroepen naar Amsterdam of gedegradeerd tot freelancers. Om het beeld nog dramatischer te schetsen: zelfs het Amerikaanse weekblad Time, een van de grootste serieuze magazines ter wereld, heeft zijn correspondentennet danig getrimd. De post in Moskou bijvoorbeeld is teruggebracht tot een bureau dat wordt bemenst door lokale medewerkers. In New York zien de editors vervolgens wel wat ze met hun kopij doen.

Zeker als de omstandigheden fysiek gevaarlijk worden, zoals in Irak sinds de bevrijding van 2003, doen de media bij voorkeur zaken met «inboorlingen» die ter plekke beter thuis zijn, geen zorgzame partners hebben die de hoofdredacteur lastig kunnen vallen met vragen over hun geliefde en niet hoeven worden verzekerd tegen ziekte of dood. Het impliciete verwijt van voormalig journalist Henri Beunders, nu hoogleraar mediageschiedenis in Rotterdam, maandag 14 augustus in de Volkskrant dat het beeld uit het Midden-Oosten tegenwoordig door Arabieren wordt verzorgd, is dan ook een praatje voor de vaak. Dat al die fotografen, blijkens een onderzoek dat Beunders heeft gedaan, Ali heten, is het resultaat van beslissingen die hun opdrachtgevers buiten de Arabische wereld hebben genomen.

Het eerste gevolg laat zich raden. Dat een Libanees anders kijkt naar de bombardementen op Beiroet dan een Serviër, die op zijn beurt weer anders keek naar de bombardementen op Belgrado, is psychologisch zo vanzelfsprekend dat het verder geen toelichting behoeft. Maar deze outsourcing binnen een commerciële sector als de media, heeft ook een materiële kant. De zogeheten stringers, freelancers die per stuk worden betaald, hangen aan de vislijn van hun afnemers. Ze kunnen een hoop geld verdienen – medelijden is niet nodig – mits ze een scherp oog hebben voor de vraag. En die vraag wil eerder meer dan minder spektakel, liever vuur dan rook. Wie er geen schepje bovenop doet, loopt het risico dat zijn klanten naar de concurrent gaan. Informatie is namelijk handel en dus onderworpen aan de markt, waar nu eenmaal het principe «baas boven baas» regeert. Geweld is op die markt zelfs de bovenste bovenbaas.

In de Volkskrant van afgelopen maandag oppert professor Beunders dat fotografen voortaan al hun ruwe beeld naar hun opdrachtgevers sturen, zodat de redacties het materiaal kunnen controleren. «Drastisch maar simpel», aldus Beunders. Was het maar zo eenvoudig. Het voorstel van Beunders is barre waanzin. Hij weet het zelf, althans als hij zijn eigen carrière als verslaggever tegen het licht zou houden.