Ingehouden hartstocht

Wat zit er in het kistje? Waar is de hoofdpersoon naar op zoek? Het is over het algemeen geen goed teken als de leesmotor draaiende wordt gehouden omdat de schrijver de oplossing van een raadsel in het vooruitzicht stelt.

Medium fabregas landen

Sowieso lijdt de hedendaagse literatuur, aanschurkend tegen de overdonderende aanwezigheid, de gekmakende omnipresentie, de besmettelijke opdringerigheid van ‘het spannende boek’, aan een hopelijk ooit overwaaiende obsessie met geheimen en plots. Ooit leken de zaken toch zo goed verdeeld: je had boeken waarin het raadsel werd opgelost, en je had boeken waarin het raadsel werd vergroot. Met de literaire erkenning voor De passievrucht van Karel van Glastra van Loon, tien jaar geleden, kwam de boel voorgoed op z’n kop te staan. Met die hele zee aan literaire halffabrikaten tot gevolg. Even voor alle duidelijkheid: Laia Fàbregas, de van oorsprong Catalaanse die drie jaar geleden debuteerde met de intrigerende roman Het meisje met de negen vingers, levert geen halffabrikaat met haar tweede roman. Wel leunt Landen tot op de helft te sterk op een clou, waardoor de tweede helft zich niet meer helemaal lijkt te kunnen herstellen. Het einde is daarentegen wel weer heel goed en mooi, waardoor je dit boek niet anders dan met een gevoel van spijt kunt dichtslaan. Wat een gemiste kans. Het is het meest irritante, want meest aanmatigende, wat je over andermans boek kunt zeggen, maar wat hád Landen een prachtige roman kunnen zijn.
In afwisselende ‘zij’- en ‘hij’-hoofdstukken worden de respectieve geschiedenissen verteld van een jonge vrouw die in Amsterdam werkt bij de Belastingdienst en in haar vrije tijd mensen opspoort die op een lijst staan, en een oudere Spaanse voormalige gastarbeider die terugblikt op zijn leven. Het lot brengt hen in het eerste hoofdstuk samen: ze zitten naast elkaar in het vliegtuig van Barcelona naar Amsterdam, zij op weg naar huis, hij op weg naar zijn in Nederland wonende zoon. De man vertelt zijn levensverhaal en blijkt bij aankomst te zijn gestorven, met achterlating van het kistje dat bestemd was voor zijn zoon. In een impuls stopt zijn medereizigster het kistje tussen haar eigen bagage, waarmee ze prompt twee opdrachten in haar leven heeft: ze hád al die lijst met honderd namen die ze successievelijk aan het afwerken was, en nu heeft ze ook nog dat mysterieuze kistje. Moet ze het openbreken, en wat dan?
In interviews heeft Fàbregas er geen geheim van gemaakt dat Paul Auster ‘haar’ schrijver is. Die wetenschap helpt iets om de plaats die het toeval inneemt in haar roman te kunnen begrijpen. Auster heeft van het toeval zo’n beetje zijn persoonlijke poëtica gemaakt. In een wereld die aaneenhangt van ongelooflijke staaltjes van toeval is het de taak van de schrijver goed op te letten en alles vast te leggen. In de romans van Auster worden onverklaarbare gebeurtenissen met elkaar in verband gebracht en op die manier betekenis ingeblazen. Dat het hem lukt daarbij geloofwaardig te zijn, heeft alles te maken met zijn vertelstijl, die heel nabij is en persoonlijk. Of dat nu ‘echt’ is of ‘pseudo’ doet er niet toe, hij weet de schijn van echtheid te bewerkstelligen met zijn manier van vertellen, die tegelijkertijd kuierend en dwingend is.
Fàbregas heeft zo’n vertelstijl niet in huis. De constructie van de plot lijkt zoveel van haar aandacht te vergen dat haar manier van vertellen op een aantal plaatsen nogal gewoontjes is, op het tweedehandse af. De sensatie die de gastarbeider voelt als hij voor het eerst de Philips-fabriek betreedt, beschrijft ze bijvoorbeeld aldus: ‘Ik herinner me nog heel goed het gevoel een nieuwe wereld te betreden. Ik had nog nooit in een fabriek gewerkt, niet eens in een groot bedrijf, ik kende alleen de hoeve en het Café de los Senores.’ Typisch van die zinnen die op geen enkele manier authentiek of pregnant zijn. Daartegenover staat dat haar kale vertelstijl ook heel doeltreffend kan uitpakken en een soort ingehoudenheid teweegbrengt die van zowel haar mannelijke als haar vrouwelijke hoofdpersoon een verdrietig mens maakt. Het zijn mensen die naar hun idee legitieme redenen hebben om zich niet ten volle te storten in het leven dat zich aandient. Het wel willen maar niet kunnen van de personages geeft Landen een aantrekkelijke Kieslowski-achtige zwaarte. Fàbregas is er goed in de ingehouden hartstocht van haar personages een tragische dimensie te geven, door ze te laten snakken naar de aandacht van een verloren jeugdliefde, of een toevallige passant.
Blijft de opzichtige constructie. Op bladzijde 108 is het duidelijk welke loer het lot de ‘hij’ en de ‘zij’ heeft gedraaid. Een te groot toeval om waar te kunnen zijn, tenzij je echt in engelen gelooft. Op zich hoeft dat binnen het kader van deze roman nog niet zo’n probleem te zijn, want de vrouw is sinds haar achtste op zoek geweest naar haar reddende engel. Wat wél een probleem is, is de grote nadrukkelijkheid waarmee naarmate het einde nadert wordt gefilosofeerd over toeval, en of je wel of niet zelf keuzes moet maken. Iets meer schimmigheid zoals die bijvoorbeeld dat andere mooie boek over engelen, Paradijs verloren van Cees Nooteboom, zo onvergetelijk mysterieus maakte, had wonderen kunnen doen voor dit verhaal. Het is jammer dat de schrijfster het klaarblijkelijk niet heeft kunnen laten om uit te leggen waar haar roman over gaat, in veel te klare taal (‘Soms moest je zoeken om het geluk te vinden. En soms werd je zomaar getroffen door tegenspoed zonder dat je die kon ontwijken’) terwijl ze het wel klaarspeelt om het einde toch nog open te houden. Zoals ze het ook voor elkaar krijgt je dan langzaam te doen beseffen dat zich nóg een zoektocht heeft afgespeeld, buiten dit verhaal om. Wat een niet te onderschatten verdienste van formaat is.

Laia Fàbregas
Landen
Anthos, 210 blz., € 18,95