TONEEL Ben ik al geboren?

INGESLIKTE WOORDEN

De grote zaal van Toneelgroep De Appel in Scheveningen heeft er in tijden niet zo sereen uitgezien. Rode vloerbedekking, een tribune met zwarte stoelen aan de vier zijden van het speelvlak. De speelvloer in het midden wordt beheerst door een groot rechthoekig, doorzichtig, opgeblazen althans met lucht gevuld kussen, zo’n drie keer menshoog, met kabels aan de vloer gehouden. In dat kussen, maar dat is het woord niet, misschien is het een doorschijnende vis zonder vinnen maar met een soort staart, binnen in dat gevaarte van plastic bevinden zich zeven in het wit geklede, enigszins lichtgrauw geschminkte figuren, drie mannen en vier vrouwen, of eigenlijk: een man en zes jongens en meisjes, de uitdossing van de jongsten onder hen doet denken aan sommige scènes van de kinderen uit Ingmar Bergmans film Fanny en Alexander. De eerste tien (?) minuten bewegen ze, maken geluiden, spelen ‘bevroren’ tableautjes, ze zingen of zingzeggen, doen plotseling afgebroken spelletjes, produceren niet-verstaanbare flarden van zinnen of woorden – en allemaal binnen het transparante universum van dat kussen dat het zicht op de zeven figuren ook enigszins vervormt. Na tien minuten, of misschien zijn het er toch zes, of twaalf, de tijd is afwisselend aan het vertragen of aan het versnellen, na een aantal minuten klinkt er een heldere stem vlak voordat we de vrouwenfiguur zien die bij deze stem hoort. Ze spreekt een mooie zin, de eerste verstaanbare tekst, zo’n zin waaraan je meteen vast blijft kleven: ‘Het mooiste lezen is wanneer je iets leest wat je al gelezen hebt, alleen weet je dat niet meer.’ Het is de eerste zin van een meanderende tekst gesproken door een vrouw die hardop denkt, althans denkt dat ze hardop denkt, maar die niet weet of ze wordt gehoord, verstaan, laat staan begrepen. Als ze vraagt om een teken van de figuren in de doorschijnende luchtbel, dan krijgt ze dat teken niet. Zij is al ergens anders, die anderen zijn nog wel dichtbij, vagelijk hoorbaar, misschien zelfs nog wel aanraakbaar. Op een bepaald moment vraagt de vrouw of ze al is geboren en misschien gaat dat zinnetje wel over de vraag of ze al is gestorven. Als het enorme kussen na drie kwartier, of is het toch veertig minuten, of vijftig, laten we zeggen op ongeveer driekwart van de voorstelling, opstijgt, als de zeven witte dwaallichten uit de luchtbel zijn bevrijd, verandert er in de noncommunicatie tussen de vrouw en de zeven figuren weinig tot niets. Het is alsof de vrouw mee is opgestegen en van bovenaf naar ze kijkt. Of andersom. Ze wordt de vis vlak voor het meegezogen worden in de waterval, waarover in de aanvang en het slot van de tekst wordt gesproken.
Dit ongeveer maakte ik mee tijdens de vijf kwartier durende voorstelling Ben ik al geboren? (tekst en regie Gerardjan Rijnders). Althans dit vertelde ik toen iemand wilde weten wat ik tijdens de matinee op de dag der Onnozele Kinderen daar in Scheveningen had gezien. Aan wat ik had meegemaakt was ik toen nog helemaal niet toegekomen. Ik was nog doende de waarnemingsscherven van mijn kijken een beetje bij elkaar te rapen, zo goed en zo kwaad als dat gaat te ordenen, liever: ermee te schuiven. Onderdelen van het stille spel in die eerste acht of tien of twaalf minuten keerden later terug, realiseerde ik me, zij het anders geordend, net als de teksten van Sacha Bulthuis die de vrouw Zij speelt, die haar woorden ‘ingeslikte woorden’ noemt, of ‘ik hield mijn mond, ik schikte mijn woorden in’. Ik hoorde mezelf na afloop zeggen dat het decor dat geen decor is (Marc Warning) en de muziek die geen muziek is (Boudewijn Tarenskeen) zo mooi zijn en dat Sacha Bulthuis eigenlijk geen teksten spreekt maar zinnen proeft en dat dat mij niet lang genoeg kan duren. En ik zweeg over dat ik ontdekte dat mijn gezicht nat was toen het licht wegstierf. Dat ik huilde kan ik me niet herinneren. Het zal het spatten van de waterval zijn geweest. Toneel is per slot van rekening ook een beetje toveren.

Ben ik al geboren?,
t/m 31 januari.
www.toneelgroepdeappel.nl