Ingewikkelde en Zeer Ingewikkelde Pa’s (of: bestaat het gelukkige kinderboekgezin nog?)

Kinderboeken door de tijd heen weerspiegelen de geschiedenis van het westerse gezin. Er was een tijd dat gezinnen vooral gelukkig waren. Of moesten zijn.

Denkend aan Kerstmis zie ik kaarsjes in de kerstboom branden. Een harsige sparrenboom door mijn vader uitgezocht en voorzien van een houten kruis en door mijn moeder, broers en mij met zorg ver-sierd. Dan zie ik ook brandende kaarsen op een mooi gedekte tafel vol eten. Ruik ik zoete geuren vanuit de keuken. Hoor ik mijn moeders heldere pianospel. En de woorden van betoverende verhalen die in de woonkamer werden verteld, in de stilte van de winternacht:

Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, oudejaarsavond. In die kou en in dat donker liep er op straat een arm, klein meisje, zonder muts en op blote voeten. In een oud schort had ze een heleboel zwavelstokjes en één bos hield ze in haar hand. Niemand had nog iets van haar gekocht, de hele dag niet. Naar huis durfde ze niet. Haar vader zou haar slaan en thuis was het trouwens ook koud. Ze woonden vlak onder het dak en daar blies de wind doorheen.
O, wat zou een zwavelstokje lekker warm zijn. Ze streek er een af. En nog een. En nog een. De stokjes brandden en gaven licht. En in hun schijnsel zag ze een huiskamer, waar dampende schalen de tafel versierden, waar wel duizend kaarsjes in de kerstboom brandden, waar een gezin de komst van het nieuwe jaar verwachtte…

Dan, wanneer het meisje op nieuwjaarsmorgen dood gevonden wordt, hoor ik een zucht. Een zucht van verlichting, omdat ik degene was die bij die mooie kerstboom zat, met een vader en moeder en dak bo-ven mijn hoofd. Dat warme huis en gezin waarmee Andersens zwavelstokjesmeisje slechts in een visi-oen kennis had gemaakt.
Ergens wist ik natuurlijk wel af van andere kinderlevens in andere tijden en plaatsen. Maar toch, mijn referentiekader was mijn eigen leven en dat van de kinderen uit de buurt en van school. Een kinder-maatschappij die ik terugvond in Astrid Lindgrens huis-tuin-en-keuken-verhalen als De kinderen van Bolderburen.
Toen waren dat min of meer eigentijdse verhalen die een zodanige knusheid en huiselijkheid opriepen dat ik geen moment twijfelde aan het eeuwigdurende samenzijn met mijn ouders, broers en grootouders. Heerlijk was het te lezen hoe Lisa vertelde over haar avonturen met Lasse en Bosse en de buurtkinde-ren uit het kleine Zweedse Bolderburen. Over hun spelletjes, vakanties, picknickuitjes en natuurlijk hun gezamenlijke kerstviering: met het bakken van peperkoek, hakken van kerstbomen in besneeuwde bos-sen, uitpakken van kerstcadeautjes, kaarsjes branden en zingen van kerstliedjes. Net als Lisa wist ik niet beter of Kerstmis zou altijd zo blijven. Spannend en fijn en wonderlijk.
Naïef? Zeker. Maar daarvoor ben je kind. Daarvoor was ik een kind, een kind van de jaren zestig, ze-ventig van de vorige eeuw. De tijd van Jip en Janneke. De tijd dat het gezin nog de hoeksteen van de samenleving was en qua samenstelling een eenduidigheid had die eigenlijk maar van korte duur is ge-weest, met moeder en kroost thuis en vader als kostwinner.
Fascinerend is hoe dat toenmalige gezinsleven zich weerspiegelt in kinderboeken uit die tijd (eind jaren veertig tot halverwege jaren zeventig) en hoe die kinderboekgezinnen bijna altijd gelukkig waren. Dat was misschien niet helemaal overeenkomstig de werkelijkheid en ongetwijfeld een gevolg van de (vol-wassen) naoorlogse behoefte een veilige en onschuldige kinderwereld te scheppen. Toch, in die eerste paar naoorlogse decennia was het institutionele karakter van het huwelijk gewoon nog een feit. In com-binatie met de welvaartstoename – waardoor vaders de fles lieten staan –, sterk verbeterde gezond-heidszorg en dus afname van het aantal wezen, weduwen en weduwnaars is het ‘stabiele’ gezin dat het kind veiligheid en zekerheid verschafte goed voorstelbaar.
In vooroorlogse kinder- en jeugdboeken daarentegen was het onvolledige gezin net zo gewoon als in boeken die vanaf midden jaren zeventig verschenen. Toen niet langer vanwege het vanzelfsprekende armoedegegeven en, bijvoorbeeld, de vroegtijdige dood van de kostwinnende vader (denk aan Theo Thijssens Jongensdagen, uit 1909, waarin Ko en Henk hun moeder in het winkeltje helpen nadat vader is overleden aan tbc), maar omdat vaders en vooral moeders er steeds vaker voor kozen kinderen al-leen op te voeden. Zo heeft Guus Kuijers Madelief (1975) alleen haar moeder, en Polleke (1999) een moeder die ’t met haar meester ‘doet’ en een ‘IP’: een Ingewikkelde Pa met kinderen uit verschillende huwelijken. Polleke’s vriendin heeft zelfs een ‘ZIP’ (Zeer Ingewikkelde Pa): zij is een reageerbuiskind van het zaad van een homoseksuele vriend van haar moeder die is getrouwd met een ‘pappa-achtige’ Evert zonder kinderwens.
Aanvankelijk werden Kuijers boeken – tegen zijn zin – opgemerkt vanwege hun taboedoorbrekende ka-rakter. Tegenwoordig zijn het juist Kuijers humor, stijl en opmerkingsgave die worden geprezen. Want dankzij onze verworven vrijheden kijkt niemand meer op van spermadonors, stiefouderadoptievaders of lesbische ‘meemoeders’ in jeugdverhalen. Lees Marjolijn Hofs recente Moeder Nul over adoptie- en bio-logische moeders, of Het raadsel van groep zes, waarin Judith Eiselin middels een estafetteverhaal over vier kinderen onze Nederlandse gezinsvariëteit schetst en je weet dat alles kan: Surinaamse vaderloze gezinnen met inwonende tantes, Marokkaanse traditionele gezinnen, eenoudergezinnen, sleutelkind-kerngezinnen et cetera.
De gedachte dat kinderboeken door de tijd heen een stuk westerse gezinsgeschiedenis weerspiegelen is een interessante. Ze roept aan het einde van het jaar onherroepelijk de vraag op hoe hedendaagse kinderen, dwalend in hun doolhoven van meervoudig ouder- en grootouderschap, zich later het kerst-feest uit hun jeugd zullen herinneren. Denken zij dan aan schitterende kerstboomlichtjes en hoe span-nend, fijn en wonderlijk hun Kerstmis was, of herinneren zij zich, als ‘moderne zwavelstokjesmeisjes en -jongens’ hun dromen over hoe Kerstmis had kunnen zijn?