Sylvain Ephimenco

Ingezonden brief

Toen ik een paar dagen geleden zijn stukje ontdekte in de rubriek ingezonden brieven van de krant, begon de carrousel der herinneringen in mijn hoofd te draaien. De laatste keer dat ik S. had gezien, was bij de begrafenis van zijn vader op een herfstdag van de vorige eeuw. De vader van S. was gedurende een kwart eeuw ook een beetje mijn vader geweest. Mijn Nederlandse vader. Ik trouwde een van zijn dochters en leerde zijn taal, de dove taal. Over zijn ziekte en zijn dood schreef ik ooit twee stukjes in De Groene. Aan de vooravond van zijn begrafenis kwam de familie bijeen. Ik zie nog hoe de gezichten het halfduister van de woonkamer bevlekten. S. hield in zijn hand een kladblok en maakte aantekeningen. S. was altijd zeer kundig geweest in de regie van grote familie-evenementen. Plots, de pen in de aanslag, vroeg hij me of ik bij de plechtigheden van de volgende dag het woord wenste te nemen en hoe lang ik dacht daarvoor nodig te hebben. Vier tot vijf minuten, zei ik. S. schudde zijn hoofd: te lang. Eerlijk gezegd vond ik dat niet. Ik kon moeilijk die relatie van 25 jaar in drie minuten afsluiten. S. schrapte mijn naam van zijn lijst. Iemand deed het licht aan.

De volgende dag, in een bomvolle zaal waar de kist van mijn bijna-vader lag, luisterde ik in stilte naar de talloze sprekers. Het waren soms jonge mannen en vrouwen die ontroerd vertelden dat ook voor hen de overledene een bijna-vader was geweest. Sommigen hielden een emotioneel betoog dat af en toe de vijf minuten ruim overschreed.

Toen we elkaar leerden kennen, waren S. en ik twee gedreven adolescenten. Hij de progressieve christen uit de calvinistische mal gegoten, ik de anarchist zonder god en meester. Het botste weleens tussen ons, hoewel we het in beginsel ook vaak eens waren. Men fluisterde in deze Nederlandse familie wel dat de zoon des huizes de plotselinge verschijning van een soort halve broer in het gezin nog moest verwerken. Het werd een onschuldige rivaliteit.

Van S. leerde ik veel over Nederland. Bijvoorbeeld dat je hier niet altijd een kat een kat mag noemen. De mooiste anekdote uit deze tijd heb ik al eerder opgeschreven. Het gebeurde toen ik op een dag met een rammelende maag aan tafel schoof en onbevangen zuchtte: «Wat heb ik een honger!» S. berispte me op didactische toon. Honger kon ik niet hebben, honger was voor de Afrikanen, corrigeerde hij me. Voortaan moest ik zeggen dat ik «trek» had. Het is ook uit de mond van S. dat ik voor het eerst het emblematische «doe normaal, dan doe je gek genoeg» hoorde. Nuttige lessen.

Later radicaliseerde S. enigszins. Hij verviel in een soort acute bewondering voor de Surinaamse dictator Bouterse, in wie hij de held ontwaarde die het arrogante Nederlandse postkolonialisme moest afstraffen. Daar kon ik het onmogelijk mee eens zijn. Met het klimmen der jaren leek bij hem de desillusie de plaats in te nemen van oude idealen. De zelfhaat ook. De sociaal voelende jongeman die Rotterdam-West als een uniek laboratorium van multi-etniciteit had bezongen, verhuisde van zijn «multiculturele» buurt naar een blank dorp aan de rand van de stad. Hij was vader van een wit kindje geworden.

Na de begrafenis van zijn vader en mijn scheiding die bijna tegelijkertijd geschiedden, hebben we het draadje dat onze band was geworden niet weten te conserveren. Geruisloos uit zicht verdwenen, als een lege sloep die door stromend water steeds meer van zijn aanlegsteiger wordt verwijderd. Totdat ik zijn ingezonden brief ontdekte. Hij ging geheel over mij. Over mijn «scheldkanonnades» tegen de islam die volgens hem een oproep vormden om op Pim Fortuyn te stemmen. Hij adviseerde me om «eens goed in de spiegel te kijken». Ik sloeg de krant dicht en met een hoofd vol herinneringen liep ik naar de spiegel. Hierin zag ik plots de adolescent van vroeger die het Nederlands nog niet geheel machtig was. En op zijn lippen vormde zich een kort zinnetje, drie eenvoudige woorden: «Ik heb trek.»