Post

Ingezonden brieven

Het vrije woord

Met wat Graa Boomsma schrijft in zijn felle bestrijding van Het complot tegen het vrije woord (in De Groene Amsterdammer van 12 november) ben ik het op één punt na helemaal eens. Dat punt is echter nogal essentieel. Boomsma schrijft, na vermeld te hebben dat hijzelf werd vrijgesproken van belediging van Nederlandse soldaten die tussen 1945 en 1950 in Indonesië hadden gevochten, dat Theo van Gogh hem dat al had voorspeld: «Hij wist dat ik zou worden vrijgesproken omdat hij zelf donders goed wist hoe ver hij kon gaan. Na het rooms-katholieken-proces van Hermans, na het God-als-ezel-proces van Reve en ha het antisemitismeproces van Leon de Winter tegen Van Gogh is het vrijwel uitgesloten dat een schrijver om wat hij schrijft nog voor het gerecht wordt gedaagd.»

Deze passage is voor wat Hermans en Reve betreft zonder meer juist. Ik onderschrijf dat een auteur wel héél ver moet gaan voor hij door een strafrechter tot de orde kan worden geroepen en juich dat toe. Maar de in het citaat besloten gedachte dat ook Van Gogh in het proces waarbij behalve Leon de Winter ook Sonja Barend betrokken was, werd vrijgesproken is niet juist en weerspreekt daarom de mening van Boomsma dat Van Gogh donders goed wist hoe ver hij kon gaan.

Van Gogh had in Maviola: een tijdschrijft tot rust en vreugd in film en cultuur in de aflevering van 20 september 1984 onder meer geschreven: «Sinds ik mijn liefdesconsulent Jurrien Rood vroeg om commentaar in te spreken bij een animatiefilm over twee copulerende gele sterren in een gaskamer, heb ik weinig meer mogen vernemen van deze brandende kwestie» en «Wat ruikt het hier naar Caramel. Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke Joden» en «Moet je horen Jezus, wat dacht je van een vrolijke familiefilm over een klein meisje dat de hele oorlog door de Gestapo belt: Kom me halen! Kom me halen! M’n Dagboek is klaar!… En ze komen niet!!»

Van Gogh werd ten laste gelegd het misdrijf van artikel 137c in het Wetboek van Strafrecht, wat inhield dat hij zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend had uitgelaten over een groep mensen, joden, wegens hun ras en/of hun godsdienst. De zaak heeft lang geduurd, vooral doordat Van Gogh gebruik maakte van zijn recht om bezwaar aan te tekenen tegen de dagvaarding, wat, als het bezwaar gegrond zou worden bevonden, zou leiden tot zijn buitenvervolgingstelling zonder dat er een openbare zitting aan te pas zou komen. Na een lang juridisch traject oordeelde de Hoge Raad op 8 maart 1988 dat de zaak met een openbare zitting van de rechtbank kon aanvangen.

De Amsterdamse politierechter sprak Van Gogh vrij. Het OM ging in hoger beroep. Het gerechtshof vernietigde daarop het vonnis van de politierechter en veroordeelde op 8 december 1989 Van Gogh tot een geldboete van duizend gulden, bij niet betaling of verhaal te vervangen door twintig dagen hechtenis. Daarop ging Van Gogh opnieuw in cassatie. Maar bij het arrest van 11 december 1990 werd zijn beroep verworpen. En daardoor stond dus vast dat Van Gogh, anders dan Hermans, Reve en Booms ma zelf, strafbaar was bevonden.

In eerder genoemd weekblad wordt dat arrest besproken door de hoogleraar strafrecht ’t Hart. Hij leidt zijn bespreking als volgt in: «Inzet vormt een aantal huiveringwekkende passages in een artikel, gepubliceerd in 1984.»

Veel huiveringwekkender nog is de moord op de man die zulke zaken schreef. Maar het staat vast dat die niet gepleegd werd door een persoon van joodse afkomst.

JAN LEIJTEN, Nijmegen