Grrr

Ingezonden brieven

Journalistieke klei

In De Groene Amsterdammer van 8 september schreef Joris van Casteren een prikkelende beschouwing over het vastgeroeste docentencorps op de Utrechtse School voor Journalistiek. Daarin kom ik voor als een van de weinigen die nog journalistieke klei aan de laarzen heeft, omdat ik Utrecht-correspondent voor NRC Handelsblad zou zijn. Die klei is enigszins opgedroogd, want dat correspondentschap is twee jaar geleden beëindigd. (Inderdaad, dit versterkt het betoog van Van Casteren). Storender vind ik dat ik een collega met name genoemd zou hebben, die vrijwel direct na zijn afstuderen docent werd en daardoor onder de maat zou zijn. Het noemen van die naam is volledig voor verantwoordelijkheid van Van Casteren. In ons gesprek is die naam volstrekt niet aan de orde geweest, in directe noch in indirecte zin.

BERT DETERMEIJER, Utrecht
Journalistieke klei (2)

Blij verrast was ik ruim een jaar geleden toen de nieuwe directrice van de Utrechtse School voor Journalistiek op mijn suggestie bleek te zijn ingegaan om een journalistieke adjunct aan te nemen. De gereputeerde Vrij Nederland-journalist Kees Schaepman. Blij verrast ben ik nu om in De Groene Amsterdammer te lezen dat hij alle docenten — nou ja de meeste, want zo is onze Bert Determeijer al correspondent van NRC Handelsblad — graag op stage zou willen sturen om weer eens de wetten en regels van het journalistieke handwerk te ondergaan. Toch een idee dat ik twee directeuren eerder al eens op de burelen deponeerde. Blij verrast ben ik verder door de inhoud van het bewuste artikel in uw blad, dat al wat langer aangeeft wat ik — part timer — in mijn lessen tijdschriftjournalistiek duidelijk probeer te maken aan mijn studenten: De Groene Amsterdammer wordt in de ontlezende markt met zijn lange, ontoegankelijke artikelen en deplorabele beelddenken steeds meer een voorbeeld van een grappig, antiek medium.

Nog even en deze Groene kan — ondanks vaak voortreffelijke tekstuele bijdragen — ten grave worden gedragen.

De Groene kent bijdragen die hele en halve onwaarheden bevatten; bijdragen die op de eindredactie van ons tijdschrift ZIP of bij het School voor Journalistiek-eindexamen geretourneerd zouden worden, omdat ze de essentie niet hebben blootgelegd en omdat ze essentiële journalistieke regels van hoor en wederhoor aan hun laars hebben gelapt.

Mijn «hart» huilt als binnenkort eerbiedwaardig maar definitief afscheid van dit medium moet worden genomen.

Van Casteren kan dan solliciteren naar de functie van redactie secretaris op een van de vele redacties die ik «blauw geduimd» probeer verder te helpen.

PS: Het is wellicht aardig om te vernemen dat ik twee directies terug al pleitte voor de invoering van het Redactiemodel of anders: het tijdens de eerste twee leerjaren invullen en uitvoeren van alle lessen met journalistieke projecten; basis daarbij steeds de oefening van alle vakken, waarbij de vele soorten nieuwsberichten en nieuwsverslagen vertrekpunt zouden moeten zijn, inclusief het trainen van deadlines, het toepassen (jawel Joris) van hoor en wederhoor en het verschijnen van vakken als journalistiek Recht, journalistiek Spaans et cetera.

ANDRÉ NABER, Schermerhorn

parttime docent en journalist-uitgever

Journalistieke klei (3)

Ik las vorige week het artikel Vaklieden gezocht! van Joris van Casteren in De Groene Amsterdammer van 8 september. Het bracht mij in tweestrijd. Allereerst is het altijd leuk om in gerenommeerde bladen stukken van oud-studenten te lezen (dat plezier wordt mij vaak gegund). Toen las ik ook nog dat Van Casteren mij een «gevierd journalist» noemde. Heel goed! Jammer alleen dat hij die lof nodig had als contrast voor zijn typering van het docentenkorps van de School voor Journalistiek dat hij als «vastgeroest» omschreef. Vervolgens las ik een tendentieus, bijna rancuneus stuk waarin wordt gesuggereerd dat van «een kleine honderd docenten» (onjuist, het zijn er veel minder) er «nog geen tien» kunnen bogen op journalistieke ervaring (onjuist, het zijn er veel meer). Het artikel van Van Casteren eindigt met een frontale aanval op een docent die geen gelegenheid heeft gekregen tot wederhoor.

Mijn dilemma? Ik vind de kritiek van Van Casteren op de School voor Journalistiek schraal gefundeerd en bevooroordeeld. Maar doe ik de School voor Journalistiek nu schade door een succesvolle gediplomeerde te betichten van een, hopelijk eenmalig, gebrek aan vakmanschap? Als dat zo is, spreek ik maar liever geen oordeel uit.

KEES SCHAEPMAN, Monnickendam

Durban

«Het is nogal wat om Israël van racisme te betichten», schrijft Joeri Boom in De Groene Amsterdammer van 8 september. Waarom is dat «nogal wat»? Boom maakt nota bene in hetzelfde stuk gewag van het «apartheidsgevaar dat het onderdrukken van de Palestijnen (in de bezette gebieden) met zich meebrengt» en op andere momenten is ook in De Groene Amsterdammer weleens bericht over de systematische onderdrukking van Arabieren in Israël. De Wet op de Terugkeer — die aan alle joden ter wereld het recht geeft zich in Israël te vestigen, terwijl uit Palestina verdreven of gevluchte Palestijnen daarvan uitgesloten zijn — is daarvan de meest stuitende illustratie.

Een ander voorbeeld dat in het oog springt is de bewuste politiek van «verjoodsing», het duidelijkst tot uiting komend in het geannexeerde Oost-Jeruzalem via de – alweer – systematische verdrijving van zijn oorspronkelijke Arabische inwoners. Terugkerend naar de bezette gebieden: het is een understatement om te spreken van apartheidsgevaar. Door de opdeling van de Westelijke Jordaanoever in ruim zestig Palestijnse enclaves, omringd door een stelsel van bypass roads (alleen toegankelijk voor joden), is er een situatie gecreëerd die opvallend veel parallellen vertoont met de voormalige bantoestans in Zuid-Afrika. «Call a spade a spade», dus waarom dan ook niet spreken van een Israëlische apartheidspolitiek?

Dat er in Durban sprake is geweest van verbale excessen is zeker waar en elke antisemitische uitlating dient met kracht verworpen te worden. Maar dat kan toch niet betekenen dat daarmee elk debat over de racistische trekken van het Israëlische optreden in de bezette gebieden en in Israël zelf taboe verklaard kan worden? Al zeker 35 jaar hanteren de Verenigde Naties een definitie van racisme die niet alleen discriminatie op grond van ras of huidskleur omvat, maar ook van afkomst en nationale of etnische afstamming. Misschien hebben de Palestijnen het in Durban niet handig gespeeld — zie ironisch genoeg bijvoorbeeld de slotverklaring waarin slechts in neutrale termen gesproken wordt over «buitenlandse bezetting» (alsof Israël in het bijzonder daar niks mee te maken heeft) — maar het is toch alleszins begrijpelijk dat ze zich zo hebben ingespannen voor een veroordeling van het land dat nu al 34 jaar lang een bezetting uitoefent. De wereld staat erbij en kijkt ernaar, regeringen leggen verklaringen af waarin ze beide partijen oproepen tot «beheersing van het geweld», en intussen gaat de onderdrukking onverminderd voort. Geen wonder dat de Palestijnen «Durban» hebben aangegrepen om hun hart te luchten.

PAUL AARTS, Amsterdam