Inkeer en boetedoening bij Rosenboom

THOMAS ROSENBOOM
ZOETE MOND
Querido, 549 blz., € 22,50

Medium 74989 bijlage 7

De sterkste romantitels openbaren pas hun volle betekenis als je het boek hebt dichtgeslagen. Diende Zoete mond zich aanvankelijk aan als een vreemd vrouwelijke titel voor een nieuwe Rosenboom, na het laatste hoofdstuk zuchtend gelezen hebbende, moet je concluderen dat het een treffend dubbelzinnig beeld is, een even krachtige als sinistere naam, zoals Ian McEwan die een paar jaar geleden gaf aan zijn roman over inkeer en boete, Atonement, vertaald als Boetekleed. Zelfs lijkt het er even op alsof Rosenboom zijn held, dierenarts tegen wil en dank Rebert van Buyten, een vergelijkbare poging tot goedmaken laat ondernemen als McEwans vertelster Briony en de hele roman zomaar opnieuw gelezen zou moeten worden. Maar dat is niet het geval, want Rosenboom is een heel ander type schrijver dan McEwan, en dat is vooralsnog een neutrale constatering.
Anders dan zijn vorige romans, met name Publieke werken (1999) en De nieuwe man (2003), is Zoete mond minder uit op leedvermaak en de bijbehorende hatelijke lach. Weer zijn de helden twee buitenstaanders die tegenover elkaar komen te staan, sukkels pur sang zou je kunnen zeggen, maar dit keer zijn ze niet strevend genoeg om te kunnen sneven en dus uitgelachen te kunnen worden. Ze zijn gewoon vooral zielig. De roman blinkt uit in hemelschreiende taferelen van pesten en gepest worden, van onbegrepenheid en diepe eenzaamheid, alleen maar tijdelijk weg te duwen door inname van drank, gedroomde triomfen en aanhankelijkheid van wezens die niet weg kunnen lopen omdat ze afhankelijk zijn: huisdieren en bediendes.
In Rebert van Buyten schetst Rosenboom met bijna sadistische precisie de wording van een eenling. Zonder dat er nu echt iets genetisch of karakterologisch mis is met deze jongen, hij is alleen en blijft alleen. De mensen in zijn omgeving zijn er alleen maar om – lachend, probleemloos, soepel – zijn isolement nog sterker voelbaar te maken. Het is bijna een godswonder, dankzij een ziek dier, dat deze jongen aan de vrouw geraakt, en dat geluk duurt dan ook niet lang. Met haar verdwijnen ook de enige vrienden die hij had. In het dorpje Angelen, gelegen aan de Rijn, vindt hij, alweer zonder er echt op uit te zijn, een nieuw onderkomen en een nieuwe bestemming. Hij hervat zijn praktijk als dierenarts, zij het als een soort poppendokter. Hij vraagt er geen geld voor, en de dieren waarmee de kinderen uit het dorp naar hem toe trekken, zijn niet echt ziek, hoogstens dood. In het laatste geval speelt hij voor wonderbaarlijk genezer, door het kind een volkomen identiek exemplaar terug te bezorgen en het kadaver zelf stiekem in zijn tuin te begraven. Even lief als krankzinnig.
Zijn tegenspeler is een al even onaangepaste en kwetsbare figuur, misschien wat irritanter op het eerste oog, maar al heel gauw vooral meelijwekkend. Jan Florian Van Zuylen Rothaar, beter bekend als Jan de Loper, is een lokale beroemdheid vanwege de lange voettochten die hij ooit ondernam in voormalig Indië en de grappen en grollen die hij sindsdien is blijven vertonen. Met kennelijk genoegen vergast Rosenboom de lezer op alle flauwe practical jokes die deze figuur uithaalt – variërend van het laten schrikken van voorbijgangers door plotseling een dodenmasker op te zetten tot het iedereen verbaasd doen staan door bij weer en ontij slechts gekleed in ondergoed vanaf een ladder in de vijver te springen. Het zijn twee onmaatschappelijke figuren die zich geen zorgen hoeven te maken om bijvoorbeeld zoiets banaals als de dagelijkse boterham. Rebert niet omdat hij, achteloos en ongezocht, het script schreef voor een Amerikaans zwartgeestig reclamefilmpje en daarvoor een hoop geld ontving, Jan de Loper niet omdat hij kan beschikken over oud geld. Rosenboom vergroot hun onmaatschappelijkheid nog door ze te droppen in een fictief dorpje waar de tijd letterlijk heeft stilgestaan; het verhaal speelt zich af halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw.
In de lezingen die hij een aantal jaar geleden gaf over schrijven, gebundeld in het boekje Aanvallend spel (2002), pleitte Rosenboom voor de schrijver die zich voor zijn roman documenteert. Op die manier kan een schrijver een in eerste instantie vreemde en afgesloten wereld voor de lezer op authentieke en autoritaire wijze ontsluiten. In Zoete mond is deze wet met hem op de loop gegaan, in die zin dat we behoorlijk wat stuitliggingen van kalveren te verwerken krijgen, inentingen van varkens en technische details over ingrepen en medicijnen. Sowieso neemt de schrijver de tijd en de ruimte, hetgeen in combinatie met het licht gedragen taalgebruik, de bezonken introvertie respectievelijk de flauwe grappenmakerij van zijn hoofdpersonages en de oud-Hollandse omgeving waar de vaders aan het werk zijn en de moeders koffie drinken, zorgt voor een permanent aanwezige onderstroom van oubolligheid. Zeker de eerste helft van Zoete mond lijdt aan wijdlopigheid en herhalingen, waardoor de sterke passages verzuipen in een woestenij van wetenswaardigheden.
In Aanvallend spel legde Rosenboom uit dat hij met zijn romans het klassieke poppenkasteffect beoogt: als lezer moet je je hart vasthouden, omdat je de hoofdpersoon zijn ondergang tegemoet ziet gaan, zozeer dat je hem toe zou willen schreeuwen: kijk uit, achter je! Zover komt het in Zoete mond niet, maar dat heeft meer te maken met het feit dat de intrige niet zo eenduidig is. Rebert van Buyten is een passief-agressief type; als hij zijn aarzelende oog op de mooie dorpsgenote Laura laat vallen, en zij naar zijn smaak te enthousiaste verhalen vertelt over Jan de Loper, onderneemt hij wat halfslachtige pesterijen jegens zijn machteloze en hoogbejaarde concurrent. Met twee meelijwekkende outcasts heeft Rosenboom voor een minder duidelijk conflict gekozen, en een dito dreigende ondergang, en toch is een zeker poppenkastgehalte wel degelijk aanwezig. Waar ’m dat in zit? Waarschijnlijk in de kunstmatigheid van het een en ander, de wereld van Swiebertje en Bromsnor, en misschien ook in de afstand tussen de schrijver en zijn personages die niet op iedere bladzijde maar wel op cruciale momenten voelbaar is. Er is onmiskenbaar een de wijze waarop Rosenboom de personages laat bungelen aan zijn touwtjes is die van de onverbeterlijke pestkop. Hij laat zijn held tot inkeer komen, in het hoofdstuk getiteld ‘Verschoning’, en zadelt hem met kennelijk plezier met de grootst mogelijke straf op: het optekenen van het levensverhaal van zijn oude rivaal. Om dat voor elkaar te krijgen zal hij menig uur in zijn gezelschap moeten doorbrengen en hem zien aan te moedigen alle gehate anekdotes opnieuw op te dissen. Voor het eerst valt de term ‘zoete mond’, en onmiddellijk ook is duidelijk dat in die zoete mond het zuur voortdurend op de loer blijft liggen. En hier houdt dan ook de vergelijking tussen Zoete mond en Boetekleed op. McEwan overrompelt de lezer uiteindelijk door hem aan het eind van zijn roman ervan te doordringen dat al het voorafgaande ‘echte fictie’ was, een poging van de boetvaardige hoofdfiguur de geschiedenis te herschrijven. Rosenboom is de ouderwetse schrijver die de lezer inrolt in zijn dekentje van fictie, en hem tot het laatst vermaakt met zijn santenkraam.
Misschien omdat Zoete mond een minder rechtlijnig boek is dan de vorige twee romans, met een magische rol voor een witte dolfijn die op drift raakt, omdat er van die weergaloze zinnen in staan over het kussen van pas geboren kalfjes, het geluk van konijnen en het verlangen de wereld leeg te denken en omdat hij zo’n wreed oog heeft voor alles wat in potentie pijnlijk is, zou je het de schrijver gunnen verlost te raken van die al te strakke manipuleerdrift, de neiging tot karikatuur en groteske nog iets verder in te tomen en het irrationele element vrijer baan te geven. Het sterkst is Rosenboom op dreef als hij met zijn geheel eigen lyriek een tijdloos Arcadië weet te suggereren dat tot grote mildheid stemt, een vreemde oase van goede bedoelingen, kleine zielen en vooral: dierenliefde. Een onvergetelijk beeld schetst Rosenboom van de zandbak in het dorp, waar alle kinderen, geïnspireerd door Reberts praktijk, samenkomen met hun dieren, vervoerd in poppenwagens, op brommers en in dozen. En wat zou je iemand nog kunnen verwijten die zijn romanfiguur, op vakantie op het Schotse vogeleiland Faire Isle, naar papegaaiduikers laat turen en doet opmerken dat ze van die droeve clownsgezichten hebben en poten alsof ze rode waterlaarzen dragen. ‘(…) voor Rebert was het of het vogeltje hem zijn nieuwe laarzen liet zien. “Mooi hoor!” lachte hij tegen de wind in. “Dát zijn mooie laarzen!”’
Dergelijke passages openen even het vergezicht op een ‘echt’ zachte roman van de grootmeester die Rosenboom nu eenmaal is, een roman die minder beantwoordt aan de ooit door hem zelf geformuleerde wetten en die daarmee wat minder steriel is. Want al zijn zijn personages dit keer minder duidelijke strevers, de karikaturale overdrijving van hun gedragingen en eigenschappen is er niet echt minder om. Dat maakt dat, alle hemelschreiende taferelen ten spijt, het echte schreien uitblijft.