Inkeerder

Het is noodzakelijk dat burgers in groten getale inkeerders worden en zich gaan bemoeien met de politieke discussie over marktwerking. Er is tenslotte veel misgegaan. En we moeten aan de toekomst denken.

DIT WEEKEINDE twee woorden gehoord die officieel niet bestaan. Althans niet volgens Van Dale. Toch was van alle twee direct duidelijk wat ermee werd bedoeld. Ze zullen vast de nieuwste versie van het dikke woordenboek halen. Waarbij er één wel eens hét woord van 2009 zou kunnen worden: ‘inkeerder’.Als CDA-staatssecretaris Jan Kees de Jager van Financiën het woord ‘inkeerder’ in de mond neemt, denk je direct aan een goed iemand, een mens met een haarfijn gevoel voor waarden en normen. Dat het vervolgens om iemand blijkt te gaan die op een buitenlandse, geheime bankrekening de belastingen ontduikt, dreigt je daardoor even te ontgaan. Hoeveel jaar en hoeveel geld moet er in het geheim op zo’n rekening hebben gestaan om in aanmerking te komen voor een aanslag van 3,9 miljoen euro?Dat is dan zonder boete. Want daar gaat het bij de inkeerder van De Jager juist om. Een inkeerder is iemand die zijn geweten heeft beproefd en beseft dat wat hij heeft gedaan verkeerd was. Daar moet wel bij gezegd dat hij niet helemaal zonder drang of dwang tot dit besef is gekomen. De staatssecretaris en de buitenlandse banken hebben hem een handje geholpen. Landen als Zwitserland en België overwegen de geheime bankrekeningen minder geheim te maken, waardoor forse boetes en mogelijk zelfs strafvervolging dreigen, ware het niet dat De Jager heeft aangekondigd die achterwege te laten als rekeninghouders zelf hun geheim onthullen. Inkeerder uit welbegrepen eigenbelang.Proef het woord op de tong en het past ook op de top van de ING-bank. Die is uiteindelijk toch tot het besef gekomen dat de bonussen over 2008 verkeerd zijn en vraagt nu beleefd doch indringend aan zijn managers die bonussen terug te geven. Ook hier overigens pas nadat een Kamerlid uit protest zijn rekening bij die bank had opgezegd en bovendien vanuit de Tweede Kamer de roep steeds groter was geworden om de bonussen zo zwaar te belasten dat de ontvangers er niet veel van over zouden houden. Ook PVDA-minister van Financiën Wouter Bos kwam daardoor tot inkeer, nu de ING-managers zelf nog.Maar het woord heeft nog meer potentie. Het past ook bij het inzicht dat er wat heeft geschort aan de vrije marktwerking. Velen zijn druk bezig hun geweten te beproeven om er achter te komen wat dat dan was. De ene inkeerder zal zeggen dat het juist aan een geweten, een moraal ontbrak, waardoor het eerst bij de banken en vervolgens in de wereldeconomie helemaal uit de hand liep. De andere zal de oorzaak zoeken in het ontbreken van internationaal goed georganiseerd en deskundig toezicht. Tussen die twee gaapt meer dan een nuanceverschil.Niet voor niks heeft Wouter Bos, in zijn rol als PVDA-partijleider, onlangs gezegd dat er een politieke discussie zal losbranden over marktwerking: hoe moet die markt eruit komen te zien na deze crisis, hoeveel toezicht moet er zijn, hoeveel regelgeving is nog leefbaar en uitvoerbaar, wie moet dat toezicht uitoefenen – een sterke overheid of is er ook plaats voor georganiseerde burgers – en op welk nationaal of internationaal niveau?Voor de gedachtevorming hierover is een terugblik naar de Gouden Eeuw een eye-opener. Waar iedereen de huidige crisis vergelijkt met de jaren dertig kijkt de Utrechtse hoogleraar economische en sociale geschiedenis van de Middeleeuwen, Bas van Bavel, in een artikel van het blad Christen Democratische Verkenningen verder terug. De Gouden Eeuw blijkt dan minder goud dan wij denken en feitelijk een laatste oprisping voor een periode van economische stagnatie.Volgens Van Bavel nam in de aanloop naar de zeventiende eeuw het welzijn van de modale Nederlander af en de sociale polarisatie toe: ‘In deze periode, waarin de markt dominant werd, waren steeds meer mensen arm, ondervoed, vervuild en uitgesloten.’ Hij ziet de marktwerking als oorzaak, omdat die de sociale verbanden uitholde en de middengroepen verzwakte, waardoor sommige marktpartijen geen tegenwicht meer kregen. Pas toen in de negentiende eeuw mensen zich gingen organiseren in coöperaties, vakbonden en politieke bewegingen, oftewel weer voor tegenwicht zorgden, steeg de levensstandaard van de gewone man en vrouw weer.Wie het artikel leest, ziet als grote vraag opdoemen of er nog wel voldoende en voldoende sterke zelforganisaties zijn om tegenwicht te bieden aan banken, ziektekostenverzekeraars, zorginstellingen, energieaanbieders, werkgevers, schoolbesturen. Vertegenwoordigt een vakbond nog wel de stem van de werknemers en is die vakbond ook op internationaal niveau wel sterk genoeg georganiseerd? Kunnen we volstaan met alleen een sterke overheid om rekeninghouder, zieke, energieafnemer, werknemer en leerling voldoende te beschermen tegen marktpartijen?Dan dringt dat andere, niet-bestaande woord zich op: ‘veroostersen’. Gehoord uit de mond van de Amsterdamse hoogleraar Mario Rutten, antropoloog en Azië-kenner, die in Den Haag een lezing hield over de wederzijdse invloeden tussen het Westen en het Oosten. ‘Verwestersen’ kent Van Dale, het omgekeerde niet. Rutten prikkelde door te opperen dat als het Westen wil weten hoe het er in de toekomst mogelijk uitziet het naar het Oosten moet kijken. Met India op je netvlies zijn onze flexibele werktijden ineens star, de verschillen tussen arm en rijk draaglijker en is de politieke strijd nog fatsoenlijk. Gecombineerd met het betoog van Van Bavel dringt dan des te sterker het besef door hoe noodzakelijk het is dat we in groten getale inkeerders worden en ons in die hoedanigheid met de politieke discussie over marktwerking gaan bemoeien. Uit welbegrepen eigenbelang weliswaar, maar ook dat kan tot goede dingen leiden.