Met alleen milieusubsidies komt de transitie niet dichterbij

Inkomsten door uitstoten

De milieubeweging stapt uit de onderhandelingen van het klimaatakkoord omdat er geen CO2-heffing voor de grote industrie komt. Deze grote uitstoters willen dat de maatschappij miljarden bijdraagt aan haar verduurzaming. De vervuiler die niet betaalt maar haar hand ophoudt.

Velsen, 12 september 2017. De Tata Steel- fabrieken. Er komt een fusie tussen de Europese afdelingen van Tata Steel en het Duitse ThyssenKrupp © John Gundlach / De Beeldunie

Plons… Plons… Plons! Grote balen oud papier vallen om de tien seconden in een stomende en kolkende mega-kuip met water. Een grote zwaaiende plastic staart vist voetballen en Albert Heijn-zakken uit de blubber. Vochtige hitte, de geur van papierpulp en een oorverdovend lawaai vullen de ruimte.

In de volgende hal staat Papier Machine 2 (PM2). De gigantische machine met de lengte van een voetbalveld is de grote trots van de Parenco-medewerkers. Toen het apparaat in 2009 moest worden stilgezet wegens de wegvallende vraag naar krantenpapier hielden zij de machine in leven door hem elke twee weken een paar minuten proef te laten draaien. Zes jaar later, toen er door het private-equityfonds H2 Equity Partners fors in Parenco geïnvesteerd werd, liet het gevaarte zich daardoor gemakkelijk weer opstarten.

‘Wij maken van oud papier weer nieuw papier’, vertelt Parenco-manager Ruben van Haren. In PM2 wordt papier in wording van 99 procent water tot zes procent teruggebracht. Eerst op 8,5 meter brede walsen die zware druk uitoefenen en vervolgens door hitte. ‘We weken de vezels los met warm water en hebben vervolgens een enorme hoeveelheid energie nodig om dat water er weer uit te krijgen. Hoe minder energie we gebruiken, hoe winstgevender we zijn. Dus duurzaamheid zit in onze genen.’

De Parenco-papierfabriek, die deze zomer werd overgenomen door de Ierse papiergigant Smurfit Kappa, is ruim een eeuw oud. De laatste jaren heeft het bedrijf fors geïnvesteerd in het verduurzamen van de processen. Hout is als grondstof vervangen door oud papier. Het gebruikte water wordt tot tien keer gezuiverd en hergebruikt en een biomassacentrale op het terrein, gestookt met papierafval en snoeihout, zorgt voor de benodigde energie. Hierdoor is de CO2-uitstoot van de centrale met een bijna ongelooflijke 88 procent gedaald, van 40.000 ton naar 4800 ton per jaar.

‘Zonder omvangrijke subsidies was de operatie niet mogelijk geweest’, zegt Van Haren. ‘We hadden het bedrijfsmatig zwaar. Zonder steun hadden we waarschijnlijk niet voor vergroening gekozen.’

Een plan om veertienduizend zonnepanelen op de daken te schroeven komt echter ondanks de mogelijke subsidie maar moeizaam van de grond. ‘Die zonnepanelen zullen slechts in één procent van onze energiebehoefte voorzien’, geeft Van Haren als verklaring. ‘Dus je begrijpt dat we dat minder prioriteit geven.’

Bedrijven die hun productieprocessen verduurzamen met subsidie: voorbeelden zoals Parenco zijn er meer. Elk jaar deelt de Nederlandse overheid vele miljarden gemeenschapsgeld uit voor het opwekken van groene stroom, het besparen van energie en het ontwikkelen van schonere technologieën. De bulk van dat geld gaat naar het bedrijfsleven. De industrie is verantwoordelijk voor veertig procent van de broeikasgassen in ons land en we profiteren allemaal van een CO2-neutrale toekomst. Het belastinggeld lijkt dus goed besteed.

Deze week zijn de spanningen bij de onderhandelingen over een klimaatakkoord echter tot een kookpunt gestegen. Met name aan de Industrietafel, waar de grootste vervuilers van Nederland zitten, is sprake van een patstelling. Milieubewegingen eisen een belasting op CO2-uitstoot, een maatregel die al in een aantal landen is ingevoerd en die door veel economen wordt aangedragen als dé oplossing. Volgens een onlangs verschenen studie van De Nederlandsche Bank (dnb) is een directe belasting op CO2-uitstoot verreweg de beste manier voor een snelle en efficiënte energietransitie. ‘Een hogere en breed toegepaste CO2-belasting pakt het probleem bij de bron aan’, aldus het rapport. Industrie en kabinet zijn echter mordicus tegen. Zij zien meer in het uitdelen van nog meer subsidies.

Afgelopen zomer legde de industrie, nog vóórdat ze een concreet plan had ingediend, een eis op tafel van nog eens tien miljard extra subsidie in de komende tien jaar om haar energietransitie te betalen. Een miljard per jaar om de industrie te vergroenen lijkt veel, maar is eigenlijk een koopje. Niet alleen in het licht van de toekomst van onze planeet: de hele operatie zou alleen al kunnen worden betaald uit het overschot op de rijksbegroting van komend jaar.

Geld erbij, en de transitie gaat vanzelf? Zo eenvoudig is het niet, blijkt uit ons onderzoek naar bestaande subsidiestromen en uit gesprekken met subsidie- en innovatiedeskundigen. ‘Als de omslag afhankelijk was van subsidie, had ze al lang plaatsgevonden’, zegt hoogleraar duurzaam innoveren aan de Universiteit Utrecht en oud-pvda-minister Jacqueline Cramer.

‘De industrie neemt het geld aan en belooft van alles, maar heeft subsidies nog nooit gebruikt om haar processen te vervangen’, beaamt haar collega René Kemp aan de Universiteit Maastricht. En Alfred Kleinknecht, emeritus hoogleraar economie van innovatie in Delft, weet zeker: ‘Veel bedrijven die recent nog geïnvesteerd hebben in oudere technologie hebben er geen belang bij om hun investeringen voortijdig af te schrijven.’

We vroegen het ook aan drie subsidieadviseurs die de grootste klimaatopwarmers tot hun clientèle rekenen. ‘Grote bedrijven laten zich niet leiden door subsidies’, zegt Niels Schoorlemmer van PNO Consultants, het grootste subsidieadvieskantoor in Nederland. ‘Het is hooguit een duwtje in de rug’, vult zijn collega John Eisses van Berenschot aan. En Gilles Dillen van Hezelburcht zegt over zijn grootste klanten: ‘Ze kijken vooral naar hun Excel-sheets. De kosten vallen daarin eerder op dan subsidies. Een hogere CO2-prijs zou daarom dwingender zijn.’

De laatste keer, in 2016, telde de Algemene Rekenkamer in documenten van de overheid 179 ‘belastingfaciliteiten’ en 34 ‘belastinginstrumenten’ – ruim tweehonderd verschillende subsidiepotjes met een waarde van bijna honderd miljard euro. Met een spreadsheet van de Rekenkamer hebben we vervolgens een rekensom gemaakt: twee derde van de totale subsidieuitgaven is uitsluitend bestemd voor bedrijven en ondernemers. Maatschappelijke doelen, natuur en cultuur moeten het doen met wat er overblijft. De meeste overheidssteun gaat dus naar de markt, die zichzelf ook zónder steun zou moeten kunnen bedruipen.

‘Een hogere en breed toegepaste CO2-belasting pakt het probleem bij de bron aan’, aldus een rapport van De Nederlandsche Bank

Op het gebied van duurzaamheid bestaan er voor de industrie minstens vijftien regelingen, aldus het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dat het voor ons heeft nagekeken. Van windmolens op zee tot waterstof, van aardwarmte tot groene R&D – het wordt al volop met publiek geld ondersteund. En alle grote klimaataantasters maken er gretig gebruik van, bevestigen de subsidieadviseurs. ‘Over het algemeen worden de potten aardig overschreden’, zegt Eisses. ‘Ze laten het niet lopen’, beaamt Schoorlemmer. ‘Als ze niet meedingen’, legt Dillen uit, ‘lopen ze het risico dat een concurrent met het geld gaat strijken.’

Het probleem is echter: de huidige subsidies worden gebruikt voor het verbeteren van bestaande processen. Niet voor het vervangen ervan. Van alle subsidiepotten die er nu zijn, is er niet één die bedrijven compenseert voor het sluiten van fabrieken, het afbreken van installaties en het ombouwen van hele productieprocessen. Toch is dat wat er onafwendbaar moet gebeuren.

Olieraffinaderijen moeten dicht. Oliebedrijven als Shell kunnen besluiten over te schakelen op de productie van groene waterstof, maar dat kan niet in bestaande kraakinstallaties en vergt forse investeringen.

Staal zal voortaan moeten worden gemaakt zonder kolen. Tata Steel in IJmuiden heeft het voor elkaar gekregen, in een proeffabriekje, om kolen efficiënter te gebruiken, waardoor de uitstoot van CO2 halveert. In India wordt nu een grote commerciële versie van deze zogenaamde ‘cycloonoven’ gebouwd. Een belangrijke verbetering, dus, maar nog lang geen omschakeling.

In de chemie moet olie als grondstof worden vervangen door biomaterialen, van suikerbieten tot groenafval. En plastic moet na zijn gebruiksduur weer worden teruggebracht in het productieproces. Daarvoor moet bij de meeste producenten eerst nog flink worden gesleuteld. En kunstmestfabrikanten moeten de productie van ruwfosfaat (desastreus voor het klimaat) staken. Hun nieuwe uitdaging ligt in de toepassing van koolstoffen, houtskool of dierlijke mest.

Daarbovenop moeten veel industriële installaties ook nog eens worden aangepast voor aandrijving met elektriciteit in plaats van met gas. Zulke ‘systeeminnovaties’ zijn veel ingewikkelder dan productinnovaties, of het hergebruiken van restwarmte, of het besparen van energie.

Kapitaalvernietiging en giga-investeringen dansen als spoken rond de industrie en haar aandeelhouders. Daar helpt geen extra subsidiepotje van een miljard aan. Volgens De Nederlandsche Bank kijkt de financiële sector in Nederland aan tegen een vermogensverlies van 48 tot 159 miljard euro als gevolg van de transitie.

Procesindustrie is gebouwd op zekerheid, veiligheid en continuïteit. ‘Ze wil niet experimenteren. Ze wil alleen off-the-shelf-technieken. Het moet meteen presteren en mag niet stukgaan’, zegt Schoorlemmer van PNO Consultants.

‘Path dependency’, heet dat, zegt Dillen, die als student aan het University College London Energy Institute kennismaakte met de ideeën van Mariana Mazzucato, een van de docenten aldaar. Sinds haar boek The Entrepreneurial State: Debunking Public vs. Private Sector Myths (2013) maakt Mazzucato furore met de vaststelling dat overheden het meeste onderzoek initiëren en daarmee doorbraken forceren waar de industrie vervolgens van profiteert. ‘Bedrijven verankeren innovatie het liefst in activiteiten die voorafgingen. Door de lange geschiedenis van Shell kijken we in Nederland voor oplossingen op de eerste plaats naar moleculen. Dit verklaart ook de Nederlandse focus op waterstof als oplossing voor de energietransitie. Met elektronen hebben we minder.’

Zijn collega Schoorlemmer spreekt van een ‘technologische en ideologische lock-in’. ‘Behalve fundamentele wijzigingen in de technische infrastructuur is er ook een kennisomslag nodig. Je kunt moeilijk tegen een zaal met stoomexperts zeggen: nu gaan we elektrificeren.’

‘De macht van de gevestigde belangen’, noemt emeritus hoogleraar Kleinknecht het. Iets waar de overheid zich overigens niks van aan hoeft te trekken, vindt hij. ‘Edison streed ooit fel tegen de invoering van automatische switchboards voor telefonie, omdat hij had geïnvesteerd in handmatige schakelingen. In Pruisen was telefonie toen in staatshanden en daar werd het automatisch doorschakelen van gesprekken wél snel ingevoerd, omdat de staat zich niets aantrok van de bedrijfseconomische logica.’

‘Ze snappen best dat de wereld al die CO2 niet aankan’, zegt Dillen over de ceo’s die aan de Industrietafel over de toekomst praten. ‘Maar als ze weer aan hun bureau naar hun spreadsheets staren, verstijven ze. De voorspelbaarheid die ze moeten creëren staat haaks op de complete verandering die de klimaattransitie van hen eist.’

Wat óók niet helpt, is dat in Nederland elke euro voor duurzame investeringen wordt tegengewerkt door een euro subsidie op fossiele brandstoffen. De voorbeelden zijn bijna niet te geloven. Om te beginnen krijgt de grote industrie in Nederland haar stroom nagenoeg gratis – ongeacht of deze door kolen of windmolens is opgewekt. Ze betaalt drie cent per kilowattuur (kWh): kleine bedrijfjes betalen twee keer zo veel en huishoudens drie keer zo veel voor hun stroom. Eigenlijk betaalt ze alleen de groothandelsprijs, zonder toeslagen en accijnzen die gewone stervelingen op hun rekening zien. Daarmee is Nederland voor de industrie het goedkoopste stopcontact in de wijde omtrek. In Duitsland en Frankrijk betalen grote bedrijven minstens twintig procent meer voor hun elektriciteit, aldus een recente berekening van adviesbureau PwC, in opdracht (opmerkelijk genoeg) van ezk.

De grote industrie in Nederland krijgt haar stroom nagenoeg gratis. Nederland is voor de industrie het goedkoopste stopcontact in de wijde omtrek

Elektriciteit is hier zó goedkoop, stellen onderzoekers van wise en Greenpeace in een recent rapport, dat de roep van de industrie om een ‘level playing field’ belachelijk klinkt. Nederlandse bedrijven worden juist bevóórdeeld ten opzichte van hun concurrenten in het buitenland.

Andere voorbeelden: oliebedrijven betalen geen belasting over olie die ze gebruiken voor raffinage en olie die ze exporteren – zeg maar zo’n beetje al hun producten. Voordeel: 48 miljoen. Elektriciteitscentrales betalen geen accijns over fossiele brandstoffen die ze verstoken. De vrijstelling voor kolen was in 2012 geschrapt, maar is in 2016 door het kabinet heringevoerd. Voordeel: 189 miljoen.

De duizelingwekkendste subsidie is die aan bedrijven die emissierechten hebben moeten kopen in het ets, het Europese emissiehandelssysteem. Het ets moet grote vervuilers ertoe aanzetten om te investeren in schonere technieken. In het verleden hebben we in De Groene beschreven hoe bedrijven sowieso al veel rechten gratis krijgen van hun overheden, omdat ze anders uit de markt zouden worden geconcurreerd door bedrijven op plaatsen waar de milieu-eisen losser zijn. Nu blijkt er boven op dat cadeau ook nog eens een subsidie te zijn voor bedrijven die zóveel CO2 uitstoten dat ze onverhoopt toch rechten hebben moeten bijkopen. Ze kunnen die kosten compenseren met de Subsidieregeling Indirecte emissiekosten ets. Voordeel: 40 miljoen.

Indirect profiteren multinationals hier natuurlijk ook van de belastingvrijstelling op kerosine voor luchtvrachten en op diesel voor scheepvrachten. Om nog te zwijgen van de investeringen die het rijk en de provincies doen in havens en gasinfrastructuur. In totaal wordt de waarde van alle fossiele subsidies in Nederland geschat op 7,6 miljard per jaar.

De bedragen en de voorbeelden komen uit een rapport dat drie gerenommeerde milieustudiecentra een jaar geleden publiceerden. Een van de auteurs was Laurie van der Burg, die inmiddels bij Milieudefensie werkt, onder andere aan de klimaatzaak tegen Shell. ‘Het was moeilijk precies vast te stellen hoeveel publiek geld er naar fossiele brandstoffen gaat’, legt ze uit. ‘Nederland presenteert die gegevens, in tegenstelling tot Duitsland, Italië, Zweden en Frankrijk, niet in een keurig overzicht. We hebben ook gebruik gemaakt van onderzoeken door het Internationaal Monetair Fonds en de oeso. Het is in elk geval niet zo dat Nederland geen fossiele brandstoffen subsidieert, zoals minister Wiebes beweert.’ In een onlangs verschenen concept van het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan staat letterlijk: ‘Nederland heeft geen fossiele-brandstoffensubsidies.’ Van der Brug: ‘Die uitspraak is belachelijk.’

Oud papier wordt bij Parenco opgelost in heet water © Sjors Roeters

De naam van het beestje verraadt wat de grote industrie van plan is. ‘sde plus plus’, zo wordt de nieuwe subsidiepot alvast in de wandelgangen van de Industrietafel genoemd. De naam duidt op een uitbreiding van de bestaande regeling Stimulering Duurzame Energieproductie Plus. sde+ is veruit de grootste subsidiepot voor duurzame investeringen, met een omvang van twaalf miljard euro per jaar.

Dat geld is nu alleen beschikbaar voor het opwekken van duurzame energie, met biomassa, zon of wind. Een recent voorbeeld daarvan is Coolblue dat met de subsidie twintig voetbalvelden aan zonnepanelen op zijn magazijn in Tilburg laat schroeven. Ook woningcorporaties en boeren kennen de weg naar sde+. Bedrijven kunnen het negatieve verschil tussen hun investeringskosten en hun opbrengsten uit de verkoop van groene stroom tot vijftien jaar lang verhalen op de maatschappij. Dit neemt de drempel om te investeren, de zogenaamde ‘onrendabele top’, weg en heeft afgelopen jaren geleid tot een veilige mix van zonne-, wind- en biomassa-energie.

De regering spreekt van ‘het belangrijkste instrument voor het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie’. Maar de industrie wil de fondsen nu ook voor iets heel anders gaan gebruiken: ccs, het afvangen en opslaan van haar CO2. Volgens subsidiedeskundigen verandert daardoor ‘de hele dynamiek’ van de subsidie en bestaat zelfs de kans dat ccs er straks met het grootste deel van de buit vandoor gaat. Maar het belangrijkste: met ccs hoopt de industrie tijd te winnen, tot haar bestaande installaties over tien of twintig jaar zijn afgeschreven. Tegen die tijd is de transitie echter vele malen duurder dan nu, verwachten innovatiedeskundigen. En wie krijgen dan de rekening? Zelfs de grootste institutionele beleggers ter wereld (totale vermogen 32.000 miljard dollar) beginnen zich zorgen te maken. Op de VN-klimaattop in Katowice, Polen, vragen ze overheden om direct CO2-emissies te verminderen en te stoppen met kolenverbranding. Anders dreigt een financiële crash vele malen erger dan die in 2008.

Moet de vervuiler betalen, of mag hij zijn hand ophouden? Dat is de vraag die de politiek nu moet beantwoorden. Het huidige beleid bevat opvallende tegenstrijdigheden: de liberale regeringspartijen willen de industrie nergens toe dwingen ‘om de markt niet te verstoren’, maar ‘verstoren’ diezelfde markt wel met miljarden aan steun. Met de ene hand geven ze subsidie voor duurzame oplossingen, met de andere houden ze fossiele problemen in stand. Het gevolg is dat grote industrieën nog méér subsidie durven vragen, terwijl ze al enorme voordelen genieten en door de geringe winstbelasting die ze betalen weinig bijdragen aan de pot.

‘De politiek kan niet langer weglopen voor strategische keuzes’, zegt hoogleraar innovatie Jacqueline Cramer, die meepraat aan de regionale Industrietafel in Amsterdam. ‘Welke bestaande industrie wil ze in stand houden en welke nieuwe industrie mogelijkheden bieden? De industrie zelf gaat die knoop niet doorhakken.’

De oud-milieuminister voor de pvda in het kabinet-Balkenende IV vreest dat in de komende verkiezingsstrijd om de provincies en de Eerste Kamer de regeringspartijen vvd en cda weer op hun traditionele stokpaardjes zullen klimmen (de ‘prosecco drinkende Tesla-rijders’ van Sybrand Buma). ‘Terwijl er nu behoefte is aan een heldere industriepolitiek.’

Haar collega René Kemp in Maastricht breekt nog maar eens een lans voor een CO2-belasting. De VN, de Wereldbank, De Nederlandsche Bank, milieuorganisaties, het wnf, een recente Nobelprijswinnaar, vaderlandse economen en klimaatwetenschappers gingen hem allemaal voor. Maar aan de Industrietafel vecht de industrie tegen het idee alsof het de zwarte pest is. ‘Het mooie van zo’n heffing is dat je dan helemaal geen discussies over technieken hoeft te hebben. Dat zoeken de bedrijven dan zelf wel uit, op basis van hun kostenplaatjes. Bovendien kan de overheid de opbrengst gebruiken om de ontwikkeling van doorbraak-innovaties te financieren waarvoor de industrie zelf geen initiatieven neemt. De tijd van afwachten is voorbij. We stevenen recht af op een temperatuurstijging van minstens vier graden.’

Op de Industrietafel ligt nu een onderzoek van CE Delft, besteld door het ministerie van ezk en tot nu toe zorgvuldig geheim gehouden, waarin nóg eens wordt bevestigd dat bedrijven heus niet massaal uit Nederland wegtrekken als ze eindelijk serieus voor hun vervuiling moeten gaan betalen. Waarom niet? Onder andere, stellen de onderzoekers, omdat het subsidieklimaat hier zo gunstig is.


Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877