Een windvlaag werpt een oude man omver; hij duikt voorover en belandt languit op straat, met zijn handen op de stoep, zijn voeten op het zebrapad. De trolley die hij achter zich aan trok, zo’n wagentje van geruite stof om boodschappen in te vervoeren, duikt met hem mee, springt open en braakt producten uit. Suikerklontjes. Een losse banaan. Koekjes. Balance koffiemelk. Even lijkt de aanblik op een goed getimede scène; acteur benut de openbare ruimte om het publiek iets duidelijk te maken. (‘De nietigheid van de mens ten opzichte van de machtige natuur wordt schitterend gedemonstreerd in deze risicovolle performance.’)

Het is de hele ochtend al bijzonder stormachtig. Dakpannen vallen aan scherven op de stoep, plantenbakken kantelen, abri’s rammelen langs de trambaan, plastic tassen dansen rond, stuk gewaaide paraplu’s klapperen vanuit de vuilnisbakken en portieken waar ze achtergelaten zijn, als gehavende vogels die proberen op te stijgen.

Ik ben op weg naar het Natuurhistorisch Museum om een monoloog voor te dragen die ik op verzoek geschreven heb namens de vrouwelijke Octopus vulgaris, een achtarmige die sterft zodra ze haar nageslacht voldoende heeft opgekweekt. Na mijn voordracht zal ik worden geïnterviewd over het onderwerp ‘voltooid leven’. Leven doet niet aan voltooiing, heb ik de inktvis in de mond gelegd, het verandert van vorm. Omdat ik geneigd ben elke bewering die ik doe onmiddellijk te bestrijden weet ik niet of ik het daar zelf mee eens ben. Schrijven is een kant kiezen, een blik richten, iemand overtuigen – het blijft beweren tegen beter weten in. Misschien zal ik me daar nooit mee verzoenen. Terwijl ik de oude man overeind help, zijn trolley opraap, een naderende auto sommeer afstand te houden, de boodschappen terugstop en zijn jas afklop, heb ik het merkwaardige gevoel een rol te spelen. Helpende Vrouw 1. Zoals de oude man opkijkt, zoals hij vloekt, zoals hij trilt; het is allemaal overtuigend. En toch, tussen alle fijne rimpels is een vorm van onverzettelijkheid in zijn gezicht getrokken, zit er felheid in zijn blik, verzet rond zijn mond. Hij ziet eruit als een man die zich niet gemakkelijk omver laat werpen. Slecht gecast, denk ik. Zelfs zijn wankele stappen de stoep op lijken de invloed van een choreograaf te verraden. ‘Godverdomme nog aan toe’, zegt hij.

Vlak nadat ik hem, in harmonische samenwerking met een andere toegesnelde figurant (Helpende Vrouw 2), op een bankje heb neergezet (en de tram die ik moest hebben weg zie rijden) lijkt de stormwind plotsklaps af te zwakken, om daarna volkomen stil te vallen. Een opzichtige, theatrale ingreep. De man haalt een zwart blikje met sigaartjes uit zijn binnenzak en steekt er eentje op; de vlam wappert nauwelijks. ‘Nou’, zegt hij, ‘bedankt dan maar.’

Ik druk hem op het hart voorzichtig te doen, groet hem en besluit dat ik nu net zo goed een stuk kan lopen. De wind houdt zijn adem in, het verkeer heeft zijn weg vervolgd. Ik wil jullie niet tekortdoen, zal ik de inktvis laten zeggen, ik wil niet preken, maar als ik het leven met acht armen los kan laten, ten gunste van een vervolg dat ik niet eens zal zien, dan moet het jullie toch ook lukken met twee.

Wat een geluk dat Holland niet bestaat.

Alleen een tenger land van mist en klei,
alleen miljoenen doden zonder steen,
alleen het ultimatum van de zee.

En wat een troost dat er geen morgen is,
dat er nooit sprake was van sneeuw en hagel,
zon en voorjaarswind – helemaal niks.

Alleen het ultimatum van het licht.

Tot zover het weerbericht.

Stil maar, wacht maar
Menno Wigman
Uit: Het was voorspeld,
Uitgeverij Mozaïek, 2004