Inktkoelies

Ze waren instituten. Ook hun biografieën zijn weer vormen van institutionalisering. Niettemin schreven ze het liefst in opdracht - Simon Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt.

HET WAS EEN staaltje van vriendentrouw dat werd geëtaleerd, twee jaar geleden tijdens een uitzending van De plantage. Het hele programma was gewijd aan de nagedachtenis en betekenis van Simon Carmiggelt. Jeanne Roos was er, Carmiggelt-verzamelaar Pierre Roth en een van de oudste vrienden Wim van Norden. Hot issue was: wordt Carmiggelt nog gelezen? Maar natuurlijk kwam het gesprek al gauw op háár, de heks die het beeld postuum voorgoed wist bij te stellen. Presentatrice Hanneke Groenteman had het over de schok ‘dat hij niet helemaal de family man was die wij dachten’. Waarop Jeanne Roos, vriendin van het eerste uur, riposteerde: 'Hij wás die family man. Hij zou Tiny nooit in de steek hebben gelaten, maar dan ook nooit. Hij zal wel eens meer naast de pot gepiest hebben. Alle mannen die ik heb gekend, hebben dat gedaan. Dus waarom niet Simon?’ Gelach in de zaal. Hanneke Groenteman hield vol: 'Waren jullie geschokt? Waren jullie kwaad?’ Pierre Roth mompelde dat Renate Rubinstein dat boek had geschreven en dat het ook maar haar visie was. 'Nouuu’, zei Groenteman. 'Het is niet alleen een visie.’ Roth: 'Waarom nemen we dat nou meteen zo zwaar? Het is háár interpretatie. Als een man haar gezegd heeft: “Ik vind jou wel aardig”, dan wil dat nog niet meteen zeggen dat hij daar een intieme relatie mee heeft gehad!’ Alom geloei. 'Dit is verblinde liefde’, stelde Groenteman vast. Waarop Wim van Norden met zachte stem het woord nam: 'Voor mij was het een verbijsterende mededeling dat hij lange tijd een zeer intieme relatie had gehad. De letterlijke citaten van hele liefdesbrieven… Voor mij was dat volkomen vreemd. En natuurlijk was ik vooral in mijn kuif gepikt dat ik als een van zijn goede vrienden van niks wist. Er zat een onwaarachtigheidselement in en dat gaf een deuk in de integriteitsopvatting van hem als mens. Dat hij in staat was geweest zo lang een sluw spel van huwelijksbedrog te spelen. Dat vond ik wel moeilijk.’ Opeens lag daar de naakte waarheid: Simon Carmiggelt, die onschuldige droefgeestige man wiens dagelijkse handel en wandel op straat leken te liggen, had zo zijn eigen besognes waar zelfs 'een van zijn goede vrienden’ het fijne niet van wist.
DE ANDERE KANT van het verhaal is dat dat verborgen leven Carmiggelt net het vlees op de botten geeft dat hij wel kon gebruiken. Voor een biograaf wordt hij daarmee ook een aanlokkelijker kluif om de tanden in te zetten; er is tenslotte meer tussen hemel en aarde dan pendules, haringkarren en kelken jenever. Ik was benieuwd hoe Henk van Gelder de affaire-Rubinstein zou behandelen in Carmiggelt: Het levensverhaal. Dat doet hij zo simpel als het maar kan, hetgeen tekenend is voor zijn biografie in het algemeen. Van Gelder schreef een lekker leesbaar boek dat een mooi, consistent beeld schetst van Carmiggelt als tomeloze werker en innemer. Rubinstein was een voetnoot in zijn bestaan. 'In de kus die hij haar bij het afscheid gaf, zag zij een liefdesverklaring.’ Alleen omdat zij er toevallig een boek over schreef, groeide het uit tot iets groters in de verbeelding van de achterblijvers. De biografie van Van Gelder is wat dat betreft te lezen als een rehabilitatie van de echtgenote, zonder wie Carmiggelt onder de tapkast was blijven liggen en na de oorlog tot niet veel meer was gekomen. Tiny was de sterke vrouw, die niet te beroerd was om mee te drinken, maar op gezette tijden ingreep. 'En nu d'r uit allemaal!’
Het mooist, want meest ontroerend, vond ik de hoofdstukken over de oorlogsjaren: de begintijd van Het Parool, het drama van de gearresteerde broer die niet meer terugkwam en de vader die daaronder bezweek. De kleine en grote daden van heldenmoed geeft Van Gelder bevredigend hun plaats. Het is gezien en het zal niet meer worden vergeten, al die schakeltjes in het geheel. Zoals de meisjes met de grote rieten boodschappentassen, die het risico durfden te lopen om pakjes zetsel van Het Parool naar een adres in een andere stad te brengen. Anderen konden dan die spullen naar de plaatselijke drukkerij brengen, zodat ook in de provincie de krant in tienduizend exemplaren kon verschijnen. Niemand wist waar de krant werd gezet en gedrukt, behalve Carmiggelt die in de oorlog door het leven ging als Dick van Schoonhoven. Begin 1945 werd Carmiggelt gearresteerd, met kopij, drukproeven en een exemplaar van Het Parool op zak. Dagenlang zat hij vast, om als door een godswonder weer op vrije voeten te worden gesteld. Nooit heeft Carmiggelt zich over die dagen publiekelijk uitgelaten, schriftelijk noch mondeling.
Voor zover Van Gelder een dramatische kern wil beschrijven van de man wiens werk en gangen hem jarenlang moeten hebben beziggehouden, zoekt hij die in de dood van broer Jan Carmiggelt. Deze bezweek in een strafkamp in 1943. Jan was de favoriet van zijn vader, de jongen die alles goed zou maken. 'Alles tevergeefs’, zou zijn vader hebben uitgeroepen toen Simon hem de doodstijding bracht. Na een maand stierf vader Carmiggelt ook, Simon voor eens en voor al het idee gevend dat hijzelf in tegenstelling tot zijn broer niets voorstelde en niet echt de moeite waard was.
AAN EEN NADERE beschouwing van het sfinxachtige karakter van Carmiggelt heeft zijn biograaf zich niet gewaagd. Carmiggelt poseerde als publiek bezit, wist veel mensen het gevoel te geven dat zij zijn speciale vriend of vriendin waren, maar was in feite niet vertrouwelijk met iemand. Niet met zijn vrouw, niet met zijn vrienden. 'Simon was een afstandelijke man, dat zal iedereen beamen’, zo vertelde een vrouwelijke collega van Het Parool die een tijdlang met hem door het land toerde om gezamenlijk op te treden met gesproken cursiefjes. 'Ik kon heel goed met hem overweg, maar er was nooit iets van vertrouwelijkheid.’
Die vrouwelijke collega was Annie M.G. Schmidt, over wie onlangs ook een dik boek verscheen, Doe nooit wat je moeder zegt: Annie M.G. Schmidt - de geschiedenis van haar schrijverschap, van Joke Linders. Linders concentreert zich in dit boek op de productie van Schmidt en de ontvangst daarvan, maar volgt daarbij ook haar levensloop waardoor ze toch een soort biografie heeft geschreven. Omdat het echter vooral een academisch proefschrift is waarmee een graad moest worden behaald, cirkelen er literair-wetenschappelijke verklaringsmodellen door de tekst waaraan Karel van ’t(Reve, en waarschijnlijk ook Annie M.G. Schmidt zelf, nog heel wat plezier hadden kunnen beleven.
Carmiggelt en Schmidt lijken op het eerste oog verwante geesten van wie je je afvraagt waarom ze niet met elkaar waren getrouwd. Beiden hadden het absolute gehoor voor klein leed en dagelijks getob en vertaalden dat in lichtvoetige 'stukkies’. Beiden bliezen het gewone Nederlands een oorspronkelijk en fris leven in. Beiden beschikten over die zeldzame mengeling van milde spotlust, zacht venijn en persoonlijke ootmoed. Beiden gedijden bij het werken in opdracht. 'Inktbeambte’ noemde Annie M.G. Schmidt zichzelf. 'Omdat een loopjongen het ’s ochtends komt halen’, antwoordde Carmiggelt toen hem werd gevraagd naar de drijfveren van zijn schrijverschap.
BEIDEN TROUWDEN hun beul, in plaats van hun evenknie. De scheppende geest moet kunnen waaien, maar heeft kennelijk ook behoefte aan beknotting. Tiny gooide Simons pick-up het raam uit toen zijn nachtelijke gezwijmel bij Sarah Vaughan haar teveel werd. De echtgenoot van Schmidt zorgde ervoor dat ze zo ver mogelijk van haar Amsterdamse vrienden terechtkwam. Zijn strenge oordeel over haar werk had ze nodig, vertelde ze in 1986 aan Emma Brunt in een aangrijpend gesprek over jaloezie: 'Het is goed als iemand je zo nu en dan wijst op de vluchtigheid van wat je doet en een bepaalde norm handhaaft. Wat je nu doet is onzin. Rotzooi. Daar was ik blij mee.’
Carmiggelt en Schmidt waren niet meer dan bevriende collega’s, en zelfs dat niet heel erg. Voor Annie was Simon 'iemand die een wolk heeft, een prima wolk’. Ze gaf toe er weliswaar zelf ook een te hebben, maar dan eentje die niet waterdicht was. 'Er is makkelijk doorheen te stoten en dan sta ik weerloos.’ En op de schouders van Simon viel niet echt uit te huilen. 'Nee, hij is aardig, maar hij hield zijn wolk bij mij ook altijd aan.’
Carmiggelt en Schmidt leken op elkaar in de mate waarin ze secundair reageerden op de wereld om hen heen. Weinig kon hen echt driftig krijgen, of het moest iets met de oorlog van doen hebben in het geval van Carmiggelt, of met de uitvoering van haar teksten in het theater in het geval van Schmidt. Verder vonden ze dat eigenlijk iedereen gelijk had. Het is dan ook opmerkelijk, maar niet onbegrijpelijk, dat ze allebei in de ban raakten van iemand die vond dat zijzelf vooral gelijk had en daaraan ook hartstochtelijk uiting gaf. Carmiggelt viel op haar intelligentie en schoonheid, Schmidt bewonderde haar vanwege haar uitgesprokenheid en haar lef. Renate Rubinstein droomde op haar beurt dat Simon en Annie haar ouders waren. Carmiggelt slikte zijn afkeer van Weinreb voor haar in. Schmidt werd op haar verzoek, geheel tegen eigen natuur in, lijstduwster van De Groenen. 'De lamme en de blinde’, zo noemden ze zichzelf grinnikend als ze samen uitgingen, schreef Annie M.G. Schmidt in haar herdenkingsartikel 'Renate’ in Vrij Nederland, precies negen jaar geleden. Ze beschrijft hierin de onvermoeibare weigering van Rubinstein om mee te huilen met de wolven in welk bos ook. Maar ook dat ze tegen haar had gezegd: 'Het uitvechten van je persoonlijke rellen… dat keuren Simon en ik af.’
PERSOONLIJKE rellen lagen inderdaad niet voor het oprapen in de levens van Carmiggelt en Schmidt. Voor zover ze er waren - en wiens leven kent geen persoonlijke rellen - zullen ze uitgegraven moeten worden. Zij hadden een publiek gezicht en stonden in het openbare leven boven de partijen. Ze waren instituten, zoals deze biografieën ook weer een vorm van institutionalisering zijn. Voor hartstocht, humor, tegendraadsheid en bondigheid moet je bij de beschrevenen zijn, en niet bij de beschrijvers.
De vraag: 'Zijn ze nog te lezen, wórden ze nog gelezen?’ is in het geval van Annie M.G. Schmidt een overbodige. Haar versjes en kinderboeken behoren tot de activa van menig dagelijks bestaan, en het is niet voor te stellen dat ze daar ooit uit zullen verdwijnen. En Carmiggelt? De Arbeiderspers is onlangs begonnen, misschien in het kielzog van de biografie, twee aan twee bundels Kronkels her uit te geven, in mooie gebonden boekjes. Geïnspireerd door het lezen van zijn levensverhaal nam ik af en toe een van de oude bundels uit mijn boekenkast ter hand. En wat blijkt? Ik moest meteen lachen bij de beschrijving van een ontmoeting op een terrasje tussen de schrijver en twee jonge meisjes die naar hem keken 'als ganzen naar onweer’. Bladerend en her en der lezend wist ik het weer. Die suffe liefheid, die totale landerigheid en af en toe die (glim)lach: ik kan nu doorlezen, maar ik kan ook stoppen. Hoeveel pointes kan een mens per dag verdragen? Het is misschien het Peter-van-Straaten-effect: dagelijkse leukheid maakt achteloos. Geldt dat niet voor de kunstenmaker zelf, dan wel voor zijn publiek.
GEESTIG pasticheert Carmiggelt zichzelf in een Kronkel van 3(december 1953, waarin hij vooruitloopt op een speciale sinterklaaspagina in Het Parool waaraan verschillende vaste medewerkers een bijdrage zullen leveren: 'Zou Kronkel ontbreken? Doet hij dat dan óóit? Ik vat hem voor u samen: Mannetje… binnengesukkeld… ferm petje… kastelein… jongetje… tranen bespet edammertje… draaiorgel buiten… wazige Sinterklaas… mokumse moor… man als een in de storm opgeraapte punaise… “('k Weet niet”, zei ik maar… deur kierde om agent binnen te laten… paard geparkeerd… drink eens uit… schemerige gracht… en het órgel…’
In een bespreking van Carmiggelts biografie in NRC werd gepleit voor de uitgave van een 'ijzersterke selectie’ van de beste Kronkels in plaats van een verzameld werk, om te voorkomen dat hij niet meer gelezen zou worden. Dit klinkt naar een zwaktebod, en bovendien naar iets wat tot indigestie leidt. Carmiggelt moet gewoon compleet in de kast, om af en toe wat in te lezen, en om van dip naar dip plotseling weer naar een hoogte te gaan. Aan hem kleeft nu eenmaal de bedaardheid die iemand als Renate Rubinstein ten enen male vreemd is. Regelmatig herlees ik de gebundelde Tamars, en het blijkt niets uit te maken of zij schrijft over een inmiddels vast en zeker overleden poes, een dito staatsman of een lang vergeten televisieprogramma. Met haar elegante zinnen, scherpe oordeel en geestige formuleringen blijft ze de lezer haar betoog binnenlokken en betovert ze hem acuut. Het is dus toch waar. Heksen blijven drijven.