Voorbij het eigen gelijk #11: Chantal Suissa-Runne

‘Inleving getuigt van daadkracht’

Chantal Suissa-Runne zette Younite op, is bestuurslid van de Liberaal Joodse Gemeente en is betrokken bij verbindingsinitiatieven tussen bijvoorbeeld joden en moslims. Dan ben je al gauw een Gutmensch, maar dat deert haar niet.

Chantal Suissa-Runne – ‘Als je maar weet waar je vandaan komt, en belangrijker: als je maar weet waar je naartoe gaat’

Toen adviseur, trainer en spreker Chantal Suissa-Runne zes jaar was, dreigde ze te verhuizen naar Duitsland omdat haar vader daar een baan kon krijgen. Duitsland, dat was nogal wat. Veel van haar joodse familieleden kwamen om in Duitse vernietigingskampen. Haar opa’s en oma’s overleefden de oorlog, maar beide opa’s werden opgepakt omdat ze in Nederland in het verzet zaten. Haar oma van moederskant zat in Westerbork, Auschwitz, Theresienstadt, Christianstadt en Bergen-Belsen en liep tussendoor mee in een van de beruchte dodenmarsen.

Hoe klein ze ook was, Suissa-Runne snapte dat er iets met Duitsland aan de hand was en dat een verhuizing naar dat land gevoelig lag. Ze besprak de situatie met haar oma, dezelfde die vijf kampen overleefde. ‘Lieve schat’, zei haar oma, ‘je hebt Duitsers en je hebt moffen. In elk volk heb je goede en slechte mensen.’ En toen leerde haar oma haar wat eerste Duitse woorden, zodat ze gemakkelijk met Duitse kinderen in contact kon komen. ‘Dan zeg je: willst du mit mir spielen?’

Suissa-Runne stopt abrupt met vertellen. Ze staat in de keuken van haar huis in Amstelveen en draait zich om naar het aanrecht. Ze rommelt met heet water voor thee en zegt dan zachtjes: ‘Mijn oma heeft zoveel indruk op mij gemaakt. Dan heb je in vijf kampen gezeten en denk je zó. Ik dacht later: wie ben ik om te oordelen over andere mensen als een vrouw die zoveel heeft meegemaakt dat al niet doet?’

Chantal Suissa-Runne (38) hoort soms over zichzelf zeggen dat ze een Gutmensch is, ‘een soort hippie, maar dan wel in een Armani-jas’. Ze moet er hartelijk om lachen: ‘Ik laat me niet in een hok plaatsen.’ Ze weet zelf waarom ze doet wat ze doet, haar oma was haar grote inspiratiebron. ‘Veel mensen die de kampen overleefden zijn hard en wantrouwend geworden. Maar mijn oma is er met zó’n groot hart uit gekomen, dat is ongelooflijk. Voor haar was iedereen goed tot het tegendeel bewezen was.’

Sinds 2012 verhuurt ze zich als adviseur, trainer en spreker via haar eigen bedrijf Younite. Vraag haar wat de rode draad is in haar werkzaamheden en ze zegt: ‘Het is een diepe, diepe wens van mij om mensen bij elkaar te brengen. Ik wil conflicten transformeren – ik zeg bewust niet oplossen. Het is al heel mooi als we meer begrip voor elkaar krijgen, zodat we beter met elkaar kunnen samenleven.’ Ze heeft het druk, de lijst met klussen die we aan haar eettafel in Amstelveen opstellen is lang. Een paar voorbeelden: ze houdt ‘inspiratiesessies’ voor schoolbesturen en -leiders; ze leert docenten hoe ze kunnen omgaan met discriminatie, racisme en radicalisering; ze helpt mee aan het opbouwen van de ‘respectbeweging’ – zierespect.nl – die in 2021 moet uitmonden in het jaar van respect.

Daarnaast is ze betrokken bij nogal wat nonprofit-initiatieven die zich richten op ‘verbinding’, zoals het platform Nieuw Wij en het project 180 Amsterdammers. Ze doet veel samen met moslims, via de vriendenclub Salaam-Shalom, de netwerkorganisatie Mo & Moos en de joods-islamitische dialooggroep in de ambtswoning van de Amsterdamse burgemeester. Ze is bestuurslid van de Liberaal Joodse Gemeente (ljg) met als portefeuille de interreligieuze dialoog. Ze heeft met andere gemeenteleden het project Leer je buren kennen ontwikkeld, waarbij schoolklassen van het belendende roc op bezoek komen in de synagoge.

Dat ze voor soft versleten wordt, het zal haar worst zijn. Het woord ‘verbinding’ gebruikt ze zonder enige terughoudendheid, het is voor haar overduidelijk niet besmet. ‘We kijken tegenwoordig neer op het zachte, het verbindende, het is helemaal uit’, zegt ze. ‘Maar daarmee worden zachte krachten onderschat. Zelden is er door oorlog en strijd een duurzame oplossing voor een conflict gekomen. Met inleving bereik je veel meer, dát getuigt van daadkracht.’

‘Er is zoveel geschreeuw, en polarisatie, het neemt in de hele wereld toe’

De zachte aanpak, met het hele daarbij horende jargon dat uiterst rechts en uiterst links op de vuilnisbelt gooien, is meer dan ooit nodig in haar ogen. ‘Er is zoveel geschreeuw, zoveel polarisatie, het neemt in de hele wereld toe. Overal is een roep om een sterke leider, zorgwekkend. Mijn grootste angst is dat we met z’n allen ontmenselijken, dat we onze menselijke waardigheid verliezen. Als dat gebeurt, valt het doek.’

Ze pleit voor compassie, net als de Britse religiewetenschapper Karen Armstrong die al jaren bezig is dat woord af te stoffen. Suissa-Runne wist niet dat ze op dezelfde lijn zit als Armstrong, ze kwam erachter toen ze zich in haar verdiepte. Deze avond zal ze een bijeenkomst leiden met Armstrong, die in Nederland op bezoek is. Ze loopt alvast op pumps en in een nette jurk door het huis, tussen de bakjes met kattenvoer en het kinderspeelgoed door.

‘Compassie is empathie op afstand’, legt ze uit. ‘Echte empathie kun je niet met de hele wereld hebben, het is doodvermoeiend als je je in iedereen moet inleven. Empathie is voor mensen dichtbij, voor je familie, vrienden, mensen die je kunt spreken en aanraken. Compassie is voor mensen ver weg, die kun je hebben met bevolkingsgroepen, mensen met een ander geloof, landen. Compassie kan de wereld veranderen.’

Haar pleidooi is voor haar een ‘existentieel ding’. Vroeger op het schoolplein kon ze het al niet aanzien hoe kinderen werden gepest of buitengesloten. Van jongs af aan had ze het gevoel dat ze moest opkomen voor mensen die dat zelf niet kunnen. De leiderschapsrol paste haar, ze was klassenvertegenwoordiger en zat in de medezeggenschapsraad. ‘Het komt door mijn familiegeschiedenis’, zegt ze. ‘Ik ben een kind van oorlogskinderen.’

Haar vader is van 1936. Haar moeder werd geboren in 1946, maar ook haar zou je een oorlogskind kunnen noemen, als dochter van een vrouw die vijf kampen overleefde. ‘Dat is de echte rode draad in mijn werk: het idee dat mijn leven ertoe moet doen. Er is bij mij thuis nooit met een woord over gerept, maar het voelt als een morele plicht. We zijn er nog, we have to matter. Ik kan niet dagenlang op de Bahama’s rondhangen.’

Haar familiegeschiedenis toont ook de onzinnigheid van het hokjesdenken. Haar familie is grotendeels joods, maar de genen komen overal vandaan. Van vaderskant heeft ze een Portugees-joodse oma die trouwde met een niet-joodse Duitser die haar de naam Runne gaf. De familie van moederskant is Oost-Europees, een overgrootvader werd geboren in Riga, een overgrootmoeder in Krakau. Zelf is Chantal Suissa-Runne getrouwd met Arik Suissa, een man met een Marokkaans-joodse vader en een Surinaams-joodse moeder. Ze hebben twee dochters, van wie vrolijke foto’s in de boekenkast staan.

‘Hokjes zijn superrelatief’, zegt ze. ‘Er zit zoveel meer achter mensen dan wat je aan de oppervlakte ziet. Iedereen heeft een verhaal.’ In haar geval is dat een oorlogsverhaal en hoe de overlevenden daarna verder gingen. Het leed kondigde zich voor de oorlog al aan toen haar Duitse opa Runne in Nederland verliefd werd op haar oma Edith Rodrigues-Pereira en dat aan zijn broer in Duitsland per brief meedeelde. Zijn broer schreef terug: ‘Hoe kun je je verbinden met een Untermensch?’ Opa Runne verbrak alle contact en verbood later ook zijn kinderen naar de familie in Duitsland te zoeken.

‘Als ik aandacht van mijn vader wilde, moest ik een discussie beginnen’

Tijdens de oorlog woonden de Runnes in Zeist. Oma was zwanger van haar vierde kind toen opa werd opgepakt voor zijn medewerking aan een verzetskrant. ‘Mijn vader maakte als kind mee dat zijn vader werd weggehaald en dat de Duitsers naar mijn oma riepen: “Vuile jodin, we komen jou nog halen.”’ Edith Rodrigues-Pereira zag er joods uit maar stond nergens als zodanig geregistreerd, waardoor de Duitsers haar alsnog met rust lieten. Opa Runne werd gemarteld in de Weteringschans, het huis van bewaring in Amsterdam. Hij moest namen noemen van zijn collega’s bij de verzetskrant, maar hij liet niets los. Na hun capitulatie lieten de Duitsers hem als allerlaatste gaan.

Haar opa van moederskant zat in Amsterdam in het joods verzet. Hij werd twee keer opgepakt en ontsnapte twee keer, één keer uit het pand van de beruchte Duitse inlichtingendienst in wat toen de Euterpestraat heette. Er kwam een geldprijs op zijn hoofd te staan en hij dook onder. Zijn kersverse joodse bruid Regine Bremer deed alsof ze patiënt was in een ziekenhuis, maar werd verraden. Zo begon haar tocht door de hel, te beginnen in Westerbork en eindigend in Bergen-Belsen.

Na de oorlog zou ze nauwelijks praten over wat ze had meegemaakt. Als meisje vroeg Suissa-Runne haar één keer: ‘Oma, sliep je in Auschwitz onder, midden of boven in een stapelbed?’ Ze antwoordde in de derde persoon: ‘Jouw oma sliep boven. Daar had je wel veel luizen, maar in de bedden eronder had je last van diarree van de andere gevangenen.’ Suissa-Runne: ‘En toen keek ze me heel raar aan en begon ze te snauwen: “En nu Schluss.”’

Suissa-Runne kreeg meer informatie van tante Miep, een vriendin van oma. Samen hadden ze de tocht langs de vijf kampen gemaakt. ‘Wat heeft jullie er doorheen gesleept?’ had ze gevraagd. ‘Een grote dosis mazzel en vriendschap’, zei tante Miep. Ze trokken met vijf vrouwen op en deden alles voor elkaar. Tante Miep werkte in de keuken van Auschwitz en stal eten voor iedereen. Toen ze een keer boter in haar onderbroek had verstopt, werd ze tegengehouden door Duitsers. De boter smolt en droop langs haar benen omlaag, ze was doodsbang dat ze werd gesnapt. Het gebeurde niet en ze moesten er achteraf met z’n allen om lachen. ‘Ongelooflijk toch? Ze lachten in Auschwitz’, zegt Suissa-Runne.

Ze ontdekte dat er nog iets was wat haar oma op de been hield. ‘Ze was zó verliefd op mijn opa, ze wilde kinderen met hem, ze wilde hem terugzien. Vriendschap en liefde zijn oerkrachten.’ Hoe mooi ze dat ook vindt, ze verbaast zich er soms nog steeds over dat haar oma de oorlog overleefde. ‘Ze was een warme, lieve, kwetsbare vrouw. Ze had altijd last van haar enkels en liep nog geen honderd meter als het niet nodig was. Hoe kon zij die dodenmars lopen? Ze moet een allesomvattende levenskracht hebben gehad.’

Een jaar na de oorlog gebeurde waar haar oma van had gedroomd: er werd een dochter geboren. Ze zou pas op de lagere school van een medeleerling horen dat ze joods was, haar ouders hadden haar dat nooit verteld. Toen ze ouder werd, verdiepte ze zich in het joodse geloof. Ze wilde per se trouwen met een joodse man en vond er een met een Duitse achternaam. In 1980 kregen ze dochter Chantal, die opgroeide in Den Dolder en Bilthoven. De verhuizing van het gezin Runne naar Duitsland ging niet door. De oma die vijf kampen overleefde had er geen problemen mee. Het was opa die tegen haar moeder zei: ‘Jij bent zonder familie opgegroeid. Wil je dat je kinderen aandoen?’

Zo kwam het dat de vader van Suissa-Runne in z'n eentje naar Duitsland vertrok, waar hij werkte als vliegtuigbouwkundig ingenieur. Geregeld kwam hij thuis. ‘Mijn vader heeft een groot hart, maar is niet zo van de knuffels en de kusjes. Als ik z’n aandacht wilde, kon ik maar beter een grandioze discussie beginnen, dus dat nadenken over de wereld is ook uit emotionele nood geboren. Mijn eerste discussie met hem had ik op mijn elfde. Die ging over de doodstraf. Hij was voor, ik tegen.’

‘De joods-islamitische relatie kan heel warm, heel liefdevol zijn’

Haar oma compenseerde veel. ‘Ze had aan de rand gehangen, ze had angsten en kon niet slapen, maar ze was het licht van de familie. Het leven moest je vieren, daar leefde ze voor. Mijn opa en oma waren niet rijk, maar ze spaarden hun geld en gaven dan een feest voor iedereen die wilde komen. Alle merken sigaretten en drank werden gehaald, mijn oma danste zelfs een keer op tafel. Ze gaf iedereen aandacht en liefde.’

Volgens haar vader was religie opium voor het volk, maar ze kreeg genoeg mee van de joodse én christelijke tradities. ‘In de voorkamer stond een chanoekakandelaar, in de achterkamer een kerstboom. In joodse kringen ligt een kerstboom tegenwoordig gevoelig, er wordt gezegd dat het verwarrend is voor de kinderen, je moet kiezen. Ik ben het er niet mee eens. Ik heb een fantastische jeugd gehad, met kerstboom, chanoekakandelaar, matzes en paaseieren. Nooit enige identiteitscrisis ervaren. Als je maar weet waar je vandaan komt, en nog belangrijker: als je maar weet waar je naartoe gaat.’

Ze studeerde European Studies aan de Universiteit van Amsterdam en kreeg in 2006 haar droombaan: ze werd coördinator van Stichting Interculturele Alliantie, wat inhield dat ze uitsluitingsmechanismen op middelbare scholen aanpakte. ‘Toen is de bal gaan rollen, omdat ik zag dat het lukte iets te veranderen.’ Ze begeleidde een tijd een klas op een middelbare school in Amsterdam-West met veel moslims. Ze maakte mee dat een jongen uit de kast kwam, dat een meisje vertelde dat ze eigenlijk een jongen was en dat een ander meisje moslima werd. ‘Als je een veilige basis creëert waarin iedereen zichzelf durft te zijn, komt er een andere dynamiek in een klas.’

De ervaring dat ze iets kan veranderen, heeft ze na die tijd veel vaker gehad. Joden en moslims hóeven niet vijandig tegenover elkaar te staan, vooroordelen over en weer kúnnen verdwijnen. ‘Ik heb een deel van de moslimgemeenschap in mijn hart gesloten, er zijn echt persoonlijke vriendschappen ontstaan. De joods-islamitische relatie kan heel warm, heel liefdevol zijn. We delen het gevoel voor de gemeenschap, de spijswetten, hoe de kalender werkt… Er is een natuurlijke band.’

Altijd al had ze moslimvrienden. In de dorpen waar ze opgroeide waren geen andere joden dan zij en haar familie, wat een band schiep met anderen met een afwijkende achtergrond. Ze was ook gewoon nieuwsgierig. Ze citeert de talmoed: ‘Wie is wijs? Hij die van iedereen leert.’ Tijdens een jaar in een kibboets in Israël ging ze om met islamitische bedoeïenen. Haar mede-kibboetsbewoners snapten het niet, bedoeïenen waren volgens hen dieven. Het maakte haar nog meer vastberaden.

Soms ervaart ze haar drang om te ‘verbinden’ als dweilen met de kraan open. Er zijn zo weinig joden in Nederland en zoveel moslims – 45.000 tegenover bijna een miljoen. En er zijn zoveel vooroordelen, merkt ze bijvoorbeeld als er schoolklassen met veel moslims bij de Liberaal Joodse Gemeente op bezoek komen. Joden zijn rijk, ze hebben de macht in de wereld, die clichés hoort ze geregeld.

Aan de andere kant: ‘Vrede bereik je met één persoon tegelijk.’ En daarom gaat ze door, sinds 2012 met haar eigen bedrijf. Haar inspanningen werden al ruimschoots beloond, bijvoorbeeld tijdens de Gaza-oorlog in 2014 toen de relatie tussen joden en moslims in Amsterdam op scherp kwam te staan. Joden kregen verwensingen naar hun hoofd van moslims die hun de Israëlische bombardementen op Gaza kwalijk namen.

In die tijd kreeg Suissa-Runne een telefoontje van imam Marzouk Aulad Abdellah van de Al Kabir-moskee in Amsterdam: ‘Lieve Chantal, wat kan ik voor je doen?’ Ze antwoordde: ‘Zeg alsjeblieft in een preek dat moslims kritiek mogen hebben op het beleid van Israël, maar dat ze zich niet moeten afreageren op joden in Amsterdam.’ Aulad Abdellah deed wat ze vroeg en hij riep andere moskeeën op zijn voorbeeld te volgen. Ze waardeerde het zeer. ‘Zonder onze persoonlijke band was dit nooit gebeurd.’

Zo zijn er meer publieke acties geweest als gevolg van persoonlijke contacten. Toen bij een moskee in Amsterdam-Noord een onthoofde pop werd gevonden, kwamen moslims én joden langs met bloemen en knuffels. Nadat een man met Palestijnse vlag de ruiten van joods restaurant HaCarmel had ingeslagen, ging een gezelschap van Mo & Moos er eten. Suissa-Runne was erbij: ‘We wilden laten zien dat we voor vriendschap staan.’ De restauranteigenaar, een Marokkaanse jood, bleek tot ieders hilariteit beter Arabisch te spreken dan de moslims aan tafel.

‘Dat is zo’n ander geluid dan politici die tegen de joden zeggen: wij beschermen jullie tegen die vreselijke moslims. Het is de tragiek van joden in Nederland: op rechts worden we gebruikt om moslims te bashen, op links worden we gezien als halve kolonisten. Het hoeft niet zo te zijn. Abraham Heschel, een Amerikaanse theoloog en filosoof, trok op met Martin Luther King, ze liepen samen vooraan in de civil rights march. Waarom zou dat nu niet meer kunnen? Minderheden moeten elkaar vasthouden, solidariteit is belangrijk.’

Ze zegt het nogmaals: ‘Zo’n beweging is harder nodig dan ooit. Het vraagt om moed en het betekent dat niet iedereen je aardig vindt. Maar dat is dan maar zo.’