Klassieke muziek - Naum Grubert

Innerlijke aandacht

Pianist Naum Grubert vertolkt Chopin met een ernstige melancholie die de luisteraar bijna de adem beneemt. Het is alsof het de noten van Grubert zelf zijn geworden.

Ik hoorde in het Concertgebouw de Russische pianovirtuoos Arcadi Volodos in Schumanns Papillons, Klavierstücke Op. 76 van Brahms en Schuberts pianosonate in A-groot D959, in shock van het kunnen. Een godswonder hoe hij verborgen stemmen isoleerde, met een teder zoeklicht op intieme Schubert-zones tot onmogelijke zachtheidsgraden kwam, verbanden hoorbaar maakte die ik 35 jaar over het hoofd zag. Volodos, wereldster onder de zijnen, wordt in Amsterdam op straat alleen herkend door de bezoekers van de Grote Zaal. Kunstenaars bestaan niet.

Een nog onbekendere soldaat, non-existent buiten zijn reservaat, is de in Riga geboren en in Moskou opgeleide pianist Naum Grubert. Hij geeft les in Amsterdam en Den Haag, treedt weinig op, heeft geen cd-contract bij een groot label. Wie hem op straat tegenkomt zonder te weten wie hij is, ziet een man met een geheim over het hoofd. Dat wordt onthuld op een nieuwe dubbel-cd met werken van Chopin, die pianist en opnameregisseur Daan van Aalst meesterlijk vastlegde voor zijn eigen label Navis Classics.

Grubert koerst strikt persoonlijk op zijn eigen sterren aan het firmament, te hooi en te gras met de systematiek van de toewijding: Etude Op. 25/7, de Tweede sonate Op. 35, de Derde en Vierde Ballade, drie nocturnes, vijf mazurka’s, als toegift de Wals Op. 69/2 in b-klein. Wat zou Grubert zich nog in Chopin begraven, na alle Rubinsteins, Horowitzen en Zimermans die er al onvergetelijk en voor de eeuwigheid hun ziel en zaligheid in legden? Om dezelfde reden: dat het zijn noten zijn geworden. De schijnbare herhalingsoefening is een zelfportret. Grubert maakt er in het booklet, dat een uitvoerig interview met hem bevat, een waardevolle opmerking over: ‘Elke nieuwe tijd werpt een nieuw perspectief, dat relevant blijft zolang het spiritueel is verbonden met de tijd waarin de muziek werd geschreven.’ Maar die geest is nooit volledig reconstrueerbaar, waarschuwt hij, en daarom is hij zo sceptisch over de authentieke uitvoeringspraktijk: ‘Zoals Heraclitus zei: je kunt niet twee maal in dezelfde rivier stappen.’ Dit wordt zijn rivier en dat is een stille, brede, opgeruwd door felle valwinden, rust en ruimte zoekend waar het kan.

In de Chopin-vertolker Grubert hoor je merkwaardig genoeg iets terug van de gelauwerde Schubert-interpreet die hij ook is, een overeenkomst die de stabiliteit van zijn muzikale persoonlijkheid onderstreept. Je proeft een niet-geaffecteerde, ernstige melancholie met de aandrang die in de kleine stukken gedekt geladen in de toon en in het tempo kruipt, dat bij Chopin altijd moet klinken alsof het lichte weerstanden moet overwinnen – de bergen die geen bergen mogen zijn, omdat rivieren moeten blijven stromen. Zo, onder een stolp van innerlijke aandacht, treft Grubert wonderlijk exact de waardigheid van een lyriek die bij Chopin alleen op de piano werkt, het slagwerkinstrument dat toch moet zingen. Wanneer de luisteraar zich haast een indringer begint te voelen is het goed.

Toen dacht ik aan Volodos terug. Zijn Schubert was zo ongeschonden, pijnloos wonderschoon geweest, een overwinning op de fysica. In de Chopin van Grubert zitten slijtplekken. De Tweede sonate is een benige aangelegenheid, die met de kracht van virtuozen willens en wetens moeizaam wordt bevochten. Ook geen idee hoe hij het klaart, maar hier voel ik veel sterker wie de speler is – en ik ben niet verbijsterd, des te meer getroffen. Vind hem, voor hij weer in het niets verdwijnt.

Naum Grubert, Chopin Recital (Navis Classics)