Innovatie

Barack Obama probeert zijn land tot een race aan te zetten door te spreken over het Spoetnik-moment van de huidige generatie. Hiermee verwoordt hij de zorgen over de opkomst van China als economische mogendheid en wil hij grotere investeringen in onderzoek en ontwikkeling wettigen.

Maar het is niet een race om een achterstand goed te maken maar om koploper te blijven. Nog steeds kan Amerika bogen op innoverende, hard groeiende multinationale ondernemingen als Apple en Google.
Als er in de Verenigde Staten al zorgen over innoverend vermogen zijn, dan zou je in Nederland toch paniek verwachten. Al meer dan vijftig jaar kent Nederland eenzelfde ranglijst van multinationale ondernemingen. U weet wel: Shell, Philips, Unilever et cetera. Hun positie op de ranglijst wordt niet bedreigd: Nederlandse banken zijn terug bij af, namelijk Nederland, en TomTom heeft wel eens een mooiere toekomst gehad. Het probleem is te herleiden tot een gebrek aan onderzoek en ontwikkeling. In Nederland investeren bedrijven grofweg evenveel als de overheid, maar in de VS wordt 2,5 keer zo veel geïnvesteerd. In de afgelopen tien jaar is die verhouding tussen private en publieke investeringen in Nederland verslechterd, terwijl in andere landen die verhouding is verbeterd. China is daarbij een in het oog springend voorbeeld.
Nederland is ook ingehaald door Italië en Spanje en bijna door Portugal. Het probleem is verder dat met name kleine en middelgrote bedrijven weinig investeren in onderzoek en ontwikkeling. De helft van de Nederlandse investeringen gebeurt door slechts zeven grote bedrijven. Kortom, met weinig investeringen door maar weinig bedrijven is niet te verwachten dat Nederland veel nieuwe bedrijven en een hoge economische groei voortbrengt.
Een hogere staatsschuld - maar verre van een Zuid-Europees niveau - geeft aanleiding tot politieke paniek; maar over lagere investeringen in onderzoek en ontwikkeling onder Zuid-Europees niveau heerst rust en kalmte. Terwijl toch niet de hoogte van de staatsschuld maar het gebrek aan investeringen het Nederlandse potentieel aan economische groei in gevaar brengt. Zo wordt er in Den Haag gesteggeld over hoeveel euro’s er wel of niet naar de Europese Unie mogen, maar niet over de besteding van die euro’s. Een Europese euro minder aan landbouwsubsidies en meer aan onderzoek en ontwikkeling: dat zou pas een zegen zijn. Maar nee, het debat over groei en innovatie vindt plaats in de altijd even rustige en kalme commissie van Economische Zaken, met parlementariërs die u niet kent. Zo kan het Spoetnik-moment voor Nederland nog even op zich laten wachten, vrees ik.
Het kabinet wil naar eigen zeggen ‘naar de top’. Dat hoeft niet snel, zo lijkt het. Het kabinet is begonnen met aardgasgelden niet langer voor onderzoek en ontwikkeling in te zetten maar voor - u raadt het al - reductie van de staatsschuld. Wel heeft het kabinet, ingefluisterd door de werkgeversorganisatie VNO-NCW, gekozen voor tien topsectoren waarvoor ondernemers en onderzoekers zelf het beleid mogen voorstellen. Ik ben nieuwsgierig naar de voorstellen. Want het uitgangspunt dat ondernemers en onderzoekers moeten samenwerken, is zo slecht nog niet. Het onderzoek aan Nederlandse universiteiten is van goed tot hoog niveau. Maar de onderzoeksresultaten leiden wel tot wetenschappelijke publicaties en nog veel te weinig tot praktische toepassingen. Zo blijven mogelijkheden onbenut en innovaties achterwege.
Praktische, innovatieve toepassing van onderzoek vereist een verandering bij universiteiten en hun wetenschappers. Dat is essentieel om te komen tot een samenwerking met onderzoekers. Nu is het zo dat de wetenschappers zich voornamelijk richten op publicaties in toptijdschriften en citaties door (collega-)wetenschappers. Het gevolg: wel onderzoek maar liever geen onderwijs of ‘ontwikkeling’. Die laatste activiteiten gaan ten koste van hun tijd voor onderzoek en daarmee van hun reputatie. Sterker nog, wetenschappers met een stukje in de krant wordt ijdelheid verweten en wetenschappers met een eigen bedrijfje worden van bijklussen verdacht.
Zoals bonussen bankiers winst op korte termijn hebben laten najagen en het belang van de klant hebben doen vergeten, leidt het motto ‘publish or perish’ tot een universitaire verenging en maatschappelijke verarming. Ook de Nederlandse economie lijdt daaronder. Het zou voor innovatie goed zijn als wetenschappers in de loop van hun carrière een eigen bedrijf starten, in een bedrijf deelnemen of hun kennis aan bedrijven en bedrijfjes overdragen. Juist dan wordt het gat tussen wetenschappelijk onderzoek en praktische innovatieve toepassing daarvan gedicht. De vooraanstaande universiteiten in de Verenigde Staten laten zien dat het een uitstekend met het ander samengaat.
Ook wetenschappers nemen deel aan een race, maar ze racen de verkeerde kant op. En zo wordt de Nederlandse achterstand in innovatie niet kleiner.