Nederlandse kenniseconomie moet gaan concurreren

Innovatie naar Fins model

Nederland heeft sinds deze maand een Innovatieplatform waarover premier Balkenende hoogstpersoonlijk de scepter zwaait. Met Finland als voorbeeldkenniseconomie moeten we weer gaan concurreren met de wereldtop. Eenvoudig zal het niet worden.

Philips zag in de jaren tachtig geen heil in mobiele telefoons. Dat waren van die logge apparaten die je alleen in noodsituaties gebruikte om mee te bellen. Het bleek een grandioze misser van het Eindhovense bedrijf. Het Finse Nokia, in die tijd nog vooral producent van rubberlaarzen en papiersnippers, begreep de wensen van de moderne mens beter en gokte dat de wereldbevolking massaal zou vallen voor de mobiele telefonie. Gesteund door een overheidsbeleid gericht op de ontwikkeling van technologie groeide het bedrijf uit van een bijna failliete allesproducent tot ’s werelds marktleider in mobiele telefoons. En Finland ontwikkelde zich tegelijkertijd tot voorbeeldkenniseconomie.

Finland moest wel. Het land werd getroffen door een dubbele mokerslag. Eerst kwam de wereldwijde economische crisis, vervolgens viel de Sovjet-Unie uit elkaar, waarmee in een klap de grootste afzetmarkt voor Finse producten ineenstortte. De Nederlandse regering zocht de oplossing in die crisistijd via het Akkoord van Wassenaar in loonmatiging.

De Finnen maakten een andere keuze. Zij waren bereid tot grote veranderingen en richtten de blik volledig op een nieuwe toekomst: ze begonnen te investeren in onderwijs, onderzoek en technologie. Het motto: hoe beter de bevolking is opgeleid, hoe groter de kansen op vooraanstaande successen. Ook toen de werkloosheid na de val van het sovjetregime enorm steeg, bleef de Finse overheid de ingezette lijn volgen. Kortom, ook in dubbel zware tijden werd niet gesneden in onderwijs en onderzoek. Dat was een van de succesfactoren van Finland.

Waar Philips het in de technologiewedloop liet liggen, wil de Nederlandse staat het nu goedmaken. Naar Fins voorbeeld — het land kent al sinds 1986 een Science and Technology Council, voorgezeten door de minister-president — heeft Nederland sinds deze maand een Innovatieplatform gekregen, waarover premier Balkenende hoogstpersoonlijk de scepter zwaait. Naast de ministers van Economische Zaken en Onderwijs hebben vertegenwoordigers van de universiteiten, hogescholen, kennisinstellingen en het bedrijfs leven zitting in het platform. Het gaat het kabinet adviseren hoe de voor de kenniseconomie vrijgemaakte miljoenen besteed dienen te worden.

Een beetje actie kan ook geen kwaad. De deze maand gepresenteerde Kennismonitor van Stichting Nederland Kennisland vermeldt dat Nederland langzaam wegkwijnt. Was Nederland dertig jaar geleden nog een wereldtopper wat betreft investeringen in onderwijs en onderzoek, nu bungelen we in vergelijking met andere Oeso-landen onderaan. Komt dat door de recessie? Nee, er lijkt meer aan de hand. Volgens het Global Competitiveness Report 2002 van het World Economic Forum tuimelde Nederland ook op de ranglijst van innovatie en technologie naar beneden: van de achtste naar de 21ste plaats.

Moet Nederland eigenlijk wel een kenniseconomie worden? Het antwoord op deze vraag luidt: ja. Kennis is de motor van economische vooruitgang. Een hoog opgeleide bevolking is een belangrijke troef bij het in Nederland houden van de zogenoemde «knowledge based industries». Met het onvermijdelijke vertrek van het eenvoudige, laag geschoolde werk naar lagelonenlanden moet Nederland zich richten op hooggeschoold werk. Een andere mogelijkheid is er niet.

Terug naar Finland. Waarom is juist dat land het grote Nederlandse voorbeeld en niet Sillicon Valley of Singapore — toch ook twee topspelers in het internationale technologieveld? Qua bevolkingsomvang (vijf miljoen inwoners) en economische structuur lijkt Finland tenslotte nauwelijks op Nederland. De overeenkomsten liggen vooral in het feit dat Finland een verzorgingsstaat is. En dat is een bewuste keuze: volgens de Finse filosofie is innovatie gebaat bij vertrouwen en zekerheid.

Maar het «Finse model», zoals de voorstanders het liefkozend noemen, bestaat uit meer dan een sociale zekerheid en een innovatieplatform. Het leunt op een aantal pijlers. De eerste is onderwijs — het land kent een goed opgeleide bevolking. Finland heeft geen groot tekort aan leraren en geen vervallen school gebouwen. Alle leraren hebben een academische titel en bovendien is het onderwijs gratis, van kleuterschool tot universiteit. Kwaliteit wordt gestimuleerd door zware toelatingsexamens voor het academisch onderwijs te houden, waar slechts twintig procent van de aanmelders doorheen komt. Iedere opleiding kent een numerus fixus — degenen die het niet halen rest een hbo-opleiding of een nieuwe poging het jaar erna.

De tweede pijler is het onderzoek aan de universiteiten en kennisinstellingen. Om het onderzoek niet te sterk te fragmenteren zijn speerpunten vastgesteld. Met zogenoemde Centers of Excellence probeert Finland creatieve en efficiënte onderzoeksomgevingen te scheppen voor excellent onderzoek. Opvallend daarbij is de intensieve samenwerking tussen kennisinstellingen en het bedrijfsleven. Tekes, een organisatie gefinancierd uit overheidsgelden, krijgt een jaarlijks budget om toepassing van kennis door het bedrijfsleven te stimuleren, en omgekeerd om onderzoeksvragen van marktpartijen onder te brengen in wetenschappelijk onderzoek. Dat lukt aardig: bijna de helft van de bedrijven werkt samen met de universiteiten. In Nederland is dit nog geen tien procent.

Innovatie is de derde pijler. De meeste Finse universiteiten beschikken over een scoutbureau dat bijhoudt welke onderzoekers waarmee bezig zijn en hoe dat vordert. Daardoor wordt de universiteit een broedplaats voor nieuwe — en vooral: toepasbare — technologie. Om technostarters vervolgens de kans te geven de markt te veroveren heeft Finland een publieke investeerder, Sitra, die geld beschikbaar stelt voor startende ondernemingen.

Dit klinkt veelbelovend. Maar hoe reëel is het om Nederland aan Finland te spiegelen? We kunnen belangrijke lessen trekken uit de Finse ervaringen zodat Nederland, zoals de Kennismonitor enigszins hoogdravend schrijft, «in 2010 weer een land is dat bruist van ideeën en ondernemerschap, een land waar iedereen die dat wil zich helemaal suf kan leren, een internationale hotspot voor talentvolle kenniswerkers». Nederland kan leren over de afstemming van onderzoek op de vraag vanuit de markt. Of over de noodzaak van deregulering. Over het belang van het maken van keuzes, omdat we immers niet op alle vakgebieden excellente onderzoeksprestaties kunnen leveren.

Maar er zijn ook kanttekeningen bij de toepasbaarheid. De belangrijkste is misschien wel dat er een significant verschil is tussen Nederland en Finland in de houding ten opzichte van techniek. Finland is een ingenieursland waar de bevolking zich haast kritiekloos achter de innovatiedoelstellingen van de overheid schaart. Een kwart van de studenten volgt een technische opleiding. In Nederland is dat nog geen tien procent — in de EU heeft alleen Italië minder afstudeerders in bèta en techniek.

Nederland heeft een grote dienstensector, en bovendien heeft techniek hier een serieus imagoprobleem. Bèta is niet sexy, hoe erg beleidsmakers en marketingbureaus hun best de afgelopen twintig jaar ook hebben gedaan. Sterbeurzen voor excellente leerlingen en campagnes als «Thea studeert techniek» en «Kies exact» hielpen niet. De instroom aan de drie TU’s daalt nog steeds.

Dat levert voor de zo vurig gewenste kenniseconomie een serieus probleem op. Want daarvoor zijn op korte termijn veel nieuwe ingenieurs nodig. Omdat zelf opleiden nu eenmaal tijd kost is het enige alternatief om de kenniswerkers uit het buitenland over te laten komen. Maar de rem op immigratie die de laatste kabinetten stevig hebben aangetrokken houdt dit tegen: universiteiten en multinationals klagen steeds meer over de moeilijk heden die ze hebben om voor hun buitenlandse studenten en medewerkers een visum te bemachtigen. Kenniseconomie betekent ook openstaan.

Daarnaast is de Finse kenniseconomie verregaand gedepolitiseerd. Instellingen als Tekes en Sitra, die grote sommen geld te verdelen hebben, hebben een grote zelfstandigheid. Bovendien is er weinig hindermacht en is de bureaucratie vergeleken met Nederland klein. Daardoor is het eenvoudiger om strategische beslissingen te nemen voor de lange termijn. Het is de vraag of een dergelijke autonomie in polderend Nederland eenvoudig kan worden gerealiseerd.

Het grootste gevaar voor Balken endes Innovatieplatform is daarom dat de deelnemende partijen zich niet committeren aan de uitkomsten. Kunnen Maria van der Hoeven en Laurens-Jan Brinkhorst het eens worden wie de eindverantwoordelijkheid over het technologiebeleid krijgt? Kan rector-magnificus Frans van Vught van de Universiteit Twente — lid van het Innovatieplatform — leven met het opheffen van een paar van zijn vakgroepen omdat ze in Delft nu eenmaal verder zijn? En kan Shell-topman Van der Veen tijdens een vergadering van het platform zijn mond houden wanneer «energie» geen eigen Center of Excellence krijgt? Het ergste is te vrezen.

Ten slotte: het Finse model leunt zwaar op het succesverhaal van Nokia. Daardoor is het verleidelijk om innovatie met technologie te verwarren. Maar laat Nederland zich vooral niet storten op de steeds groter wordende markt voor gadgets — nog kleinere came raatjes in nog kleinere mobiele telefoons — maar de innovatie ook richten op de dienstensector, de zorg en het onderwijs.

Toch valt ook bij technologie winst te behalen, maar dan moeten de pijlen wel worden gericht op maatschappelijk relevante terreinen zoals duurzame energie of watermanagement. Hier kunnen we zeker een les van Finland leren. Daar is milieutechnologie sinds 2000 de sterkst groeiende sector.