Architectuur

Inpassen en aanhelen

Architectuur: Theo Bosch

De naam van de architect en stedenbouwkundige Theo Bosch (1940-1994) is onlosmakelijk verbonden met stadsvernieuwing en (sociale) woningbouw. Knokken voor de stad luidt niet voor niets de ondertitel van een onlangs verschenen, driedelig overzicht van zijn werk. Bosch was erg goed in dat knokken: hij moest zich staande houden tussen gemeentebestuur, ontwikkelaars en buurtcomités, die alle drie uitgesproken en vaak onverenigbare ideeën hadden over de «vernieuwde stad». Bosch’ belangrijkste wapenfeit op dit gebied is de reconstructie van de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, die goeddeels gesloopt was voor de aanleg van de metro. Het verzet, vooral van bewonersgroepen, waarmee hij te maken had, is onvoorstelbaar in een tijd waarin Amsterdam geruisloos grote stukken van de westelijke tuinsteden kan afbreken en Rotterdam onbekommerd een hele wijk, Tussendijken, met de grond gelijk maakt. In de jaren zeventig – hoe ver lijken ze nu! – liepen de emoties hoog op.

Jaren niet alleen van idealisme, maar ook van een tergend moralisme. Een zelfbenoemde inquisiteur als Aldo van Eyck, met wie Bosch enige tijd samen een bureau had, stond klaar om gebouwen te verdelen in «goed» en «fout», waarbij in «fout» de echo doorklonk van bloedhonden en razzia’s. En dan al die leuzen. «De stad moet doordringen in het gebouw.» Weldra bleek dat niet alleen de stad in die gebouwen doordrong, maar ook allerhande onwelkome individuen, zodat er alsnog toegangshekken moesten worden geplaatst. «Functiemenging»: het combineren van wonen en werken. De winkeltjes in de voet van woongebouwen staan nu veelal leeg of leiden een zieltogend bestaan. «Een levendige plint», «direct contact met de straat». In het Pentagon, zijn bekendste wooncomplex in Amsterdam, heeft Bosch een aantal woonkamers op de begane grond pal aan de openbare ruimte gesitueerd, waardoor de bewoners dag aan dag het schouwspel van hun eigen leven moeten opvoeren, dan wel permanent de gordijnen dicht houden.

Het moralisme van Van Eyck en de zijnen stond niet toe dat er historiserend gebouwd werd, waardoor de Nieuwmarktbuurt een paradoxaal karakter heeft: enerzijds is nauwgezet het oude stratenpatroon hersteld, maar aan die straten staan uitgesproken «moderne» gebouwen. Iets vergelijkbaars doet zich voor in de Amsterdamse Jordaan, aan de Palmdwarsstraat, een van Bosch’ meest bezongen «invullingen» in de oude binnenstad. De ronde dakbeëindiging verwijst voorzichtig naar oude halsgevels, maar dat is dan ook de enige concessie aan de omgeving. De plattegronden zijn uitgekiend (een sterk punt van Bosch; zo bedacht hij ook de «trisonette», een huis over drie verdiepingen), maar de buitenkant van het gebouw met zijn betonnen lateien en grauwe trappen doet uitgesproken schraal aan. Sla de hoek om en zie de detaillering van zelfs het nietigste geveltje: een stukje terugspringend metselwerk, een kleurband, een sluitsteentje, een aardige roedeverdeling van de vensters, een uitstekend balkje onder de dakgoot. Het is minimaal, maar een weldaad naast Bosch’ armeluismodernisme.

Anders dan in dit boek gesteld wordt was Bosch, naar mijn smaak, bepaald niet de meester van het «inpassen» of «aanhelen» in oude binnensteden. Hij miste daarvoor de finesse. Veel beter was hij in het bouwen van wijken naast of aan de rand van een oude omgeving, zoals «De Boogjes» in Dordrecht en woningcomplexen in Deventer en Nijmegen. Ze paren ruimtelijkheid aan intimiteit en komen juist door hun «vrije» ligging, onbezwaard door een historische context, optimaal tot hun recht. Over een aantal andere gebouwen van Bosch, met als bekendste de Letterenfaculteit in Amsterdam, valt het nodige te zeggen, ten goede en ten kwade, en zo ook over zijn verdiensten als planoloog. In de schrijver van dit boek, Marcel Teunissen, heeft hij in elk geval een enthousiaste kampioen gekregen, al zal de lezer het met sommige van diens oordelen van harte oneens zijn.

Deze uitgave markeert het tienjarig bestaan van de Stichting BONAS, wat staat voor Bibliografieën en Oeuvrebeschrijvingen van Nederlandse Architecten en Stedenbouwkundigen. Deze stichting, gelieerd aan het Nederlands Architectuur Instituut in Rotterdam, ontsluit de archieven van dat Instituut in een reeks voorbeeldige monografieën, waarvan er nu zo’n 35 verschenen zijn, en in een steeds groeiende databank, waarin de oeuvres van meer dan tweehonderd architecten geraadpleegd kunnen worden. Daarnaast beheert ze een algemeen toegankelijke website, een schatkamer voor iedere in Nederlandse architectuur geïnteresseerde. En dat allemaal op een slof en een oude voetbalschoen. De rijkssubsidie bedraagt 25 duizend euro per jaar en loopt af op 1 januari 2009. Daarna zal er iets verloren gaan dat niet alleen uniek in Europa is, maar, voor zover mij bekend, in de hele wereld. Dat mag niet gebeuren.

Marcel Teunissen_Theo Bosch: Knokken voor de stad_ Stichting BONAS, e 39,90 www.bonas.nl