Insekt amputaties van de ziel

Stefan Hertmans, Naar Merelbeke; Uitgeverij Meulenhoff/Kritak, 191 blz., f34,90.
In de vroegste tijd, toen de goden zich nog in de omgeving van de mensen waagden, vermomden ze zich graag als stier aan de rand van het water, met hun schitterende witte huid en hoorns van edelstenen indruk makend op de meisjes die langs de hellingen bloemen aan het plukken waren.

Zo wist Zeus Europa te schaken. Maar op de eerste bladzijde van Hertmans’ roman is God ter aarde gekomen als een onooglijk insekt en neergestreken op de blouse van een vertellertje dat op de langste dag van het jaar aan de oever van een oude vaart in het Vlaamse land ligt te soezen. Hij schrikt er van op, het vertellertje, en ziet met enige ongerustheid hoe God naar de vierde knoop van zijn hemdje strompelt, daar blijft zitten en hem in ogenschouw neemt. De wereld kantelt. Wat even daarvoor nog oneindig ver leek, is nu ineens zeer nabij. Maar voor God moet de afstand van de derde naar de vierde knoop onmetelijk zijn, zijn gele lijfje kan zich in de ademstoten van de jongen nauwelijks overeind houden, het is alsof het in de mistral terecht is gekomen. En op het moment dat de jongen met Hem, in zijn microscopische gedaante, in verbinding wil treden om hem eindelijk de vragen te kunnen stellen die hem al zo lang op het hart hadden gelegen, springt het beestje behendig als een grasvlo van zijn hemd naar de punt van zijn schoen en verdwijnt het, meedrijvend op de zomerwind, voorgoed uit zicht.
Daarna gebeurt er iets merkwaardigs. Het vertellertje aan de oever van de oude vaart had al vanuit zijn ooghoeken gezien dat er iets niet klopte met God, het miste een achterpoot, waardoor het de weg van de ene naar de andere knoop hinkepotend had moeten afleggen. Die gewaarwording had zo'n indruk op het vertellertje gemaakt dat de waarneming als vanzelf een plastische vorm aannam, en wel heel curieus in de vorm van een gemis. Want nadat het insekt de wijk had genomen, was de jongen ingedommeld en wakker geworden, en toen voelde hij zijn rechterbeen tintelen en merkte hij tot zijn consternatie dat het zich allengs van zijn lichaam losmaakte en na een laatste stuiptrekking gewoonweg op de grond bleef liggen. Misschien was er die hete zomermiddag in het Vlaamse land geheel iets anders gebeurd, iets wat de jongen zich helemaal niet kon voorstellen, iets onbevattelijks en schrijnends tegelijkertijd, zo onbevattelijk zelfs dat zijn fantasie hem wegleidde van een pijnlijke ervaring. Wat die pijn veroorzaakte, wordt allengs beetje voor beetje in de rest van de roman duidelijk gemaakt.
Maar van meet af aan is duidelijk dat de lezer het vertellertje langs de wonderbaarlijke werelden van de mythe, de fantasie en de herinnering zal moeten volgen. De suspense van de roman wordt telkens voelbaar in de overgangsdomeinen waar het jongetje in zijn verzinsels van de wereld van zijn herinnering oversteekt naar de korenvelden van zijn fantasie en zijn droombeelden, die hun voedingsbodem hebben in oude prentenboeken en vooral in die van de mythen. Alle boeken die Hertmans de afgelopen vijftien jaar heeft gepubliceerd -dichtbundels, essays, verhalen -vertellen van dat fenomeen dat in de wereld van de mythen misschien een oeroude angst heeft vastgelegd: de wereld van de metamorfose, waarin alles voortdurend aan verandering onderhevig is en elk idee van continuiteit ontbreekt. Zoals de mythen eertijds zouden kunnen worden gelezen als de verhalen van dissonanties, van inbreuken op de natuurlijke orde, waarin telkens weer bloemenplukkende meisjes worden geschaakt, zo lijken ook de verhalen en gedichten van Hertmans de sporen te zoeken van een samenhang tussen onvergelijkbare grootheden. Want zoals God in het eerste hoofdstuk van deze roman het rechterbeen heeft geschaakt, zo lijken ook al de koortsachtige vertelsels niets anders te zijn dan ingewikkelde vertalingen van de pijn die door amputaties van de ziel is veroorzaakt. In Hertmans’ verhalen botsen de beelden van buiten- en binnenwereld als schotsen op elkaar.
In Naar Merelbeke vormt de scene van het vertellertje aan de rand van de oude vaart in eerste instantie de opmaat voor een zo langzamerhand zeer vertrouwde geschiedenis van een jeugd op het Vlaamse platteland. Op de achterzijde wordt gewag gemaakt van een pastiche op een van de opvallendste thema’s van de Vlaamse literatuur: dat van de eigen roots. En inderdaad vinden we in dit boek de bekende ingredienten die we steeds weer terugvinden in de boeken van al die schrijvers die gehoor geven aan hun verlangen hun eigen kleine versie van Prousts Op zoek naar de verloren tijd te schrijven. Dus ook in de roman van Hertmans vinden we de familieportretten waarin de merkwaardige oom een prominente plaats inneemt, de eerste verliefdheid, de zwerftochten door het verzonken landschap uit de jeugd, opgetekend met citaten in het plattelandsdialect dat aan dergelijke verhalen zo niet een exotische dan toch altijd een authentieke dimensie geeft. Maar bij Hertmans verdwijnt het proustiaanse verhaal met zijn smaak van madeleine-koekjes naar de achtergrond - het is niet veel meer dan een decor, waaraan alleen de lezers zich zullen vergapen die van mooi gestileerde vergezichten houden. Want de familieanekdoten worden hier verteld door middel van het beproefde genre van de groteske, waardoor ik bij het lezen eerder moest denken aan Gust Gils dan aan Leo Pleysier.
Het eerste deel van het boek lijkt nog het meest op de zoektocht naar de verloren tijd. Het vertellertje is van het dromerige type, kind van eeuwig verliefde ouders (denkt hij, als kind al mythologiserend), dat zijn weg zoekt door de boeken die hem naar onbekende landen brengen. Zijn fantasie omringt hem met fabeldieren en brengt hem op het zekere spoor van magische stenen. In zijn fantasie verenigt hij twee werelden die in de praktijk van het leven onverenigbaar zijn. De ene wereld is die van alledag, de ander is de wereld van de voorgeschiedenis, nog bevangen van de schrik toen de dieren voor het eerst aan land kwamen. Op verschillende manieren wordt die dissonantie in de roman verteld. In de passage bijvoorbeeld waarin het jongetje in de tussenkamer van het ouderlijk huis placht te luisteren naar het largetto van Handel, dat een onuitwisbare indruk op hem maakte en waarvan hij de stemmen probeerde vast te houden ‘een breekbare draad van onachterhaalbare betekenissen, van dingen die bijelkaar hoorden zonder dat ik de sleutel van hun verband kon vinden’. In die periode werd een oude vloer in de tussenkamer weggehaald, en juist in die tussentijd, voordat de nieuwe vloer werd gelegd, heeft zich een indruk van ongelijke grootheden die op een raadselachtige manier bij elkaar lijken te horen zich in zijn herinnering vastgezet: een gevoel van onpasselijkheid, 'de ervaring om in een duistere kamer te zitten waar de tegels veranderden in bosgrond, een kathedraal die een groene wei omsluit’.
In een andere passage voelt hij de nabijheid van de voorwereldlijke sensatie wanneer het water van de overstroomde rivier tot aan de drempel van zijn huis is aangewassen. Hij kan de verleiding niet weerstaan het water binnen te laten door de deur te openen, tot ontsteltenis van zijn ouders, die moeten schrobben en vegen en met afgrijzen de verwoesting aanschouwen die het binnenstormende water in het interieur heeft aangericht. Vele malen zal het in het boek voorkomen dat het jongetje bemerkt dat zijn fantasie twee dingen uit elkaar deed gaan die hij niet zou kunnen verenigen: de vurige sensatie die in hem iets teweeg kon brengen en dan de spijt over wat hij er de anderen mee aandeed.
De roman neemt een groteske wending wanneer de broer van zijn moeder opduikt, zijn oom uit Doornik, met wie het vertellertje zich meer dan met zijn vader identificeerde, zozeer zelfs dat het de vraag is of hij de fantasie van het verloren been niet van hem heeft afgekeken. De oom zou zich later in Rouen vestigen omdat de vrouw die hij trouwde er vandaan kwam. Deze oom is een mengeling van een martiale en clowneske figuur die met zijn charmes de vrouwen het hoofd op hol weet te brengen, maar die op een groteske manier in het harnas zal sterven. Alleen al om de beschrijving van die hilarische dood zou men de roman moeten lezen.
Even grotesk is de wijze waarop zijn vrouw wraak neemt op zijn buitenechtelijke escapades. Maar navrant is het geheim dat de oom mee in het graf neemt. Het is een geheim dat te maken heeft met de moeder van het vertellertje, een geheim waarvan de volle omvang stukje bij beetje tot het bewustzijn van het vertellertje doordringt. Zo idyllisch was het niet geweest toen God in de gedaante van een insekt op zijn blouse was neergestreken: wat er toen echt was gebeurd, valt na zoveel jaren niet meer uit te maken, omdat 'op een bepaald ogenblik intieme ervaringen en beelden zonder reden in elkaar overgaan en nooit meer uit elkaar te krijgen zijn’.
De roman van Hertmans is niet de zoveelste terugkeer naar de kindertijd, maar is, door zijn lenige wendingen van de wereld zoals we die kennen naar de wereld van de persoonlijke fantasie en naar de wereld van de taal met al zijn listen, puur literatuur.