Inspreken is zilver, niet luisteren is goud

De week van Steenbergen was ook de week waarin Syrische vluchtelingen elkaar via Facebook begonnen te waarschuwen niet naar Nederland te komen.

Medium groene commentaar zwijgen ii

Ook onder vluchtelingen groeit het besef dat Nederland niet altijd zo genereus is als de Nederlanders wellicht zelf graag denken, maar het zal door de luidruchtige tegenstanders van asielzoekerscentra als een overwinning worden beschouwd. Het pijnlijkste is dat ze die overwinning zo eenvoudig werd gegund.

Hoe lang luisteren de belegerde politici inmiddels naar de boze, bange, bezorgde – de adjectieven kan iedereen dromen – burger? Tien jaar? Langer? Wat hebben de politici, na zo lang luisteren, nu te melden?

Diederik Samsom zei dit weekend in de Volkskrant: ‘Ik denk dat mensen nu heel weinig kopen voor verhalen.’ Hoe komt hij daarbij? Over asielzoekers doen de meest fantastische verhalen de ronde: één woord – ‘testosteronbommen’ – activeert de zwartste scenario’s in de hoofden van duizenden mensen, die zichzelf naar inspraakavonden slepen om er met kitscherige pathetiek te razen dat ze ‘als echtgenoot en vader van dochters’ angstig zijn door de komst van de vluchtelingen. Deze mensen ‘kopen’, om de terminologie van Samsom aan te houden, met één woord een compleet wereldbeeld dat hun onsamenhangende vooroordelen synthetiseert tot een visioen – een visioen dat niet weersproken wordt door er pragmatisch mee om te gaan.

Het verzet tegen de asielzoekerscentra is een en al verbeeldingskracht, hoe pervers die verbeelding ook is. In andere woorden: het is een verhaal.

Misschien is het probleem dat Samsom, zoals veel politici van zijn generatie, is gaan geloven dat de redelijkheid die ze voorstaan ook onvermijdelijk is. Voortdurend wordt betoogd dat er geen alternatief is. Het opvangen van vluchtelingen is weliswaar niet leuk – ‘U heeft heus een punt, boze burger!’ – maar de omstandigheden bieden geen ruimte voor een andere keus. ‘Het terugduwen van mensen is als in een rivier staan en water proberen tegen te houden’, aldus Samsom. In feite zegt hij: wat we doen is noodzaak, en dus mag u niet verwachten dat ik die keuze principieel verdedig.

Als er blijkbaar niets aan te doen is, waarom dan die inspraakavonden houden? Waarom dan dat eeuwige begripvolle luisteren? Berust dat niet op de empirisch onbewezen veronderstelling dat als er maar met deze mensen gepraat wordt ze voor rede vatbaar zijn? Een man in een fraai blauw pak zei laatst: ‘Hoezo we kunnen ze niet tegenhouden? Ons materieel is superieur. We kunnen die bootjes toch uit het water schieten?’

Luisteren is goed als je bereid bent je keuzes te laten afhangen van wat je hoort. Als je dat niet van plan bent, verdedig dan de keuze die je wél maakt. Het probleem is niet dat Samsom de verkeerde dingen doet, maar dat hij die dingen voorstelt als door noodzaak ingegeven pragmatiek. Daarmee is niemand geholpen. Redelijkheid houdt altijd een uitgesproken positie in, anders is het niet veel meer dan bangige plooibaarheid.

Het ontbreekt Samsom niet aan gevoel voor proportie en redelijkheid – dat is in orde. Het ontbreekt aan de durf om die redelijkheid als bewuste keuze te presenteren. Niet de metafoor van de rivier, en wél het verhaal – wat onverzettelijkheid. Na afloop van de inspraakavond in Steenbergen sprak een nos-verslaggever met de enige vrouw die vóór de komst van het asielzoekerscentrum was, en daardoor onder politie-escorte naar huis moest. Hij wilde weten: ‘Dan staan er honderden mensen te schreeuwen dat u op moet rotten, en erger. Wat doet dat met u?’

‘Ik kan er niet van onder de indruk raken’, antwoordde ze, en vervolgens: ‘Daar kies je voor, als je op zo’n podium gaat staan.’