De crisis in de PVDA

Instabiele broeder

Na de perikelen met de LPF, D66 en de VVD zit premier Balkenende opnieuw opgescheept met een instabiele coalitiegenoot: de PvdA.

In cda-kring moet de euforie over het opnieuw kunnen leveren van de premier inmiddels danig zijn verdampt, evenals de idee dat partijleider Jan Peter Balkenende dit keer aan het hoofd staat van een stabiel kabinet. In het vierde kabinet dat zijn naam draagt zit minister-president Balkenende opnieuw met een coalitiegenoot die worstelt met zichzelf. Vijf jaar geleden zag Balkenende zijn eerste kabinet al na acht maanden struikelen, omdat de lpf een brokkenpiloot bleek en de premier te onervaren was om daar iets tegenover te zetten. Met als gênante apotheose dat dit eerste kabinet-Balkenende viel op de avond na de begrafenis van prins Claus.

Vervolgens begon de cda-leider in 2003 aan zijn tweede kabinet, met dit keer naast de vvd het veel kleinere d66. Na het echec in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel voor de gekozen burgemeester moest hij aanzien hoe d66 vanaf het voorjaar van 2005 onderling ruzie maakte over haar kroonjuwelen voor bestuurlijke vernieuwing, de missie naar Afghanistan, het leiderschap in de partij en de vraag of er eigenlijk nog wel behoefte is aan een partij als d66. Het eindigde vorig voorjaar met de val van zijn kabinet-Balkenende II.

Alsof de identiteitscrisis binnen d66 al niet genoeg instabiliteit bracht, begon het ook bij de vvd te spoken. Het verschil van inzicht over de koers van de partij barstte naar buiten toen de liberalen vorig voorjaar na de verloren gemeenteraadsverkiezingen door het aftreden van fractievoorzitter Jozias van Aartsen op zoek moesten naar een nieuwe partijleider. Het had de onverkwikkelijke tweestrijd tussen Mark Rutte en Rita Verdonk tot gevolg, een strijd die zelfs het tijdelijke kabinet-Balkenende III vorig najaar nog deed wankelen.

Het doet bijna denken dat er in de afgelopen jaren geen oppositie nodig was om kabinetten op te blazen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het de pvda was die eerst met senator Ed van Thijn het wetsvoorstel voor de gekozen burgemeester naar de prullenbak verwees en zo de neergang van d66 in gang zette, om daarna met de motie over het generaal pardon het demissionaire kabinet-Balkenende bijna te doen struikelen. Beide keren was de betonrot bij de coalitiegenoten van het cda echter al aanwezig en hoogstens met wat likjes verf een tijdlang aan het zicht onttrokken.

Bij de grootste van de twee nieuwe coalitiegenoten van het cda, de pvda, werkt zelfs de cosmetische verfkwast niet meer. Sinds de verkiezingsnederlaag van vorig jaar is het onrustig bij de sociaal-democraten. De bordesscène op paleis Huis ten Bosch met naast de koningin ook zes pvda-ministers heeft daar geen verandering in kunnen brengen. Het aftreden van het voltallige pvda-bestuur was daarvan vorige week het zoveelste bewijs in een reeks.

Maar niemand weet of dit aftreden het bittere medicijn was dat uiteindelijk de neergang een halt zal doen toeroepen. Er leeft slechts de hoop bij sommigen dat dit wel zo is, maar die hoop wordt door anderen direct de grond in geslagen met een verwijzing naar de commissie-Vreeman die na al het gekrakeel nog moet komen met de officiële analyse van de verkiezingsnederlaag van de pvda bij de kamerverkiezingen afgelopen najaar. Wie zegt dat partijleider Wouter Bos, als het rapport dit voorjaar uitkomt, buiten schot kan blijven, nu partijvoorzitter Michiel van Hulten al is opgestapt? Het aftreden van Van Hulten had het zoenoffer moeten zijn. In de wandelgangen was het al in het vooruitzicht gesteld als antwoord op de conclusies van de commissie. Dat offer kan nu dus niet meer worden gebracht.

De pvda is al sinds 1977 met een neergang bezig. In 1977 stond de partij op 53 zetels, nu zijn dat er 33, ruim tien minder dan het gemiddelde over de afgelopen dertig jaar. Partijleider Wim Kok leed in zijn tijd ook verkiezingsnederlagen. Hij ontdeed de partij toen van haar ideologische veren, maar vergat de kale kip opnieuw aan te kleden.

Niemand bij de pvda weet nu waar de bodem van de put is. Afgelopen weekend stond de partij in de peilingen zelfs op 24 kamerzetels, weer negen minder dan het huidige aantal. Niemand weet of er een weg omhoog is en hoe die kan worden ingeslagen. Niemand ook heeft een analyse van maatschappij, partij en koers die door anderen wordt gedeeld. Niemand heeft het daarvoor benodigde gezag. Oprispingen als die van Bos dat er meer Jan Schaefer-achtige figuren in de partij moeten komen, zijn uitlatingen over de topinkomens of het voorstel van kamerlid Jeroen Dijsselbloem dat gestraften weer gevangeniskleding moeten dragen, getuigen daarvan. Het gekrakeel in de partij over dit soort opmerkingen laat zien hoe groot de paniek is, hoe diep de crisis.

De constatering van een enkeling binnen de pvda dat op dit moment vooral die politieke partijen het goed doen die strak worden geleid is een aardige, maar biedt geen oplossing. Zoals ook het offeren van personen geen oplossing is, of regeringsdeelname de panacee.

Het cda zit wederom met een instabiele broeder. De glans van dit vierde kabinet-Balkenende is er na tien weken al weer vanaf. Mochten er christen-democraten zijn die dit weliswaar vervelend vinden maar niet als hun probleem zien, dan moeten die nog eens goed nadenken of ze zelf toevallig niet even de dans ontspringen. Hebben zij een antwoord op de angst bij veel kiezers voor de globaliserende wereld? Op de angst dat het voor een nieuwe generatie niet beter zal worden, zoals een vorige generatie nog kon hopen? Op de gevolgen van het gedrag van de moderne roofridders in het bedrijfsleven? Op de islamisering? Op de gigantische milieuproblemen? Op de kloof tussen wat de kiezer verwacht en de politiek vermag? Gisteren worstelden d66 en vvd daarmee, vandaag de pvda. Morgen het cda?