Instant-karma ‘het zuiverste boeddhisme komt uit nederland’

Het boeddhisme rukt op in de Nederlandse samenleving. Honderdduizenden Nederlanders storten zich op deze religie zonder god of ziel, op zoek naar verlichting of gewoon meer succes. Een verkenning van een zuil in wording, waar men al plannen heeft voor een Boeddhistische Omroepstichting en een school op boeddhistische grondslag. Zo puur is het Nederlandse boeddhisme dat men er in Azie een puntje aan kan zuigen.

De natte droom van iedere would be-boeddhist is verbeeld in de film Little Boeddha, het nieuwste meesterwerk van de altijd trendgevoelige Bernardo Bertolucci. Een Amerikaans jongetje, in het geheel niet gehinderd door welke religieuze opvoeding dan ook, wordt door enkele Tibetaanse monniken herkend als de rei"ncarnatie van een net overleden Lama en maakt vervolgens een triomftocht door de Himalaya, alwaar stokoude monniken voor hem op de kniee"n gaan, in aanbidding voor hun leraar.
In zijn film geeft Bertolucci aan waar het om draait in de hernieuwde passie van het Westen voor het boeddhistische gedachtengoed: aan westerse zijde treffen we een falende economie, de verschrikkelijke leegte van het moderne leven en een drukkende angst voor de dood, terwijl men in de boeddhistische kloosters in de Aziatische hoogvlakten frank en vrij meehobbelt met de eeuwigheid, al lang niet meer gehinderd iets als sterfelijkheid. Die tegenstelling, sinds jaar en dag de gangmaker van de hippie-trail van godszoekers richting Azie", is natuurlijk al lang een cliche van de eerste orde, en het succes van Bertolucci’s film zit hem dan ook in het gemak waarmee hij die kloof overbrugt. Door de huisvesting van het astrale lichaam van de Tibetaanse wijze in het lichaam van het jongetje in Seattle is het westerse verlangen naar oosterse wijsheid geen moeizame kwestie meer - het komt gratis en voor niets, het komt zo maar uit de lucht vallen, als het instant-karma waarmee wijlen John Lennon de hippiegeneratie verblijdde.
In feite borduurt Bertolucci’s film voort op het patroon dat is uitgezet door de Theosofische Vereniging van de roemruchte Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891), de Russisch-Duitse clairvoyante op wier conto de eerste introductie van het boeddhistische gedachtengoed in de westerse wereld mag worden geschreven. Madame Blavatsky, van vaderszijde stammend uit het Duitse groothertogdom Mecklenburg, zag het als haar levenswerk om het oosterse gedachtengoed te introduceren in het Westen en maakte voor dat doel uitputtende reizen door het Tibetaanse hoogland. Daar zou zij in contact zijn gekomen met door en door verlichte meesters, verborgen levend in de diepste spelonken van het gebergte, die vervolgens hun ‘geheime kennis’ aan haar zouden hebben overgedragen.
De vele criticasters van Blavatsky zien dit alles als een religieus-culturele fraude van de eerste orde, een cultuurimperialistische daad waarmee na de grondstoffen van het Oosten nu ook de religie werd gekoloniseerd. Het succes was niettemin overweldigend. De boeddhistische component van Blavatsky’s theosofische doctrine was vooral ontleend aan een zeer obscure zijtak van de binnen de boeddhistische wereld toch al vrij bescheiden Tibetaanse variant, maar sprak vanwege zijn nadruk op psychedelica als de permanente reincarnatie van opperste wijsheid de broeierige gedachtenwereld van het Europa van de negentiende eeuw zeer aan.
Net als in Bertolucci’s film kwam de hoogste autoriteit van een exotisch religieus bewustzijn opeens binnen bereik van de westerling, mits die maar een beroep deed op allerlei onverifieerbare transcendentale overplantingstechnieken. Voor haar vele fans in Europa, vooral bij de naar nieuwe autoriteit zoekende aristocratie, werd madame Blavatsky een soort halfgodin, een orakel van millennia-oude wijsheden, waarmee de ontluikende crisis van het christendom kon worden overwonnen. Op deze manier kwamen de eerste sporen van het boeddhisme in Europa terecht.
Nederland speelde hierbij een cruciale rol, doordat het tot Europees hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging werd verklaard. In 1882 was de vereniging naar het Indiase Adyar verhuisd, waar de Britse suffragette Annie Besant na de dood van Blavatsky de scepter ging zwaaien. Het was onder Besants leiding dat de vereniging een eigen mystiek boegbeeld kreeg in de persoon van de piepjonge Indier Jiddu Krishnamurti, die door de theosofen werd benoemd als de Matreya, de wereldleraar, begiftigd met allerlei bovenmenselijke vermogens als gevolg van een mystieke verbinding met de Tibetaanse meesters.
Het was niemand minder dan onze prins Hendrik van Mecklenburg, echtgenoot van koningin Wilhelmina, die zich inspande voor de komst van Krishnamurti naar Nederland. Dit alles werd geregeld binnen het netwerk van de internationale padvinderij. Besant, hoofd van de padvinderij in India, kreeg van de Nederlandse baron van Pallandt, die samen met prins Hendrik de dienst uitmaakte binnen de Nederlandse padvindersbeweging, in het begin van de jaren twintig een uitnodiging om zich geheel kostenvrij met de hele theosofische hofhouding te vestigen in een oud kasteel van de Van Pallandts in het Overijsselse Ommen, compleet met een uitgestrekt landgoed tussen de Eerde en de Vecht.
De invitatie werd gretig geaccepteerd en in 1924 vond de opening plaats van de Sterren van het Oosten-kamp in Ommen, waar Krishnamurti, die vanuit Hollywood reeds een invitatie had gekregen om de rol van Boeddha te spelen in een filmbiografie, drie keer per jaar in besloten kring zijn half-boeddhistische leer van persoonlijke verlossing uitdroeg. Het succes was overweldigend. In dat licht moet men ook de mededeling zien van dr. L. de Jong, die in zijn geruchtmakende deel 9b van zijn Geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog meldt dat Hendrik begin jaren twintig aan zijn echtgenote mededeelde dat hij 'een andere Meester’ had gevonden en het christendom vaarwel had gezegd. Hendrik was een halve boeddhist geworden.
Dit kwam onder andere tot uiting tijdens zijn begrafenis in 1934. Deze geschiedde geheel in het wit, tot aan de paarden voor de rouwkoets en de kleren van de nabestaanden toe. Wit was de symbolische kleur van de rei"ncarnatie, een fenomeen waarvan de prins geheel overtuigd was geraakt door de lessen van Krishnamurti. Hoewel de laatste reeds in 1929 zijn wereldleiderschap vaarwel had gezegd en de commune in Overijssel had ontbonden, hadden zijn lessen diepe indruk gemaakt. De eerste kiemen voor de boeddhisering van de Nederlandse samenleving waren gelegd.
Anno 1994 is het boeddhisme in Nederland verreweg de snelstgroeiende religie van het land. Wie het activiteitenprogramma van de overkoepelende organisatie Boeddhistische Unie Nederland (Bun) raadpleegt, stuit op een overweldigende hoeveelheid cursussen, kloosters en tempels, waarbinnen alle stromingen en zijtakken van de boeddhistische leer wel op een of andere wijze zijn vertegenwoordigd. Volgens voorzitter A. Verboom van de Bun wordt er reeds gewerkt aan de oprichting van een eerste school op boeddhistische grondslag, terwijl het aantal boeddhistische centra voor volwassenen week na week toeneemt. Ook is er een Boeddhistische Omroepstichting (Bos) in wording. Alle tekenen wijzen op de totstandkoming van een nieuwe zuil in het Nederlandse religieuze landschap.
Aangespoord door het succes van het Japanse management storten gekwelde Nederlandse ondernemers zich op het evangelie van het Zen-boeddhisme, in de ijdele hoop dat een dagelijkse portie meditatie kan zorgen voor stijgende winstcijfers. Steeds meer managers wenden zich tot de uiterst hardvochtige discipline van Zen en dit resulteert onder meer in een snel uitdijende bibliotheek van pasklare verhandelingen over Zen en ondernemen. Een van de bekendste Nederlandse vruchten van de combinatie management en boeddhisme is het geschrift Kosmos, kennis en samenhang van de hand van Jan Karel Hylkema, voorheen directeur van Het Financieele Dagblad. Hylkema is in boeddhistische kringen beter bekend onder de naam Monlam Zangpo, hetgeen 'edele intentie’ betekent.
Voor degenen die aan een rondje wekelijks mediteren niet genoeg hebben, is er een keur aan boeddhistische kloosters beschikbaar. In het Friese Emst vindt men het Matreya- instituut, waar de leer van de Tibetaanse meesters die zo doorwerkte in de theosofie, wordt verkondigd. De meest orthodoxe variant van het boeddhisme, de Therawada-leer - die vooral in Sri Lanka, Indonesie" en Thailand wordt aangehangen - is vertegenwoordigd in het Drentse gehucht Bronneger (gemeente Borger). Daar geeft de eerwaarde Thera Dhammawiranatha als hoofdmonnik leiding aan het snel groeiende Boeddhayana Centrum, gevestigd in een boerderij in de rijkelijk met hunebedden bedeelde, desolate Drentse vlakte.
Het centrum is een toevluchtsoord voor mensen uit alle lagen van de bevolking. Zowel werkloze journalisten als topmannen van Shell komen er voor instructies op het pad naar de verlichting, om net als Dhammawiranatha (zijn Nederlandse naam heeft hij afgelegd) buiten de eeuwige cirkel van geboorte en dood te treden. Gehouden als zij zijn aan de plicht tot verzaking van alle levensgeneugten - van een celibatair bestaan tot het verbod om wat dan ook te kopen - leeft de monnikenorde hier van giften van sympathisanten. Om toch aan de benodigde spullen en aan voedsel te komen, wordt in het mededelingenorgaan van het centrum regelmatig een verlanglijstje van de monniken afgedrukt, van toiletpapier tot suiker en spaarlampen.
Ik tref de hoofdmonnik net op het moment dat hij, ter voorbereiding van de enige maaltijd die hem per dag is toegestaan, bezig is enige heilige teksten in het Pali te reciteren, bijgestaan door drie nonnen en twee knielende novices.
'Een paar jaar geleden was dat in Nederland nog onacceptabel, dat gekniel, dat vond men veel te ver gaan’, constateert hij na afloop van het ritueel, terwijl hij een kom rijst eet. 'Nu kunnen ze als het ware niet wachten, vinden ze het prachtig om te doen.’ De drie kaalgeschoren nonnen zitten met de ogen devoot naar de grond geslagen te luisteren naar de woorden van de hoofdmonnik, terwijl hij vertelt over zijn kennismaking met de leer van de Boeddha.
Dhammawiranatha: 'Het begon allemaal in 1967, toen ik als Haags burgerjongetje van een jaar of veertien die beroemde foto onder ogen kreeg van die monnik in Saigon die zichzelf in brand had gestoken. Ik was gelijk gefascineerd door de volkomen rust op het gezicht van die man, die totale controle die hij leek te hebben. Het was liefde op het eerste gezicht. Vanaf dat moment wist ik eigenlijk al dat ik boeddhist zou worden, alsof ik het allemaal al uit een eerder leven kende. Bij de bibliotheek van de Theosofische Vereniging leende ik boeken over het boeddhisme, maar dat viel eigenlijk wat tegen, want daar hadden ze alleen maar boeken over de Tibetaanse stroming, en daar zaten me veel te veel mystieke toverformules en magie in.
De Tibetaanse stroming is door het toedoen van de theosofie heel erg in zwang, ook nu weer met die film van Bertolucci, maar eigenlijk is het een hele kleine zijtak. Mijn ervaring is dat de Tibetaanse leer de westerlingen een beetje te zwaar op de maag ligt. Ik ken wat gevallen van Nederlanders die helemaal opgaan in de Tibetaanse mystiek, en op een gegeven moment helemaal doorslaan en doodsbenauwd worden. Die bekeerden zich dan vervolgens tot de meest fanatieke christelijke gezelschappen, in de richting van de Pinkstergemeente en consorten. Ze vergeten daarbij dat de Tibetaanse variant niet zuiver boeddhistisch is, dat daar veel van de Tibetaanse cultuur uit voor-boeddhistische tijden in is opgegaan, die voor westerlingen erg zwaar te verwerken is. De Tibetanen geloven bijvoorbeeld dat de Lama’s, de uitverkoren leraren, na hun dood weer reincareren in een andere Lama. Dat is iets wat je alleen in Tibet ziet. De Therawada-leer sluit veel meer aan bij de oorspronkelijke leer van Boeddha zelf, en is op het eerste gezicht veel droger en theoretischer, minder spectaculair van aard. Bovendien: zo meeslepend vind ik de Tibetanen ook niet altijd. Zo zijn de interviews met de Dalai Lama in mijn ogen altijd erg oppervlakkig.’
Net als veel leden andere van de hippiegeneratie - met wie hij zich overigens weinig verbonden voelt, omdat hippies naar zijn smaak meer moeten worden gezien als aspirant-hindoeisten - trok Dhammawiranatha naar Azie, op zoek naar verlossing. In Indonesie vond hij de zo fel geambieerde leermeester en in 1977 werd hij eindelijk toegelaten tot de kloosterorde. Dhammawiranatha: 'Ik was perfect tevreden geweest als ik de rest van mijn leven in zijn schaduw had mogen zitten, maar in plaats daarvan kreeg ik de opdracht om terug te gaan naar Nederland om daar een eerste boeddhistische orde te stichten.’
Zo werd de gewezen commercieel directeur van een Nederlandse speelgoedfabriek opeens begiftigd met de hoogste autoriteit van de Therawada-boeddhisten in Nederland en opgezadeld met de opdracht om in het bijna-niets de grondslag te leggen voor de het boeddhisme in Nederland. Dhammawiranatha: 'Grootste probleem was de botheid van de Nederlandse samenleving. Nederlanders zijn over het algemeen gewoon niet delicaat genoeg voor het boeddhisme, ze worden al snel agressief als ze de basisbeginselen krijgen uitgelegd. Ik kan me nog heel goed een symposium in Nijenrode herinneren, eind jaren zeventig, waar een Indonesische hoofdmonnik het boeddhisme begon uit te leggen met de mededeling: “Budhism is godless en egoless.” Dat zorgde voor een grote schok. Dat werd verstaan als een goddeloze religie, en zorgde gelijk voor grote irritatie.’
Ook voor de Nederlandse monnik zelf waren zijn tochten door het land vaak een kwestie van spitsroeden lopen. 'Als monnik vind ik dat je op ieder uur van de dag als zodanig herkenbaar moet zijn. Het is nu eenmaal geen deeltijdbaan. Uiteindelijk ben ik het gezicht van het boeddhisme in Nederland, er zijn inmiddels een paar honderd mensen die blindelings doen wat ik zeg, dus mag ik 24 uur per dag te controleren zijn of ik me wel houd aan mijn plichten. Daarom ben ik altijd gekleed in een pij, net zoals de monnikken in Azie. Hoe vaak ik al niet op grond daarvan stijf ben gescholden! Wildvreemde mensen begonnen tegen me uit te varen.
Bijkomend nadeel is dat ik door alle meditatieoefeningen erg goede oren heb gekregen. Ik kan van een afstand van vijftig meter al horen wat iemand zegt. Dus als ik over straat loop, hoor ik overal mensen tegen elkaar morren over die rare snijboon die daar aan komt wandelen. Moet je je indenken hoe de mensen reageerden als ik door de Schilderswijk liep. Ik liet al die scheldpartijen maar over me heen komen. Dan maakte ik mezelf helemaal leeg, zette ik mezelf op nul, terwijl men in mijn oren stond te tetteren. Meestal hielden ze dan wel op.’
Inmiddels is de onverdraagzaamheid enigszins geluwd. 'Toen we hier in Bronneger een paar jaar geleden begonnen met het klooster, was er aanvankelijk wel wat weerstand bij de bevolking in het dorp. De plaatselijke jeugd vond het allemaal maar niets en toonde zich nogal eens balorig. Nu zijn we volkomen geaccepteerd. We worden zelfs uitgenodigd voor de jaarlijkse kerkendag’, gniffelt de eerwaarde. 'Dan heb ik het maar niet zo uitgebreid over het feit dat wij als boeddhisten niet het bestaan van een god kennen, want dat leidt maar tot conflicten.
Mijn ervaring is dat de mensen heel geinteresseerd raken als je de boodschap van de boeddhistische verdraagzaamheid onderstreept. Dat is iets wat de meeste mensen erg treft. Daarnaast ben je toch vooral bezig met het uit de wereld helpen van misverstanden. Meestal denken ze dat ik bij de Bhagwan hoor of bij de Hare Krishna-beweging, of wordt er een verbinding verondersteld met het New Age-denken, waar ik al helemaal geen voorstander van ben. Mijn bezwaar tegen New Age is dat die school eigenlijk hetzelfde doet als voorheen de theosofen: dat er tamelijk lukraak een paar elementen van het boeddhisme worden overgenomen, die daarna met allerlei christelijke sausjes worden opgediend. Met de leer van de Boeddha heeft dat allemaal weinig te maken.’
Inmiddels is het boeddhistische pionierswerk van Dhammawiranatha in Sri Lanka, Thailand en Indonesie regelmatig het onderwerp van jubelende kranteartikelen en loftuitingen van de monniken aldaar. Srilankaanse ministers zijn regelmatig bij de Drentse kloosterorde op bezoek om te horen hoe het gesteld is met de populariteit van de leer in de lage landen. 'Men is ontzettend trots op onze prestatties’, aldus de hoofdmonnik. 'Als ik in Sri Lanka ben, ben ik de hele dag bezig met het geven van interviews. Inmiddels is het al zo ver dat men daar zegt dat het boeddhisme in zijn meest pure vorm nog het beste in Nederland kan worden beleefd, dat men in Azie iets van ons kan opsteken.’