Groen

Instinct

We liepen in het heuvelende landschap rond Berg en Dal. Het was vreemd drassig, ik kon me geen regen herinneren. Op een schuin stuk land liepen vieze schapen, een dikke, hijgende ram was bijna zwart. Verder zagen of hoorden we geen enkel dier. Het was grijs, zat tegen motregen aan. Uit de wind voelden we dat het broeierig was, moesten de herfstjassen open. Het soort weer dat in mij de drang loswoelt al mijn kleren uit te trekken om in de dikke lagen bladeren rond te gaan wentelen. Ik gaf niet toe aan die drang, ook omdat mijn wandelmaat zei: ‘Doe niet zo raar!’
Dus ik deed niet raar en na een uurtje of wat kwamen we aan bij een gezellig pannenkoekenrestaurantje, met roodgeblokte kleedjes op wankele tafeltjes, en de geest van Rien Poortvliet tussen de hanenbalken. Mijn wandelmaat nam de Topper November en ik nam de Joop Braakhekke. Daarbij dronk ik een groot glas Palm. Dat was lekker.
Er liep een bordercollie rond, een ondeugende hond die liever niet luisterde naar zijn baasjes, een jong, hip stel dat het doodnormaal vond dat de hond andere mensen lastigviel, want ja, het was immers hún hond. Een dikke vrouw stapte luid mopperend over het beest heen toen het languit op de grond lag, een kind bleef angstig voor hem staan. Hij gaf geen krimp. Tussendoor ging ik even roken, buiten natuurlijk. Daar liep een zwart bokje met een ongelukkig bekje, waardoor zijn tong half naar buiten hing. Ik staakte het roken al snel.
De hond lag weer eens languit, nu naast de stoel van zijn bazinnetje. Hij leek diep in slaap. Een oudere man stond op en liep wankel, met behulp van een wandelstok, bij zijn tafeltje weg. Een hersenbloeding, leek mij. Hij stevende recht op de hond af, zag hem niet eens. Ik hield mijn hart vast. Zonder zijn kop te heffen, zwaaide de hond zijn staart op zijn lijf en trok zijn achterpoten in. Hij had de man gevoeld, en hem anders ingeschat dan de dikke vrouw of het kind. In de hanenbalken zuchtte Rien Poortvliet tevreden.