Institut Néerlandais

Een van de mooiste gedichten die ik ken, staat niet in een bundel. Het staat ook niet in een bloemlezing of een tijdschrift. Het is niet afgedrukt op een T-shirt, een placemat of kussensloop, het staat ook niet op een muur. Het bestaat alleen in het handschrift van de dichter en is te vinden in het logboek van een gastenkamer.

Die kamer is klein, heeft een Nederlandse boerenbonte inrichting, maar bevindt zich in het hartje van Parijs. Er is een bad, een bed, een schrijftafel, je zou er eigenlijk een bedstee verwachten. Maar er is geen keuken, het enige gerei dat er staat is een waterkoker. Het gedicht bestaat uit een tekening, een getekende instructie hoe je een ei tussen het mechaniek van de waterkoker kan klemmen zodat die niet afslaat en je een paar minuten het ei kan koken en zo toch ‘s ochtends kan ontbijten zonder de straat op te gaan. De dichter heet K. Schippers. De kamer is de roemruchte Kamer 42, aan de binnenplaats achter de rue de Lille 121, waar het Institut Néerlandais staat.

Veel schrijvers en vertalers verbleven er. Michaël Zeeman schreef over de portiers waar je langs loopt door de hal, over ene meneer punk of funk die er altijd heimelijk iets zit te eten in de loge. Achter kamer 42 is de ingang van Fondation Custodia, waar iemand etsen en schetsen en tekeningen van Rembrandt laat zien, speciaal voor jou, met witte handschoenen aan. In het Institut is een zaal voor tentoonstellingen en lezingen, een bibliotheek en een taalafdeling. Er is een woning op de vierde met allemaal kleine kamers, waarbinnen je je in een vorige eeuw waant.

De functie van het Institut Néerlandais leerde ik pas goed kennen toen ik er in 1998 mijn eerste avond organiseerde. Ik woonde in Parijs, nadat ik eerder in kamer 42 had verbleven. De culturele instituten van verschillende landen - en ook het Musée de l'art moderne waar Emmanuel Hocquard internationale poëzieprogramma’s organiseerde - vormden samen een laboratorium voor experimentele poëzie, voor kennismaking en uitwisseling. Er kwam een publiek op af van meer dan honderd mensen, vooral jongere Fransen. Klankpoëzie was het eerste thema, in het Frans zowel p __oésie sonore als p_ oésie directe_ genaamd. Jaap Blonk stal natuurlijk de show, maar even opmerkelijk was hoezeer het werk van Michèle Métaille en Bernard Heidsieck in de Franse literatuur was ingebed en er geen zijstroming in vormde. Ik was verbaasd over het enthousiasme, dit was gewoon een losse avond over klankpoëzie. Une belle soirée heette het. Cas de Marez had er haar laatste optreden voor ze stierf.

Poëzie in het Institut Néerlandais, we hebben er de volgende vijf jaar van alles uitgeprobeerd. Tonnus Oosterhoff, K. Michel, Erik Menkveld, Esther Jansma, Jan Baeke en Henk van der Waal zaten er op stoelen naast elkaar te luisteren, terwijl Franse dichters als Philippe Beck en Christophe Tarkos een paar rijen stoelen van elkaar verwijderd gingen zitten, terwijl ze dik bevriend waren, precies zoals twee nozems in een Haagse tram die over de banken naar elkaar roepen. Een keer liet ik alle plastic vellen met vertalingen voor op de overheadprojector vallen, toen Nachoem Wijnberg met zijn indringend stemgeluid het gedicht Serieux aankondigde. Je moet altijd zeggen dat je zelf ook dichter bent, anders walsen die Fransen dwars over je heen, leerde ik er van Henk Pröpper. Gerrit Kouwenaar was bang dat hij al die decennia sinds dichter-diplomaat Sadi de Gorter nooit meer werd uitgenodigd, omdat hij na veel wijn ergens op een trap in het Institut in slaap was gevallen. Jacques Roubaud prees zijn werk, hoewel hij en de andere Vijftigers volgens hem weinig tot niets met het experiment van doen hadden. Ga je naar een ander land, dan krijg je andere kaders. Het was leerzaam en vooral verrijkend en verruimend.

Een van mijn meest complexe ervaringen is het werken met vertalers, als assistent of redacteur van die vertalers of als intermediair tussen dichter en vertaler. Vooral het werken met verscheidene vertalers tegelijk. Het leerde me dat wat kwaliteit is volgens beoordelaars van de brontaal en de doeltaal wel eens helemaal verschillend kan zijn, het geeft inzichten waar niet iedereen op zit te wachten. Er zijn dichters die hechten aan een strikte vertaling, anderen die door hebben dat als een vertaler je werk goed doorgrondt je die vertaler beter alle ruimte voor vrijheden kunt geven. Er zijn er ook die het in het Frans meteen al prachtig vinden klinken.

Ik denk dat ik het niet meer zou kunnen, me zo ingraven in de Franse poëzie als in de jaren negentig, zoiets doe je maar een keer in een ander land, waar dan ook. En ik waakte er tegelijk voor Frankrijk-specialist te worden, wilde meer van de wereld zien. En toch heeft zich doorgezet wat we in die jaren geïnvesteerd hebben, mede dankzij de trouw van een paar mensen, de dichter Éric Suchère met zijn belangstelling voor het werk van de vroege Faverey en andere Nederlanders, Kim Andringa die belangeloos dag en nacht klaarstond om correcties te maken en Dorien Kouijzer die op het Institut Néerlandais onze ontwikkelingen bleef volgen en onderdak bood. Ik weet dat het woord vriendschap voor van alles gebruikt wordt, maar als het ergens voor geldt, is het voor deze vorm van jarenlang onafgebroken samen blijven werken.

Het heeft mij in het begin even moeite gekost om helemaal de werking te begrijpen, naar een stad gaan in een ander land en dan terugvallen op de cultuur van je eigen land, op een gebouw. Het is daar, in een dergelijke vrijhaven, dat je de cultuur van het ene land werkelijk kunt brengen in de volle bewustzijn van de cultuur van het andere land, dat je iets kunt bewerkstelligen, met die kennis en expertise. Dat heeft niets te maken met een ambassade, dat is wezenlijk iets anders. Het gaat natuurlijk in eerste instantie om de mensen, Harry Bos voor de film, Dorien Kouijzer voor debatten en literatuur, Maartje Nelissen voor de muziek, Marieke Wiegel voor de beeldende kunst en alle mensen van de taalafdeling en bibliotheek. Maar die mensen staan ook voor een ruimte. Op een plek Fransen kunnen ontvangen en ze iets van jezelf aanbieden is voor Parijs essentieel, het vormt een onderdeel van de stad.

En het best merk je dat als je het lang volhoudt. Wat we toen uitprobeerden, die paar vertaalde gedichten op de overheadprojector, dat is inmiddels uitgegroeid tot tijdschriftedities, bloemlezingen, dichtbundels, het verzameld werk van F. van Dixhoorn in het Frans, de Verplaatste tafels van K. Schippers, bundels met keuze uit het werk van Lucebert en Dirk van Bastelaere. En dat was zonder het Institut Néerlandais nooit gelukt.

De laatste keer was ruim een maand terug. Air France had mijn dochter niet goed ingeboekt dus ik moest terug van het vliegveld naar Parijs en nog een nachtje blijven. Ik keek uit over de daken van het zevende terwijl mijn dochter sliep. Het is raar hoe je je ergens thuis kunt voelen. Toen ik om vijf uur ’s morgens langs de portier liep, schoot die van schrik omhoog alsof hij op een schietstoel zat. A la prochaine! riep ik terwijl ik de zware voordeur van het slot klikte. Hij keek me nogal ongelovig aan.


Pieter van der Blink, 121 Rue de lille. Balans, 256 blz., € 17,50.

K. Schippers, Tables déplacees. Traduits du néerlandais par Kim Andringa et Jean-Michel Espitallier. Le bleu du ciel, 96 blz., € 15,-.

Om deel te nemen aan de petitie tegen de voorgenomen sluiting van het Institut Néerlandais, zie hier