Menno Hurenkamp

Institutioneel spitsroedenlopen

Tussen alle kabaal over de onhandelbare jeugd vergeet je bijna dat het overheidsbureau Sire een jaar geleden suggereerde dat kinderen het te druk hebben. Hoe nu, dacht iedereen toen. De jeugd was toch lui en dom, laten we blij zijn dat ze zich inspannen. Bovendien bleek na onderzoek dat kids het fijn vinden om veel te doen en dat jongelui met niks om handen jaloers zijn op de volle agenda’s van de achterbankgeneratie. Gelukkig verkondigde kort daarop de vakbond FNV, steunpilaar der oerconservatieven, dat jongeren óf op school moesten zitten óf moesten werken, en toen stond iedereen de disciplineringsopdracht voor de jeugd weer helder voor de geest.

Wie in dit debat zeker geen mening heeft is Steven van Eijck, voorheen LPF-staatssecretaris op Financiën. Van Eijck is door de regering benoemd als «commissaris jeugdbeleid» en gaat zonder enig inhoudelijk idee de Operatie Jong uitvoeren: het beter afstemmen van alle typen jeugdbeleid die dit land kent. Dat is geen slecht plan. Het Sociaal en Cultureel Planbureau berichtte recent dat veel steden een jeugdbeleid voeren, maar dat nooit duidelijk is of iemand daar blij van wordt. Bij nader inzien scheidt élke overheidsinstantie regelmatig nota’s af over «jeugd in samenhang met een stukje beleid». Van Eijck wil volgens een interview in de Staatscourant regels wegkappen, mensen afrekenen op hun prestaties en natuurlijk: kennis delen. Bovendien wil hij integraal beleid — dus geen ambtenaren die elkaar tegenwerken. Cynisch gezegd zijn dat de verlangens van een politicus zonder strooigoed, die niet weet dat al tien jaar gewerkt wordt aan integraal jeugdbeleid en die ook niet weet dat alle instel lingen die doen aan kennisdelen op dit moment zwaar onder financieel vuur liggen.

Toch is er iets voor te zeggen. Neem alleen de probleemjongeren. Voor de verschillende stadia van normafwijkend gedrag zijn er de Raad voor de kinderbescherming, de Bureaus jeugdzorg, de kinderrechters en de Halt-bureaus. Daarnaast zijn er de uiteenlopende instellingen die zich onder meer bezighouden met het signaleren van problemen (in aanleg): consultatiebureaus, peuterspeelzalen, voorscholen, buurthuizen en naschoolse opvang. Telkens als een bestaande instantie bezwijkt onder de last van de jeugd, komt er een nieuwe bij — ad infinitum als het aan de Tweede Kamer ligt, die nu ook opvoedcentra voor lastige jongeren wil. Jong zijn betekent volgens beleidsmakers vooral institutioneel spitsroedenlopen, van de ene correctie naar de andere. Het kan geen kwaad uit dat mechanisme wat stof te blazen.

Maar als de jeugdcommissaris na verleende diensten niet af wil naar de zijdeur van een adviesbureau moet hij een ambitieuzer doelstelling formuleren. In plaats van mee te deinen op het modieuze doemvocabulaire (schooluniformen! fouilleren!) zou hij met prioriteiten die bewust niet-disciplinerend van aard zijn de pretentie van vernieuwing wél waarmaken. Ik noem er drie waar grote behoefte aan is: ruimhartig opgezette speelruimten en buurthuizen; ouders met zelf vertrouwen; kleinschalige en niet al te abstracte leeromgevingen voor (potentiële) lastpakken. Allemaal door de lokale overheid realiseerbare doelen, meetbaar, met wetenschappelijk bewezen resultaten.