Noah, een eindtijdverhaal

Instrument van verdelging

In Noah, Darren Aronofsky’s filmversie van het zondvloedverhaal, is de hoofdpersoon een psychopaat die namens God denkt te handelen. Toch zijn bijbel en geloof nadrukkelijk aanwezig – in het idee dat er verlossing bestaat voor de gevallen mens.

Achter alles een punt zetten om opnieuw te beginnen – dat is een rode draad in het geloof, al in het eerste bijbelboek wanneer het vlak na het Begin zo verschrikkelijk misgaat dat God de aarde vernietigt, zodat de laatste mens de eerste wordt. In zijn film Noah gebruikt regisseur Darren Aronofsky hetzelfde idee in zijn versie van dit eindtijdnarratief. De ‘Schepper’ – nergens wordt hij ‘God’ genoemd – constateert dat Zijn handenwerk een poel van corruptie en verderf is geworden. Zijn instrument van verdelging is Noah, een man die met vrouw en kinderen op het land leeft terwijl elders de mensen creperen in steden die ogenschijnlijk het product van een behoorlijk ontwikkelde technologische samenleving zijn. Noah ziet heel goed dat het mis is met de wereld. Hij twijfelt niet wanneer de Schepper hem de heilige opdracht geeft de ark te bouwen. Maar dan is het alsof er iets in hem breekt: niks alles nieuw maken, als het aan deze vrome vader ligt sterft de mens uit, tot aan de laatste, schreeuwende baby toe.

Kerkelijke leiders geven Aronofsky behoorlijk ervan langs vanwege zijn vrijzinnige interpretatie van het boek Genesis, vooral de wijze waarop hij zijn hoofdpersonage rabiaat het einde van de mensheid laat nastreven. Hiermee lijkt de regisseur lijnrecht in te gaan tegen het element hoop dat zo belangrijk in het geloof is. In Openbaringen vertelt de profeet Johannes bijvoorbeeld over ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, en in vers 5 hoort hij een stem vanaf de hemelse troon zeggen: ‘Alles maak ik nieuw.’ Jezus zegt iets soortgelijks in de film The Passion of the Christ (2004) van Mel Gibson wanneer hij onderweg naar Golgotha zijn door verdriet verteerde moeder tegenkomt: ‘Mother, behold I make all things new.’ Tegen deze belofte is nuchter verstand noch ironie of cynisme bestand. Het nieuwe begin maakt het gevoel van inspiratie waarover gelovigen het constant hebben los, iets zoals de uitstorting van de Heilige Geest, aanlokkelijk concreet. Ook in Genesis 5-9 ligt dit idee ten grondslag aan Gods plan. Na de zondvloed zegt Hij: ‘Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!’

Dat lijkt het hele punt van het verhaal: in de mythe van een vloedgolf zit de psychologische betekenis van zuivering ingekapseld. Maar in één klap alles vernietigen waarna alles weer goed komt, het lijkt te makkelijk, ook al gaat het in Genesis om God die zo teleurgesteld is in zijn creatie, misschien ook in zichzelf, dat hij met een schone lei wil beginnen. Aronofsky problematiseert de mythe. Wat nu als Noah minder dan zijn bijbelse evenbeeld Noach alles voor zoete koek aanneemt? In Aronofsky’s film kampt Noah (Russell Crowe) met de Kaïn-afstammeling Tubal-Cain (Ray Winstone). En dat raakt de kern: de grens tussen deze twee personages is flinterdun. Noah, psychopaat en massamoordenaar, Tubal-Cain, moorddadige, kannibalistische leider van de Mannen. Hoe valt deze Noah, die het duister in zijn ziel ontdekt, te rijmen met de Noach van Genesis die Gods wil uitvoert?

Bijzonder is dat er uiteindelijk een fusie tussen bijbel en film plaatsvindt. Dat komt doordat beide teksten focussen op het idee van verlossing door vernieuwing, een basisthema in eindtijdverhalen die op dit moment welig tieren in de cultuur. Je hoeft maar om je heen te kijken in een multiplexbioscoop of in een boekwinkel met Engelstalige literatuur: verhalen te over waarin de menselijke soort het zo bont maakt door oorlogen en ecologische verwoesting dat men geen toekomst op deze aarde verdient. Zo vinden de schrijvers en samenstellers van de bijbel en de makers van moderne sciencefiction elkaar. Er is nog een raakpunt: alles gaat eraan, maar na de verdelging blijft er toch iets over dat een tweede begin mogelijk maakt.

In beide domeinen, bijbel en fictie, is het toelaten van de verbeelding onmisbaar, het meest nog in Genesis, een boek dat bijbelkenner en schrijver Jenny Diski in The Guardian vergelijkt met het minimalisme van Samuel Beckett en het microscopisch poëtische van Emily Dickinson. Het is ‘een legpuzzel van een verafgelegen tuin waarin er zoveel bloemen groeien als je maar wilt, mits de stukjes op hun plaats liggen’. Sterker, Genesis is volgens haar net de Tardis, het ruimteschip waarmee Doctor Who door tijd en ruimte reist om de mensheid bij te staan, maar ook om sardonisch commentaar te leveren op hoe slecht het met ons gesteld is.

Het punt is dat Genesis een walhalla vormt voor de makers van extreme fictie. Om maar iets te noemen: Noach, de man in het midden van het avontuur met wie God een verbond sluit nadat hij had besloten de aarde en alles wat erop leeft te verdelgen, werd vijfhonderd jaar oud. Vervolgens openen de technologie en wetenschap die benodigd zijn om overleving mogelijk te maken, en daarmee ook de voorzetting van leven op aarde te garanderen, talrijke mogelijkheden. Met het idee van een ark met daarin lopende, kruipende en vliegende wezens (blijkbaar geen zwemmende wezens), ‘van alle vlees, twee van elk’, kun je veel. Dat geldt ook voor de goddelijke bouwvoorschriften: pek binnen en buiten, drie verdiepingen, poorten. De hard science in het zondvloedverhaal vergt fantasie. Dat maakt het verhaal kneedbaar, zodat mythe en symboliek zich uitkristalliseren, ook in de connotatie van de naam Noach: ‘troost’.

Vanaf het moment dat de duif is teruggekeerd met een afgebroken olijfblad is Genesis één en al hoop. Voor Hem bouwen de overlevenden een altaar. Dat heeft effect: ‘En de Heere rook dien liefelijken reuk, en de Heere zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van ’s mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb. Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.’ Noach en zijn familie en de dieren krijgen de taak ‘overvloediglijk’ voort te telen op de aarde, vruchtbaar te zijn, en te ‘vermenigvuldigen op de aarde’.

Noah oordeelt kil dat zijn kleinkinderen moeten worden gedood, zodat voortplanting onmogelijk wordt

In de bijbel van St. James is de Engelse tekst, ‘Replenish the earth’, iets interessanter. Dat refereert niet alleen aan de opdracht de aarde opnieuw te vullen met levende wezens, ook resoneert hier een verwijzing naar geestelijke vervulling: na alle haat en verwoesting ingegeven door de zonde van Adam en Eva, na de zuivering door de globale watersnoodramp, is het nu zaak de ziel van de mens te vernieuwen. Dat laatste bevat de kernbetekenis van de ark-mythe, niet alleen bijbels, maar ook in Aronofsky’s Noah.

Noah heeft een keuze. En dat staat haaks op alles wat hij tot nu toe weet over zijn eigen bestaan en over de invloed van de Schepper die immers allesbepalend is. Hoe kun je zelf kiezen als je moet leven volgens wat Hij voorschrijft? Natuurlijk, in de bijbel is het een ander verhaal. In haar stuk focust Diski op Noachs apathie. In Genesis zegt hij geen woord. Geen: spaar ze, of kunnen er echt niet meer mensen mee, zijn ze allemaal slecht, allemaal? Noach is gewoon een man, en een gelovige man, en hij staat pal naast God. Diski: ‘Misschien koos God Noach uit juist vanwege zijn leegte, zijn capaciteit alles voor iedereen te zijn.’

Zo’n man is de filmische Noah beslist niet. Hij zet aanvankelijk nog het proces van zuivering en hergeboorte in gang door God te volgen, maar later, wanneer hij oog in oog komt te staan met de moorddadige Tubal-Cain verandert er iets in hem, en confronteert hij net als Adam het kwaad rechtstreeks. Ergens in het midden van het verhaal gaat Noah naar een nederzetting om zijn zoon Ham te zoeken. Hij treft er chaos aan: hongersnood, wetteloosheid, angst voor de komende ramp. Mensen verscheuren mensen, lijken overal.

Misschien realiseert Noah zich nu dat de Schepper groot gelijk heeft: de aarde moet vernietigd worden met water. Maar hij gaat een stapje verder. Waar de Schepper duidelijk voor ogen heeft dat het menselijk leven na de vloed moet voortbestaan – waar zou de ark anders voor zijn? – besluit hij zelf dat de mens als ras moet worden uitgewist. Eenmaal in de ark gaat hij als een typische eindtijd-sekteleider tekeer. Tijdens de overlevingsvaart worden zijn kleinkinderen geboren, en de aquatische patriarch oordeelt kil dat zij moeten worden gedood, zodat voortplanting, vernieuwing, onmogelijk wordt.

Ondanks de Noah/Noach-paradox vinden bijbel en film elkaar. Het oorspronkelijke verhaal is zo bizar, inderdaad zo kernachtig en dichterlijk, dat het zich goed leent voor een extreme cinematografische interpretatie. Noah, een eenvoudige man onder extreme druk, faalt. Zijn finale gevecht met Tubal-Cain symboliseert de strijd die hij tegen zijn eigen menselijkheid voert, tegen de aanwezigheid van het kwaad in hem. Nog meer mens wordt Noah als blijkt dat hij zélf deze keuzes maakt, zélf beslist dat hij weet wat de Schepper wil, en dat is ieder mens uitroeien.

In die zin hebben de boze kerkelijke leiders gelijk: Noah is godslasterlijk. Dat is vermoedelijk wat Aronofsky bedoelt met zijn stelling dat hij een on-bijbelse film heeft gemaakt. Maar vernieuwing, zuivering en uiteindelijk inspiratie is net als in het geloof de kern van Noah. Na de vloed zondert Noah zich af in een grot, plant hij een wijngaard, en wordt hij net als de Genesis-Noach stomdronken. Dagenlang. (Ja, hij krijgt bezoek van zijn zonen die hem naakt zien, nee, er is van sodomie geen sprake, zoals sommige pikante lezingen van het eerste Boek suggereren.) Wat het ook is, bedwelming of mediteren of, banaal, aangeraakt worden door de Schepper, het werkt. Noah, nuchter, legt uit dat hij op het punt stond zijn pasgeboren kleindochters te vermoorden, maar dat hij dat niet kon vanwege een enorme liefde die hij op het laatste moment in zijn hart voelde. Hij spreekt zijn familie toe: ‘Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt.’ En: ‘Replenish the earth.’ Maak alles nieuw. Als Noah deze zegen uitspreekt met de woorden van God in Genesis, dan wordt hij ‘Schepper’. Dat is diep menselijk. De laatste mens wordt de eerste mens, de mens van nu. Die schept zichzelf.


Noah is nu te zien.

Beeld: (1) Russel Crowe als Noah (Universal Pictures). (2) Noah en zijn zoon Ham (Logan Lerman) (Universal Pictures).