Hoofdcommentaar

Integratie

Verdeeld verleden, gedeelde toekomst. Het is een toepasselijke titel die het PvdA-bestuur heeft gegeven aan de resolutie over de integratie van nieuwkomers in Nederland die in maart aan het partijcongres wordt voorgelegd. Vraag is of het bestuur de dubbele betekenis er, met een knipoog naar de interne partijtwisten en onderlinge verdeeldheid, bewust heeft ingelegd.
Deze maand is het negen jaar geleden dat Paul Scheffer, lid van de PvdA, in NRC Handelsblad zijn artikel publiceerde met de titel ‘Het multiculturele drama’. Scheffer schreef: ‘Zo energiek als Nederland de sociale kwestie van weleer te lijf ging, zo gelaten wordt nu gereageerd op het achterblijven van hele generaties allochtonen en op de vorming van een etnische onderklasse.’ Dat was nog vóór de opkomst van Pim Fortuyn, vóór de aanslag op de Twin Towers en vóór de moord op Theo van Gogh. Scheffers stuk maakte veel discussie los. Waarom? Omdat hij een politiek taboe aankaartte op een moment dat de tijd daar blijkbaar iets rijper voor was dan in de jaren daarvoor. Hij werd namelijk niet direct gevierendeeld, zoals voorgangers als VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein was overkomen.
Hoe zag dat taboe eruit? Over praktische problemen en principiële vraagstukken die de komst van grote groepen mensen uit landen als Marokko en Turkije met zich meebrachten, kon niet openlijk worden gediscussieerd. Bij het minste of geringste kwam dat je te staan op de beschuldiging een racist te zijn. Nederland was immers tolerant.
Twee jaar na het verschijnen van Scheffers stuk waren er verkiezingen en de PvdA werd genadeloos afgestraft. Onder meer omdat, om het in Scheffers woorden van twee jaar daarvoor te zeggen, ‘onder de oppervlakte van het openbare leven een zee aan verhalen drijft over de botsing van culturen, die niet of nauwelijks worden gehoord… Al die apologeten van de diversiteit zijn niet geïnteresseerd in wat zich in de grote steden van Nederland afspeelt.’
De PvdA-commissie die de verkiezingsnederlaag van 2002 onderzocht, moest constateren dat ‘een met urgentie gevoerd debat over deze “nieuwe sociale kwestie” in de PvdA verwijtbaar lang achterwege is gebleven’. De standpunten lagen dan ook ver uiteen. Waren al die verschillende culturen een verrijking en was Nederland op weg naar een multiculturele samenleving in ver doorgevoerde vorm? Of stonden sommige culturele achtergronden een succesvolle integratie en vredige samenleving in de weg? Of was de oorzaak van de slechte integratie niet zozeer de geloofscultuur van de migranten, als wel de plattelandscultuur die ze meenamen naar de moderne stad?
Het was een ‘brandende kwestie’, vond de toenmalige PvdA-commissie. Maar als vijf jaar later, in 2007, de PvdA wederom een verkiezingsnederlaag lijdt, schrijft de volgende interne partijcommissie dat ‘de richtingenstrijd die de afgelopen jaren een tamelijk impliciete rol heeft gespeeld nu in alle scherpte moet worden gevoerd’. Een van de drie thema’s die daarbij zeker niet mogen ontbreken, is, jawel, ‘de nieuwe sociale kwestie die draait om tegenstellingen tussen oude en nieuwe Nederlanders’.
Weer twee jaar later, nu dus, ligt er dan een resolutie die die richtingenstrijd moet gaan beslechten. De vraag is hoe principieel die richtingenstrijd echter nog is? In de negen jaar die zijn verstreken sinds Scheffers stuk heeft de tijd immers niet stilgestaan. Scheffer schreef destijds dat op korte termijn een wervingsposter van de politie was te verwachten met de tekst: ‘Die tulband past ons allemaal’. De hoofdcommissarissen hadden immers voorgesteld dat de politiepet ingeruild kon worden voor een hoofddoekje of een tulband als de nieuwe Nederlander dat wenste. Het zou een toppunt van multiculturaliteit zijn geweest, maar zo’n voorstel zou nu niet meer worden gedaan. De pet is neutraal; een aan een geloof verbonden hoofddeksel past de politie niet.
Eerwraak, vrouwenbesnijdenis, discriminatie van homoseksuelen, binnen de PvdA hoor je niet meer: moet kunnen, hoort nu eenmaal bij die cultuur. Zoals er ook niemand meer binnen de partij is die niet het belang inziet van het leren van de Nederlandse taal.
De PvdA-resolutie verwoordt hier dan ook geen ‘nieuwe’ gezichtspunten, zoals ook de standpunten over het handen schudden, de boerka of de dubbele nationaliteit niet verrassend zijn. Ze zijn eerder de uitkomst van het jarenlange proces binnen de partij dat eraan voorafging, de worsteling van de sociaal-democraten met het staan voor een vrije samenleving en toch normatief durven zijn.
Als er nu felle discussies zijn, blijkt vaak dat het integratiedebat verweven is geraakt met het bredere debat over wat we als gemeenschap nog willen tolereren, aan geweld, hufterigheid, verwaarlozing binnen een gezin of criminaliteit als gevolg van het gedogen van softdrugs en het wettelijk toestaan van prostitutie. Waar voorheen nieuwkomers het meest te lijden hadden van een aan verwaarlozing grenzende tolerantie, moet er nu voor worden gewaakt, ook binnen de PvdA, dat ze de dupe worden van een verstikkende intolerantie.
Dat de resolutie geen nieuwe gezichtspunten biedt, maakt haar niet overbodig. Voorwaarde is wel dat ze niet wordt gezien als het eindpunt van de integratiediscussie, maar als houvast voor het voortdurende gesprek over wat nodig is als mensen met verschillende geloven, opvattingen en levenswijzen samen willen leven. Een van de belangrijkste zinnen uit de resolutie is dan ook: ‘De fout die we in ieder geval nooit meer mogen maken is het inslikken van kritiek op culturen en religies omwille van de tolerantie.’ Mits dat ook geldt voor de eigen (partij)cultuur.