Interview: Will Tinnemans

Integratie vergt geduld

In 1994 publiceerde journalist Will Tinnemans ‹Een gouden armband›, een van de weinige diepgravende studies naar de problemen rond migratie in ons land. Het eindrapport van de commissie-Blok over het integratiebeleid bevat volgens hem geen nieuws.

Maandagochtend kwart over elf. Voorzitter Stef Blok maakt zich op voor de presentatie van het eindrapport van de Tijdelijke Commissie Integratie, maar het stuk is al onder embargo beschikbaar en de grote fracties hebben hun standpunt ingenomen. VVD en PvdA zijn «teleurgesteld», ze hadden hardere conclusies en aanbevelingen verwacht. In de studio bij Ferry Mingele laat CDA- fractievoorzitter Maxime Verhagen alvast weten dat het integratiebeleid is «mislukt» en dat hij met die uitspraak allerminst vooruitloopt op het oordeel van de commissie. «Wij hebben als fractie een eigen verantwoordelijkheid. Het denken staat niet stil.»

«En dat uit de mond van Verhagen», verzucht journalist Will Tinnemans voor de tv in zijn Utrechtse woning. «Het CDA is bij uitstek een partij waar het denken stilstaat, ondanks acht jaar oppositie. Dat geldt ook voor andere partijen, veel zogenaamde deskundigen en andere commentatoren op het gebied van integratie. Dezelfde thema’s, dezelfde standpunten, dezelfde discussies komen al dertig jaar met de regelmaat van de klok terug. Al sinds de jaren zestig wordt er bijvoorbeeld gepraat over de noodzaak dat migranten de Nederlandse taal leren. Het enige verschil is dat destijds linkse groeperingen daarop aandrongen en dat tegenwoordig vooral de rechtse partijen het doen.»

Tien jaar geleden beschreef Tinnemans in zijn boek Een gouden armband (1994) de integratie van mediterrane migranten in ons land tussen 1945 en 1994. Omdat hij de cijfers en andere harde feiten wist te verweven met getuigenissen en levensgeschiedenissen van migranten, werd het boek een van de weinige diepgravende studies naar de werkelijke problemen rond migratie in ons land. Italianen, Grieken, Marokkanen en Turken, allemaal kregen ze te maken met dezelfde problemen op het gebied van taal, sociaal-economische achterstand en discriminatie. Elke groep zocht en vond zijn eigen oplossingen. De vraag was volgens Tinnemans niet of, maar hoe ze integreerden in de Nederlandse samen leving.

Tijdens het schrijven kreeg hij ook oog voor de repetitieve manier waarop wij, autochtone Nederlanders, denken en spreken over migratie en specifieke groepen migranten. De vraag of Nederland een immigratieland is, de vraag of cultuurverschillen tot conflicten leiden, de vraag of een concentratie van migranten in verpauperde wijken moet worden tegen gegaan — telkens keerden ze terug en telkens bleven ze onbeantwoord. «Er zit een gapende kloof tussen het constateren van een struc tureel probleem en het werken aan adequate en effectieve oplossingen», schreef hij in een slotparagraaf met de veelzeggende titel Déjà vu.

«Ik heb nooit begrepen waarom het artikel Het multiculturele drama van Paul Scheffer in 2000 zo’n weerklank vond», zegt Tinnemans. «Er stond niets nieuws in. Geen feiten die we niet kenden of konden kennen, geen voorstellen die nog niet bedacht waren.» Op tafel ligt een embargo-exemplaar van het rapport, daarnaast het boek The Tipping Point (2000) van Malcolm Gladwell waarin de auteur probeert te verklaren waarom minieme voorvallen en factoren de aanzet kunnen geven tot belangrijke gebeurtenissen of omwentelingen. Tinnemans: «Die vraag fascineert me. De vraag waarom we telkens van die keerpunten in de discussie vaststellen hoewel er op die keerpunten niets nieuws of belangrijks gebeurt. Wat geeft dan de doorslag, wat is het specifieke gesternte waaronder we opeens een fundamentele verandering menen door te maken? Bij Scheffer speelt zijn eigen achtergrond een rol. Hij komt uit de linkerhoek, is net als de rest van onze generatie opgegroeid met een anti-autoritaire opvatting. Die generatie valt nu uiteen in twee delen. Eén deel stelt zich onverschillig op en doet alsof er geen allochtoon aanpassingsprobleem is. Die mensen vind je veel in het onderwijs. Die weten gewoonweg niet hoe ze hun gezag kunnen laten gelden, ze kunnen zelfs tegen een hond nog niet autoritair optreden. Een ander deel slaat door en pleit voor een harde aanpak van jongeren en allochtonen, voor tuchtscholen en verplichte inburgering.»

Het eindrapport van de commissie-Blok bevat volgens Tinnemans ook al geen nieuws. Het opmerkelijke is dat de meeste kamer fracties kennelijk een hard oordeel over het integratiebeleid van de laatste dertig jaar hadden verwacht, en dat terwijl er gedurende de eerste twintig jaar nauwelijks sprake was van zo’n beleid. Will Tinnemans: «Wat dit rapport interessant maakt, is dat het begrip ‹integratie› opnieuw wordt gedefinieerd. De Minderhedennota van 1983 — misschien wel het belangrijkste document voor de totstand koming van ons beleid — noemde als doelstelling dat migranten individueel en groepsgewijs gelijke kansen en ontplooiings mogelijkheden moesten hebben. De commissie-Blok geeft een bredere definitie en eist dat migranten zich ook aanpassen aan de normen, waarden en gedragspatronen van de Nederlandse samenleving. Welke dat precies zijn wordt niet duidelijk, net zomin als in andere beleidsdocumenten, maar ‹ontplooiing› wordt dus vervangen door ‹aanpassing›. In het licht van recente debatten is dat misschien begrijpelijk, maar het is geen eerlijk criterium voor de beoordeling van een beleid dat heel andere uitgangspunten had. Ik vind het ook niet verstandig om zo’n eis te stellen. Je legt daarmee de lat veel te hoog. Ook dat is een constante in het integratiedebat: we stellen veel te hoge eisen aan migranten en zijn teleur gesteld of verontwaardigd als ze daar niet aan voldoen. Intussen sluiten we onze ogen voor de successen die migranten vaak tegen de verdrukking in boeken. Je ziet het nu weer aan de reacties: dit rapport concludeert dat de integratie van veel allochtonen ‹geheel of gedeeltelijk geslaagd› is en wéér zijn veel politieke partijen niet tevreden.

Dat ongeduld is ook zo’n terug kerende factor. Het is allang bekend uit de migratiesociologie dat er drie of vier generaties nodig zijn voordat migranten volwaardig deel gaan uitmaken van de ontvangende samenleving. Je moet geduld hebben. We hebben te maken met een immigratieproces van een omvang die ongekend is sinds de Gouden Eeuw. En als je in aanmerking neemt hoe groot de verschillen in herkomst, taal en godsdienst zijn, heb je het over een enorme kloof die niet gemakkelijk kan worden overbrugd. Het viel te verwachten dat allerlei experimenten die daarop losgelaten werden zouden mislukken. En nogmaals, tot ver in de jaren tachtig was er eigenlijk geen integratiebeleid. Er werden wat taallessen gegeven door vrijwilligers die hun eigen lesmateriaal moesten meenemen en de kosten niet eens vergoed kregen.

De commissie heeft gelijk dat veel migranten het op eigen kracht hebben gered ondanks het beleid of het ontbreken van beleid. Ze hebben successen geboekt zonder hulp of tegemoetkoming, maar ook zonder dwang van bovenaf. Vaak hadden ze wel een Nederlandse mentor, een autochtone vriend, collega of buurman die hen op sleeptouw nam, die hen wegwijs maakte in de Nederlandse bureaucratie, die hen introduceerde en de eerste woordjes Nederlands bijbracht. Die individuele begeleiding is het belangrijkste instrument voor integratie. Verder kun je als overheid niet meer doen dan faciliteiten ter beschikking stellen en mensen verleiden om daar gebruik van te maken. De mensen moeten het zelf doen.»

Tinnemans zweert bij het motto van Ferdinand Domela Nieuwenhuis dat «de bevrijding van de arbeidersklasse het werk van de arbeidersklasse zelf moet zijn». Ook de emancipatie van allochtone vrouwen — sinds kort opeens een heet hangijzer — is niet af te dwingen door de overheid of door particuliere instituties. Zoals de commissie constateert, is er op het gebied van onderwijs aan allochtone vrouwen de laatste tien jaar enorme vooruitgang geboekt zonder aanwijsbare dwang of verplichting. Door de verlening van een afzonderlijke verblijfsvergunning aan migrantenvrouwen in 1998 is misschien wel aan de belangrijkste voorwaarde voor hun emancipatie voldaan. Will Tinnemans: «Je moet zorgen voor faciliteiten en wetgeving waarop vrouwen een beroep kunnen doen als ze in het nauw zitten en je moet hun recht om er gebruik van te maken justitieel en politiek verdedigen. Dat is voldoende, de rest doen ze zelf. Dat zie je bijvoorbeeld aan de blijf-van-m’n-lijfhuizen die tegenwoordig vrijwel helemaal een allochtone aangelegenheid zijn. Daaruit blijkt ook dat vrouwen niet nood zakelijk gevangen zitten in een repressieve cultuur die ze van hun land van herkomst meenemen. Ze stappen er vanzelf uit als je hun de mogelijkheid biedt om dat in alle veiligheid te doen.»

De huidige nadruk op normen en waarden is ook al zo’n repeterende breuk die in alle integratiediscussies van de laatste dertig jaar terugkomt. Volgens Tinnemans zoeken we de verklaring voor de gebrekkige integratie van bepaalde allochtonen vaak ten onrechte in cultuurverschillen, terwijl we in termen van sociale verschillen moeten denken. De afgelopen week verklaarde de ene deskundige na de andere dat de Haagse scholier Murat zijn conrector heeft vermoord omdat hij en zijn Turkse vrienden en klasgenoten met de rug naar de Nederlandse samenleving staan.

Tinnemans: «Dat mag waar zijn, maar zulk gedrag is niet eigen aan Murats cultuur of welke cultuur dan ook. Helaas vind je in elke samen leving een onderlaag waarin kinderen niet worden opgevoed met de vereiste remmingen op hun agressie en met alternatieve strategieën om problemen op te lossen. Veel migranten gezinnen zitten in de lagere sociale milieus en daar is altijd meer gewelds criminaliteit geweest dan in de rest van de maatschappij. En aan vernederingen van Nederlandse kant hebben ze geen gebrek. De frustraties die daardoor worden opgebouwd, zoeken een uitweg in dit soort gewelddaden. Het heeft geen zin zulke uitvallers naar kampen of tuchtscholen te sturen. Dan socialiseer je ze in een imitatiesamenleving die buiten de schoolhekken niet bestaat, zodat ze vervolgens weer geen aansluiting vinden. Je moet investeren in individuele begeleiding zodat zulke jongeren leren leven in deze samen leving, niet ernaast. Er is al zoveel bezuinigd op het gebied van begeleiding, buurtwerk et cetera. Als dit kabinet echt zijn voornemen uitvoert om allochtonen zelf verantwoordelijk te stellen voor hun lot, zal de uitkomst pas echt een multicultureel drama zijn.»