Integratiedebat op recept

ALS GEEN ANDER LAND debatteert Nederland oeverloos over het multiculturele debat zélf. Meestal gaat het over ‘de juiste toon’ en domineert de vorm de inhoud. Eerst zat ons land in het politiek correcte keurslijf van positief wensdenken en probleemvermijdend zwijgen. En na 2001 brak een fase aan van ‘schreeuw alle taboes er maar eens lekker uit’. Dat is allemaal passé, menen politici die met een nieuw recept voor het debat komen.

In zijn Integratiebrief liet minister Van der Laan (Wonen, Wijken en Integratie) vorige week niet alleen weten hoe het kabinet aankijkt tegen de positie van ‘nieuwe Nederlanders’. Hij heeft het ook over de toon van het debat. Volgens hem moet de discussie over integratie ‘zorgvuldig gebeuren’. Want ‘scherpe discussies en confrontaties hoeven geen probleem te zijn, zolang deze gericht zijn op het zoeken naar een oplossing. Generalisaties moeten worden vermeden. We moeten ervoor waken dat problemen op de spits worden gedreven.’
Hij zegt ook: ‘Een discussie over de spanning tussen vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst is van groot belang, maar dat moet wel in het teken staan van het zoeken naar een oplossing, toenadering of wederzijds begrip.’
Van der Laan stelt duidelijk hoe ‘we’ het moeten doen. Nooit meer praten over ‘allochtonen’, maar over ‘nieuwe Nederlanders’. We mogen in discussies niet meer doorgaan tot het gaatje. Net als het aloude voorbehoedmiddel op tijd de kerk verlaten. Zoiets. De gedachte erachter is kennelijk dat je met andere taal en een ander begrippenapparaat de werkelijkheid positief kunt beïnvloeden.
Maar nee, dat is ook weer niet zo. Lees het deze week verschenen pamflet Zeau 2001, opgesteld door GroenLinks-Kamerlid Tofik Dibi en ‘acht andere Nederlanders’. Daarin staat dat de Haagse politiek niks begrijpt van de werkelijkheid. ‘Ondertussen is de politiek ziende blind en horende doof. Soms lijkt het er op alsof de politiek ons ook niet wil zien of horen.’
Leek het integratiedebat, aangejaagd door Frits Bolkestein en Paul Scheffer, aan het begin van deze eeuw nog veelbelovend, het is een bodemloze put geworden. Het debat van nu is, vinden zij, ‘zó 2001’. Het gaat ‘niet over de kansen van een nieuwe generatie Nederlanders, maar over apocalyptische angstbeelden van politici die in steeds hardere bewoordingen over elkaar heen buitelen om de gunst van de kiezer’.
Tofik Dibi, die zichzelf klaarblijkelijk niet rekent tot de Haagse politiek, kondigt aan dat de tijd is aangebroken voor een nieuwe fase in het integratiedebat: ‘Laten we het doemscenario inruilen voor een nieuw scenario. Een beeldend verhaal dat inspireert in plaats van frustreert. De tijd is aangebroken om de politiek wakker te schudden. Wij zijn klaar voor de volgende fase in het integratiedebat en vragen de politiek ons te volgen.’
Tegen de inhoud van dit pamflet kun je moeilijk bezwaar hebben. Maar het is die toon van ‘we’. En wat doen ‘we’ ermee? Misschien aanbieden aan minister Van der Laan? Zodat hij van hen leert hoe je moet debatteren. Straks is dit weer zó 2009.