BHL bouwt verder aan zijn eigen standbeeld

Intellectueel op oorlogspad

Bernard-Henri Lévy stortte zich in de Libische oorlog in de hoop eindelijk een legende te worden. Hij, de denker, droomt er al zijn hele leven van om acteur te zijn in een Grote Zaak.

PARIJS - Bernard-Henri Lévy komt er rond voor uit. Het leven van een advocaat van Goede Zaken gaat niet altijd over rozen. Het is begin augustus en de oorlog in Libië nadert haar ontknoping. Rebellen uit het Nafussa-gebergte veroveren stad na stad en onder dekking van vliegtuigen van de Navo weten rebellen uit de havenstad Misrata eindelijk door de linies van het leger van Moammar Kadhafi heen te breken. Maar de blik van de internationale opinie is gericht op rebellenbolwerk Benghazi. En daar heerst totale wanorde.
Een paar dagen eerder is Abdelfatah Younis, de opperbevelhebber van het rebellenleger, niet ver van de stad door zijn eigen manschappen vermoord. Er komen berichten van gevechten in de stad zelf. In de Franse pers wordt openlijk gesproken van een fiasco. En dan stuurt Mustafa Abdeljalil, de leider van de Libische Overgangsraad, tot overmaat van ramp het uitvoerend comité van de raad naar huis.
Hoe moet Lévy deze actie nu weer uitleggen aan het thuisfront? ‘Ik twijfel geen moment aan de goede afloop van de oorlog’, zegt hij in een interview met dagblad Le Parisien. Maar in de beschutting van zijn studeerkamer noteert hij: 'Ik twijfel inderdaad niet, maar heikele momenten zijn er genoeg. Na de zoveelste blunder van Abdeljalil en de Overgangsraad voel ik me soms zoals de verdedigers van Dreyfus, toen deze, bleek weggetrokken en op de terugtocht, smeekten: “Kunt u ons geen andere onschuldige ter verdediging geven?”’
In deze parallel met de Dreyfus-affaire - een sleutelmoment in de moderne Franse geschiedenis - toont Lévy zich in optima forma: strijdend tegen het kwaad, maar niet gespeend van egomanie. Met overgave zet hij zich in voor de onderdrukten waar ook ter wereld, maar voor minder dan Emile Zola doet hij het niet. Zola verdedigde een ten onrechte van landverraad beschuldigde joodse kapitein. In een oorlog mengde hij zich niet. In La guerre sans l'aimer, Lévy’s onlangs gepubliceerde verslag over de oorlog in Libië en zijn niet geringe bemoeienissen daarmee, spiegelt Lévy zich daarom liever aan Lord Byron, T.E. Lawrence, George Orwell en André Malraux, schrijvers uit zijn persoonlijk Pantheon die dat nadrukkelijk wél deden. Byron in de Griekse onafhankelijkheidsstrijd (1821-1832); Lawrence in de Levant tijdens de Arabische opstand (1916-1918) en Orwell en Malraux in de Spaanse burgeroorlog (1936-1939).
Te pas en te onpas voert hij ze ten tonele in zijn boek (waarvan de titel ontleend is aan een uitspraak van Malraux). Ze fungeren als raadgevers, zoals wanneer Lévy zich geconfronteerd weet met een vriend die hem vraagt wat hem in hemelsnaam bezield heeft om zich in deze oorlog te storten. Hoe weet Lévy bijvoorbeeld zo zeker dat hij voor de goede zaak vecht? Tegen Kadhafi, oké. Maar wat zal er daarna gebeuren? Juist die onzekerheid, zo legt Lévy hem uit, vormt het wezen van het engagement. Waarom zou je in beweging komen wanneer je al weet wat er te gebeuren staat? Alsof Byron, Malraux en Lawrence de afloop al kenden voordat ze aan het avontuur begonnen. Juist omdat ze dat niet wisten, stortten ze zich erin. Ze spanden zich in omdat de zaak juist was, maar de parameters niet allemaal bekend waren. Zelf stelt Lévy dat hij zich engageert omdat hij de oorlog tegen Kadhafi gerechtvaardigd acht, maar zij slecht kán aflopen. No guts, no glory.
Het Libische avontuur van 'BHL’ begint in februari wanneer hij in Caïro getuige is van een 'jachtscène’ op de Arabische zender Al Jazeera: vliegtuigen van de Libische luchtmacht openen in Tripoli het vuur op ongewapende demonstranten. Hij reist terug naar Parijs, maar de beelden laten hem niet los. Net als veel andere Franse intellectuelen toonde Lévy zich aanvankelijk opvallend gereserveerd over de Arabische opstand. Hij zweeg tijdens de revolte tegen de Tunesische dictator Ben Ali en arriveerde pas na de val van Moebarak in Egypte. Maar Kadhafi zal hem ruimschoots gelegenheid bieden de geleden schade in te halen.
En zo zet Lévy koers naar de Egyptisch-Libische grens. Zoals gebruikelijk bij dit soort ondernemingen laat hij zich vergezellen door een privé-fotograaf en een cameraman. Zij zullen Lévy’s verrichtingen onderweg nauwgezet vastleggen. Eenmaal in Libië zijn Lévy en zijn gevolg aangewezen op het vervoer ter plaatse. Een truck, volgeladen met tomaten, brengt hen naar Tobrouk en vanuit daar gaat het door richting Benghazi. De stad heeft het juk van Kadhafi ondertussen weten af te schudden en de stemming voor het tot rebellenhoofdkwartier omgevormde gerechtsgebouw is uitgelaten. Komt het wellicht door zijn 'uniform’, Lévy’s onafscheidelijke zwarte pak en diep uitgesneden witte overhemd, zoals hij zelf suggereert? Vaststaat dat Lévy erin slaagt wat tot dan toe nog geen enkele journalist ter plaatse is gelukt: hij krijgt een toezegging voor een onderhoud met Abdeljalil, de geheimzinnige leider van de Libische Overgangsraad-in-oprichting.
In de aanloop naar de ontmoeting krijgt Lévy een ingeving. Wat nu als hij Abdeljalil aanbiedt om met een delegatie van de raad naar Parijs te reizen en deze voor te stellen aan Nicolas Sarkozy? Wellicht resulteert dat in een officiële erkenning en wie weet wat nog meer?
Bernard-Henri Lévy (1948) droomt er al zijn hele leven van acteur te zijn in een Grote Zaak. Hij wil de daad bij het woord voegen, de loop van de geschiedenis beïnvloeden. Als 23-jarige student reisde hij af naar Bangladesh toen dat onder de voet werd gelopen door het Indiase leger. Nooit vergeet hij te vermelden dat hij daarmee gehoor gaf aan de oproep van de oude Malraux, die op 17 september 1971 op de radio verklaarde dat hij desnoods bereid was opnieuw achter de mitrailleur van een jachtvliegtuig te kruipen. Lévy herinnerde zich Malraux als de aanvoerder van de España, het eskadron vliegtuigen waarmee de schrijver in de jaren dertig tegen de troepen van generaal Franco vocht.
De legende van de Internationale Brigades en de strijd tegen het fascisme groeide bij Lévy uit tot een obsessie die hij zijn hele leven is blijven najagen. In Bangladesh, maar later ook in Afghanistan en vooral in Bosnië. Ook de verzetsleiders die hij daar trof, zoals Alija Izetbegovic in het door Servische troepen belegerde Sarajevo, of Ahmed Sjah Massoud, 'de leeuw van de Pansjhir-vallei’, figureren prominent in Lévy’s galerij van tragische helden. Meer recent in Darfur, waar hij de internationale gemeenschap tot ingrijpen probeerde te overreden om zo een massaslachting voorkomen. Steeds was het tevergeefs. Een destijds door Lévy gearrangeerde ontmoeting tussen Massoud en president Jacques Chirac werd op het allerlaatste moment afgeblazen. Izetbegovic wist hij weliswaar tot in het Elysée te krijgen, maar zijn droom van een Franse militaire interventie liep stuk op de realpolitik van president François Mitterrand. In Darfur ving hij opnieuw bot.
In La guerre sans l'aimer bekent Lévy dat hij - 'abonné aux causes perdues’ - nog altijd niet van deze teleurstellingen genezen is. Maar hij heeft buiten Sarkozy gerekend. Nieuwe president, nieuwe kansen. Wat volgt is een inmiddels vaak beschreven scène waarbij Lévy, kreunend van de migraine en satelliettelefoon in de aanslag, de trap van zijn hotel bestijgt en halverwege het nummer van het Elysée intoetst. Binnen een paar minuten heeft hij de president aan de lijn ('beleefd, maar een tikje ongeduldig’). 'Ik heb zojuist de Libische Massoud ontmoet’, begint Lévy. Een boude uitspraak, want het voornaamste dat hij op dat ogenblik van de Libische rebellenleider weet, is dat hij vóór de opstand minister van Justitie van Kadhafi was - niet echt een aanbeveling. Lévy vervolgt met zijn voornemen om met een delegatie van de Overgangsraad naar Parijs te komen. Is 'Nicolas’ bereid deze te ontvangen?

IN 2007 was het nog omgekeerd. Toen was het Sarkozy die Lévy nodig had. Tijdens een in een eerder boek uitvoerig beschreven telefoontje vraagt de dan nog presidentskandidaat of Lévy zijn verkiezingscampagne wil ondersteunen. Tevergeefs. Lévy blijkt te zeer gehecht aan zijn 'linkse familie’. Sinds dat moment is er geen noemenswaardig contact meer tussen beiden geweest. Sterker: Lévy heeft Sarkozy meermaals scherp aangevallen, vooral vanwege diens gehengel in de vijver van het Front National.
Sarkozy’s antwoord laat niet lang op zich wachten. 'Vanzelfsprekend, ik ontvang je vrienden met plezier.’ Het blijkt het begin van een even hechte als onwaarschijnlijke gelegenheidscoalitie ('de verstrengeling van twee dwaasheden’, zoals Alain Minc, een informele adviseur van Sarkozy, het uitdrukt). Zo brengt Sarkozy Lévy op de avond van de stemming in de Veiligheidsraad persoonlijk op de hoogte. En ook gedurende de rest van het zes maanden durende conflict belt Sarkozy regelmatig om Lévy over de laatste vorderingen bij te praten. In totaal hebben ze 38 keer telefonisch contact en komt het negen keer tot een ontmoeting.
In La guerre sans l'aimer geeft Lévy de letterlijke weergave van de gesprekken en dat biedt een onthullend inkijkje in de coulissen van de Franse macht. Bijvoorbeeld wanneer Sarkozy opbiecht dat hij zich een paar vrijheden aangaande het internationale recht heeft veroorloofd opdat de Franse luchtmacht tijdig kon toeslaan op het moment dat Kadhafi’s tanks zich opmaakten om Benghazi binnen te rijden. Waarom Sarkozy besloot de opstand tegen de Libische dictator militair te steunen? Helaas is dat de enige vraag die Lévy niet aan de president heeft gesteld. Zelf houdt hij het op een 'spontane reflex het juiste te willen doen’. De Franse diplomatie kon wel weer eens in succesje in haar achtertuin gebruiken.
Bovendien had Sarkozy zelf nog een appeltje te schillen met Kadhafi. Een officieel bezoek van de 'Gids van de Jamahiriya’ draaide in 2007 uit op een publieke vernedering voor Sarkozy, toen bleek dat Kadhafi geenszins van plan was zijn tentenkamp op te breken na zijn bezoek aan het Elysée en in plaats daarvan een vijfdaagse triomftocht door Parijs begon - inclusief een bezoek aan Château de Versailles. 'Plotseling het onbestemde gevoel dat het tussen hem en Kadhafi “persoonlijk” is geworden, als in een misdaadserie’, noteert Lévy na een ontmoeting met Sarkozy.
En dat de president Lévy een plaats op de eerste rang gunde, hem bij sommige gelegenheden zelfs als een officieuze minister van Buitenlandse Zaken liet optreden, zal ook niet helemaal zonder bijbedoelingen zijn geweest. De strijd tegen Kadhafi was allerminst een gelopen race, zoals wel is gebleken. Tegelijkertijd was het nog maar helemaal de vraag hoe lang de Franse publieke opinie de oorlog zou blijven ondersteunen. Door een invloedrijke linkse intellectueel aan zich te verbinden, verzekerde Sarkozy zich van een enorme troefkaart. En een beter cadeau dan La guerre sans l'aimer hebben ze zich op het Elysée niet kunnen wensen. Er rijst een uiterst flatteus portret van de president uit op: 'blok onverzettelijkheid en innerlijke kalmte (…) belangeloos vasthoudend in een oorlog die de zijne niet is.’
'Binnenkort krijgen we ook nog de dvd’, schertste een adviseur van Sarkozy tegen Le Monde, verwijzend naar de film die Lévy over zijn Libische avontuur in petto zegt te hebben. In werkelijkheid gebruiken de twee elkaar. Sarkozy Lévy als zijn flamboyante vaandeldrager in een oorlog met onzekere afloop; Lévy Sarkozy omdat hij in hem de man ziet die hem van zijn Bosnië-trauma zal verlossen.
Zelf is Lévy actief op alle fronten. Hij mobiliseert de media, zoals wanneer Sarkozy naar zijn smaak te lang aarzelt met wapenleveranties aan de rebellen, en hij verzorgt de liaison tussen het Elysée en de Overgangsraad. Zoals wanneer hij met opperbevelhebber Younis op de proppen komt en ter plekke het idee oppert voor een tweede front in het Nafussa-gebergte. De aanwezige generaals zijn enthousiast. Wanneer het conflict een paar maanden later in een impasse dreigt te verzanden en uit het oog van de wereld lijkt te verdwijnen, huurt Lévy in Malta een vissersboot en zet hij koers naar de belegerde stad Misrata om van daaruit verslag te doen voor het weekblad Paris Match. Vijf reizen maakt hij in totaal naar Libië. Daar ontpopt hij zich als tekstschrijver voor de Overgangsraad, maar ook als communicatiestrateeg en hoofd personeelszaken, zoals wanneer hij Abdeljalil adviseert inzake de opvolging van de vermoorde Younis.
Het mondaine leven lijkt niet al te zeer onder de Libische beslommeringen te lijden. Het ene ogenblik verorbert Lévy een schaap met rebellenstrijders in de woestijn, het volgende moment is hij al weer in New York, waar hij dineert met de bekende televisiepresentator Charlie Rose en Arianna Huffington, oprichtster van de invloedrijke website Huffington Post.
Op zondag 22 augustus nemen de rebellen Tripoli in en een paar weken later worden Lévy en Sarkozy onder massale belangstelling in de Libische hoofdstad onthaald. Maar in Frankrijk zwelt de kritiek intussen aan, zeker wanneer Abdeljalil aankondigt dat wetgeving in het nieuwe Libië gebaseerd zal zijn op het islamitische recht (sharia). Het wat verblufte Franse publiek ziet Lévy, voorheen geharnast bestrijder van het 'islamofascisme’, zich nu plotseling in allerlei bochten wringen om duidelijk te maken dat het met die sharia eigenlijk wel meevalt. Tegelijk stelt de prominente mensenrechtenactivist Rony Brauman dat Lévy met zijn concept van een 'gerechtvaardigde oorlog’ een levensgevaarlijk precedent geschapen heeft. Le nouveau B.A. BA de BHL ('het nieuwe ABC van Bernard-Henri Lévy’) ligt dan al in de boekwinkels. Hierin wordt door Jade Lindgaart en Xavier de La Porte ongenadig hard op Lévy ingehakt. De journalisten tonen aan dat Lévy de situatie in Libië veel dramatischer heeft voorgesteld dan hij in werkelijkheid was, omdat hij tegen iedere prijs een militaire interventie wilde.

KRITIEK OP LÉVY is niet van vandaag of gisteren. Zijn fans prijzen zijn inzet voor de verworpenen der aarde, zijn doorzettingsvermogen, intelligentie en moed. Maar al 35 jaar klinken dezelfde verwijten: het verdraaien van de feiten, narcisme, intimidatiegedrag, grootheidswaanzin, een simplistisch wereldbeeld en een obsessie met de groten en machtigen der aarde. Nooit heeft Lévy zich erdoor laten afleiden. Onverstoorbaar bouwt hij verder aan het standbeeld dat hij begin jaren zeventig voor zichzelf heeft opgericht - hoe stevig zijn critici daar ook tegenaan trappen.
Op 27 mei 1977 maakte het grote Franse publiek voor het eerst kennis met Lévy. Toen was hij te gast in Apostrophes, het legendarische boekenprogramma van Bernard Pivot. Directe aanleiding was de publicatie, een paar weken eerder, van La barbarie à visage humain. Hierin maakte Lévy de trieste balans op van de twintigste eeuw, getekend als die was door stalinisme en fascisme. Hij werpt zich op als vertegenwoordiger van een nieuwe generatie die ernaar verlangt de politiek opnieuw te denken, dat wil zeggen, buiten de totalitaire kaders. Zijn de Nieuwe Filosofen links of rechts? luidt de titel van de uitzending.
Een jaar eerder had Lévy, als gastredacteur van het literaire weekblad Les nouvelles littéraires, voor een mediastunt gezorgd zoals die nog niet eerder in de Parijse intellectuele wereld was vertoond. Hij voerde zeven jonge auteurs ten tonele, die, niet toevallig, allemaal publiceerden in de boekencollectie die hij op dat moment als redacteur bij uitgeverij Grasset bestierde. Wat zij behalve hun leeftijd met elkaar gemeen hadden, was niet direct duidelijk, maar Lévy was op het lumineuze idee gekomen hen een aantal illustere denkers te laten interviewen (onder anderen Roland Barthes, Claude Levi-Strauss en Michel Serres), waardoor hij zijn beschermelingen voorzag van het nodige prestige. Lévy schreef er een voorwoord bij (ondertekend met de fameuze initialen BHL) en plakte er het etiket 'Nieuwe Filosofen’ op, alsof het een wasmiddel betrof. De truc werkte en op de Parijse linkeroever zijn Les nouveaux philosophes gedurende het hele najaar van 1976 hét gesprek van de dag.
De Apostrophes-uitzending bezorgde Lévy vervolgens nationale roem, al was dit vooral vanwege zijn dandyeske voorkomen: wit overhemd, sigaret losjes in de hand, lange bruine lokken en tragische blik. Pivot noteerde later in zijn memoires dat zijn zeventienjarige dochter hem bij thuiskomst vertelde dat ze die avond de reïncarnatie van Arthur Rimbaud had gezien. Van La barbarie à visage humain werden enkele honderdduizenden exemplaren verkocht en spoedig stroomden uit de hele wereld journalisten toe die het fenomeen met eigen ogen wilden aanschouwen, tot Time Magazine aan toe.
Het debat dat Lévy en zijn Nieuwe Filosofen lanceerden, was de lichte versie van het zogeheten 'totalitarismedebat’ dat een paar jaar eerder in Frankrijk was opgestoken na verschijning van de vertaling van De Goelag Archipel van de Russische schrijver Alexander Solzjenitsyn. Tijdens dit debat begonnen nogal wat Franse intellectuelen in te zien dat hun gedweep met het communisme een onvergeeflijke dwaasheid was geweest. Dit nam niet weg dat op de pessimistische conclusie van Lévy - dat het Westen aan de vooravond stond van een orwelliaans totalitarisme, waarin fascisme en communisme een sinister huwelijk waren aangegaan - wel het een en ander af te dingen viel.
Sterker: het jaar 1977 zou de opmaat blijken tot de grootste explosie van liberalisme en individualisme die de wereld ooit gekend had. Het marxisme, waarvan Lévy in zijn boek stelde dat het in hoog tempo bezig was de culturele sfeer over te nemen, beleefde in werkelijkheid zijn laatste jaren van intellectuele voorspoed. De jonge filosoof Marcel Gauchet vatte La barbarie à visage humain toen schamper samen als een 'retorisch patchwork van geleende gedachten’.

'HOE MAGERDER de inhoud van het denken, hoe belangrijker de denker’, schreef Gilles Deleuze. Een profetische zin? In elk geval zou het feit dat Lévy de plank finaal had misgeslagen zijn komeetachtige opkomst niet afremmen, integendeel. 'Hoe heeft het kunnen gebeuren dat iemand die nog nooit een originele gedachte heeft voortgebracht zich in een tijdsbestek van twee decennia heeft kunnen manifesteren als de quasi-officiële opvolger van Sartre en Malraux, persoonlijkheden die hij zich bovendien in zijn geschriften heeft “toegeëigend”?’ vraagt Philippe Cohen, auteur van een veelgeprezen biografie van Lévy zich in zijn voorwoord af.
Volgens Marc-Olivier Padis, hoofdredacteur van Esprit, het oudste intellectuele tijdschrift van Frankrijk, was dat niet zo moeilijk te verklaren. 'Lévy’s opkomst viel samen met twee belangrijke ontwikkelingen in de Franse intellectuele wereld. Veel marxistische intellectuelen gingen in de nasleep van het totalitarismedebat beschaamd in exil intérieur. Tegelijkertijd overleden nagenoeg alle grote intellectuele smaakmakers: Aron, Sartre, Foucault, en meer recentelijk Bourdieu, Derrida en Baudrillard. Dat schiep een vacuüm waarin mediagenieke figuren zoals Lévy vrij spel kregen.’
Dat zou weer ingrijpende consequenties hebben voor wat in Frankrijk onder 'intellectueel’ verstaan wordt. Voorheen was de intellectueel meer een amateur, publieke optredens deed hij ernaast. Wat ertoe deed was het literaire of het filosofische oeuvre. Maar nu bleek dat oeuvre plotseling van secundair belang. Wat telde was het publieke optreden. Daarmee was de 'media-intellectueel’ al snel een feit. Van die media-intellectuelen zijn er inmiddels nogal wat in Frankrijk te vinden, maar Lévy is de onbetwiste top dog. Iedere week is hij wel ergens te zien, te horen of te lezen. Bijna al zijn boeken groeien uit tot onverbiddelijke bestsellers. Opiniepeilingen wijzen hem jaar na jaar aan als de meest invloedrijke intellectueel van het land.
Critici als Cohen, maar ook de auteurs van Le nouveau B.A. BA de BHL, stellen dat dit hem zonder zijn formidabele netwerk in de Franse mediawereld nimmer was gelukt. De gastenlijst voor het verjaarsfeestje van La Règle du Jeu, het tijdschrift dat Lévy in 1990 oprichtte, biedt daar een verhelderend inzicht in. Anders dan tijdschriften als Esprit, Le Débat of Commentaire wordt La Règle du Jeu in Parijse intellectuele kringen niet bijzonder serieus genomen. Tot een podium voor aanstormend talent is het tijdens zijn twintigjarige bestaan in ieder geval nooit uitgegroeid. Maar de keur aan (inter)nationale beroemdheden die op 30 november 2010 samendrommen in het Café de Flore, Lévy’s vaste hang out, doet anders vermoeden. Een kleine greep: Milan Kundera, Umberto Eco, Roman Polanski en Jorge Semprún. En uit eigen land: de romancier Philippe Sollers, de essayist Pascal Bruckner, de filosofe Sylviane Agacinski, de architect Jean Nouvel en de cineast en schrijver Claude Lanzmann. Ook de mediawereld is goed vertegenwoordigd. De bazen en hoofdredacteuren van vrijwel alle belangrijke Franse uitgeverijen, kranten, weekbladen en radio- en televisiestations zijn present - de lijst is te lang om op te noemen.
Bovendien heeft Lévy in de Franse mediawereld ook echte macht: hij zetelt in de raad van toezicht van zowel dagblad Le Monde als die van tv-zender Arte en is aandeelhouder van dagblad Libération. Lévy slaagt er niet alleen prima in zijn boodschap te verpakken, hij heeft er dankzij zijn netwerk ook alle mogelijkheden toe. Maar is hij ook de filosoof waarvoor hij zich uitgeeft? 'Wie trapt daar nu nog in!’ verzucht Cohen. Hij heeft geen ongelijk. Een filosofisch traktaat van enige betekenis heeft Lévy tot dusver nooit geproduceerd. En toen hij het vorig jaar met De la guerre en philosophie dan toch een keer serieus probeerde, viel hij onmiddellijk door de mand toen bleek dat achter Jean-Baptiste Botul, de zogenaamde auteur van La vie sexuelle d'Emmanuel Kant, waaruit Lévy met instemming citeerde, een journalist van het satirische weekblad Le Canard enchaîné schuilging.
Zelfs zijn grootste vijanden zijn het erover eens dat Lévy onmiskenbare talenten heeft en een aantal verdienstelijke boeken schreef. De roman Les derniers jours de Charles Baudelaire (1988) bijvoorbeeld. Of zijn monumentale biografie over Sartre (Le siècle de Sartre, 2000). En eventueel de bundeling reportages vanuit vergeten oorlogsgebieden die hij maakte voor Le Monde (Réflexions sur la guerre, le mal et la fin de l'histoire, 2002). Maar een ideeënstelsel? Of desnoods een filosofisch concept dat hem zal overleven? Zelfs Liliane Lazar - de Amerikaanse universiteitsdocente die met de website www.benard-henri-levy.com een waar monument voor haar idool heeft opgericht - moet toegeven dat Lévy zijn energie aan te uiteenlopende zaken besteedt om tot iets consistents te komen. 'Lévy helpt ons niet, helpt zichzelf niet, om zijn waarheid te doen laten triomferen’, zo verzucht ze. Helemaal opgegeven heeft Lazar de hoop nog niet. 'Toch bestaat het lévisme wel degelijk. Ik geef mezelf een paar maanden om de contouren van dit lévisme te schetsen en zijn substantie bloot te leggen.’ Sindsdien is het akelig stil geworden op dit gedeelte van de website.
Toch is het niet zo moeilijk om bij Lévy een constante te ontdekken. Er loopt een rechte lijn van het moment dat hij als jongeman afreisde naar Bangladesh tot de dag dat hij zich als 62-jarige meldde bij de ingang van het gerechtsgebouw in Benghazi. De oorlog die hij hier zal helpen vormgeven, zal niet alleen voor de Libische rebellen, maar ook voor Lévy zelf het grote moment van de waarheid blijken: 'Het grote Evenement, dé grote uitdaging van mijn intellectuele en politieke engagement’, schrijft hij in La guerre sans l'aimer. Maar wat, nu deze missie is geslaagd, voor Lévy minstens even zwaar zal wegen is de vraag of hij nu eindelijk zijn eigen legende naar het niveau van Malraux zal kunnen tillen. Of dat zo is weet hij pas wanneer er ooit een ambitieuze Franse jongeman opstaat die zegt: 'Ik wil zo zijn als Bernard-Henri Lévy, of ik wil niet zijn. BHL, ou rien!’